ECLI:NL:RBZWB:2025:8390

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 oktober 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
C/02/438404 / FA RK 25-3988
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:266 BWArt. 1:247 BWArt. 1:275 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ouderlijk gezag moeder en benoeming voogd Stichting Jeugdbescherming Brabant

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 23 oktober 2025 uitspraak gedaan in een zaak betreffende de beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over een minderjarige geboren in 2009. De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank het gezag van de moeder te beëindigen en de gecertificeerde instelling (GI), Stichting Jeugdbescherming Brabant, als voogd aan te stellen. De moeder verblijft op een bekend adres en de minderjarige woont in een begeleid wonen groep.

De Raad bracht zorgen naar voren over de belastbaarheid van de moeder en haar onvermogen om adequaat zorg te dragen voor de minderjarige, mede door een belast verleden, persoonlijke en gezondheidsproblematiek, en een patroon van onvoorspelbaar gedrag. Er was sprake van huiselijk geweld, mishandelingen, verwaarlozing en wisselende woonsituaties. De moeder gaf zelf aan niet in staat te zijn het gezag uit te oefenen. De minderjarige was sinds medio maart 2025 niet meer op school geweest en er was weinig contact met de biologische vader.

De rechtbank oordeelde dat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig werd bedreigd en dat de moeder niet binnen een aanvaardbare termijn haar verantwoordelijkheid kon dragen. Daarom werd het gezag van de moeder beëindigd. Omdat er geen gezagsvoorziening meer zou zijn, werd de GI als voogd benoemd. Hoewel de minderjarige en vader de voorkeur gaven aan voogdij door de vader, achtte de rechtbank de GI beter in staat de voogdij uit te oefenen vanwege diens langdurige betrokkenheid en kennis van de situatie.

De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en schriftelijk vastgelegd op 18 november 2025. De minderjarige is door de kinderrechter geïnformeerd over de uitspraak. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na betekening van de beschikking.

Uitkomst: Het ouderlijk gezag van de moeder wordt beëindigd en Stichting Jeugdbescherming Brabant wordt benoemd tot voogd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/438404 / FA RK 25-3988
Datum uitspraak: 23 oktober 2025
beschikking van de rechtbank over de gezagsbeëindiging
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
Middelburg,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag 1] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. B. Goedkoop uit Breda.
De rechtbank merkt als informanten aan:
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Brabant, hierna te noemen de GI,
de heer
[de biologische vader],
hierna te noemen: de biologische vader.
.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 28 juli 2025;
  • de bereidverklaring tot voogdij van 23 oktober 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, via een Teamsverbinding;
  • de moeder, via een Teamsverbinding;
  • de advocaat van de moeder;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI, via een Teamsverbinding.
1.3.
De rechtbank heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met kinderrechter mr. Van Gessel. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft op een groep waar wordt toegewerkt naar begeleid wonen.
2.3.
Bij beschikking van 6 augustus 2024 zijn de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder laatstelijk verlengd tot 9 augustus 2025.
2.4.
De GI heeft zich bij brief van 28 juli 2025 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt het gezag van de moeder te beëindigen en de GI tot voogd(es) over [minderjarige] te benoemen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft het verzoek. De Raad heeft zorgen over de belastbaarheid van moeder en haar vermogen om de juiste keuzes en beslissingen voor [minderjarige] te maken. Al jaren zijn er zorgen over de persoonlijke en gezondheidsproblematiek van moeder, de belastbaarheid en draagkracht van moeder en of zij voldoende kan aansluiten bij hetgeen [minderjarige] nodig heeft vanwege haar problematieken (hechting en trauma’s). Moeder heeft een belast verleden en heeft veel meegemaakt qua geweld met ex-partners. Moeder heeft door de jaren heen niet altijd de goede keuzes voor [minderjarige] gemaakt. Zo is zij ambivalent geweest omtrent het wonen van [minderjarige] . In 2022 waren [minderjarige] en moeder vertrokken naar een onbekende plek en waren zij onvoldoende bereikbaar voor de GI. Moeder wilde [minderjarige] niet terugbrengen en geen informatie delen over hoe het op dat moment met [minderjarige] ging en of zij veilig was. Dit heeft veel met [minderjarige] gedaan. Zodra zij was teruggevonden, liet zij veel fysieke en verbale agressie zien, zij was van streek en deed suïcidale uitspraken. Het is een grote zorg dat moeder [minderjarige] keer op keer aan een onveilige situatie heeft blootgesteld (o.a. met huiselijk geweld, onrust en spanningen) en dat het haar soms onvoldoende lukt om bij [minderjarige] aan te sluiten. De moeder geeft zelf aan dat ze niet in staat is om de juiste beslissingen over [minderjarige] te nemen en dat de GI dit beter zou kunnen. De moeder geeft aan dat het haar nu niet meer lukt om het gezag over [minderjarige] uit te oefenen. De Raad heeft de indruk dat de moeder de zaken niet kan overzien en dat het haar niet lukt om de afspraken voor [minderjarige] te regelen. De moeder geeft aan dat [minderjarige] zelfbepalend kan zijn en dat zij het simpelweg niet meer aan kan. De zorg van de Raad is dat wanneer de moeder aangeeft niet de juiste beslissingen over [minderjarige] te kunnen nemen, dit (ook) niet meer te willen en het niet te overzien, dat zaken niet tijdig voor [minderjarige] kunnen worden geregeld. De GI lijkt dit binnen de ondertoezichtstelling te hebben ondervangen door toch met de betrokken instanties zaken te regelen wanneer de moeder bijvoorbeeld uit contact gaat (in 2024 voor een halfjaar ongeveer), maar deze manier zorgt voor veel onrust en onduidelijkheid bij [minderjarige] . Uit de informatie binnen het huidige raadsonderzoek én de (hulpverlenings)geschiedenis, komt naar voren dat er bij de moeder sprake is van een patroon waarbij zij onvoorspelbaar kan zijn in haar gedrag. De moeder werkt momenteel mee aan de gemaakte afspraken en de plaatsing van [minderjarige] , maar
kan ook op ieder moment omslaan, haar eigen pad gaan bewandelen en uit contact gaan
met de jeugdbeschermers. Daarbij heeft de Raad zorgen over de dynamiek en de ouder-kind relatie tussen de moeder en [minderjarige] . Er lijkt sprake van een patroon van aantrekken en afstoten. De Raad maakt zich zorgen dat [minderjarige] zich hierdoor mogelijk onvoldoende gehoord en gezien voelt door haar moeder en zij de betrokkenheid vanuit haar moeder mist. Het is een zorg dat [minderjarige] momenteel niet naar school gaat en dat zij al sinds
medio maart 2025 niet meer op school is geweest. Ook heeft de Raad zorgen over het ontbreken van structureel en onbelast contact tussen de vader en [minderjarige] . Gedurende jaren is vader niet in het leven van [minderjarige] geweest, en er zijn zorgen over wat [minderjarige] van het huiselijk geweld toen haar ouders nog samen waren, heeft meegemaakt. De GI acht het nodig dat het gezag van de moeder over [minderjarige] wordt beëindigd. De moeder kan door haar eigen problematiek en door de chronische problematiek tussen haar en [minderjarige] niet stabiel en adequaat zorgen voor [minderjarige] en inschatten hoe haar te beschermen en positief bij te dragen aan haar ontwikkeling. Er is sprake van een zodanig ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige] dat beëindiging van het gezag van moeder noodzakelijk is om deze bedreiging af te wenden. [minderjarige] heeft jarenlang te maken gehad met onrust en spanningen in de
opvoedsituatie bij de moeder en diens partner(s). [minderjarige] heeft veel wisselingen gekend in woonsituaties en zij heeft veel meegemaakt waaronder huiselijk geweld, mishandelingen en verwaarlozing. Het is moeder onvoldoende gelukt om [minderjarige] hiertegen te beschermen, zij heeft [minderjarige] ook in onveilige situaties gebracht.
Uiteindelijk is besloten dat het perspectief van [minderjarige] niet meer bij de moeder ligt,
maar dat zij verder zal opgroeien bij [hulpverlening] . De moeder geeft aan niet in staat te zijn om te beslissingen over [minderjarige] te kunnen nemen. De moeder heeft veel aan haar hoofd en is druk bezig met haar eigen leven. Gebleken is dat de moeder niet in staat is om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] binnen een voor haar aanvaardbare termijn weer te kunnen dragen. De aanvaardbare termijn voor [minderjarige] is verstreken. Ondanks dat er wel stappen zijn gezet binnen de ondertoezichtstelling blijft er onvoldoende verbetering komen. De moeder heeft onvoldoende kunnen profiteren van de hulp om haar situatie op orde te krijgen. De Raad is van mening dat een ondertoezichtstelling niet meer passend is. Voortzetting van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing is niet in het belang van [minderjarige] , evenals het vrijwillig
kader, omdat [minderjarige] in beide juridische situaties afhankelijk is van de moeder als gezaghebbende ouder, terwijl de moeder geen dan wel onvoldoende invulling kan geven aan
het gezag. De Raad hoopt dat een gezag beëindiging [minderjarige] meer duidelijkheid biedt over waar ze mag blijven opgroeien, dat de zaken voor haar geregeld worden, dat zij weet waar
ze aan toe is in het contact met haar ouder(s) en ook vooral de focus kan hebben
op het goed onderhouden van dit contact met elkaar. In het belang van [minderjarige] moet de GI de voogdij over [minderjarige] krijgen. De Raad heeft overwogen of de biologische vader belast zou kunnen worden met de voogdij of het gezag (na erkenning) over [minderjarige] . Vader zou dit graag willen en [minderjarige] geeft ook aan dit te willen. De moeder is het hier niet mee eens, omdat er dan opnieuw een hele onrustige situatie voor [minderjarige] kan ontstaan en hij geen
verstandige beslissingen over haar zou kunnen nemen. De Raad acht het niet in het belang van [minderjarige] dat de vader belast wordt met het gezag gezien zijn beperkte betrokkenheid bij [minderjarige] . Zij hebben jarenlang geen contact met elkaar gehad, er zijn zorgen over zijn belast verleden en hetgeen [minderjarige] in het verleden met hem en moeder heeft meegemaakt én momenteel is er recent pas weer contact met elkaar maar dit is (nog) minimaal. De Raad acht de vader op dit moment dan ook niet in staat om beslissingen over [minderjarige] te nemen
Doordat de GI al jaren betrokken is, zij de juiste hulp voor [minderjarige] inzet en zij
momenteel weer goed in contact zijn met de moeder, acht de Raad het van belang dat
zij met de voogdij belast worden. Wel is het belangrijk dat zij met [minderjarige] in
gesprek blijven over haar zorgen omtrent de jeugdbeschermers, dat zij hierover
ook bij vertrouwenspersonen terecht kan en dat de huidige jeugdbeschermers (met [minderjarige] en de moeder) blijven kijken of zij nog voldoende in samenwerking en contact
met het gezin kunnen zijn.
4.2.
Door en namens de moeder wordt tijdens de zitting verklaard dat zij het eens is met het verzoek van de Raad. Het is in het belang van [minderjarige] dat haar gezag over haar wordt beëindigd. De moeder stelt het welzijn van [minderjarige] voorop. De moeder heeft een periode van instabiliteit gekend waarin ze haar leven weer op orde moest krijgen. Ze krijgt hier nu steeds meer grip op. De moeder is bezig met het vinden van een woning en ervaart meer rust in haar leven. Ze kan nu werken aan haar eigen problematiek en is begonnen met helen. De moeder heeft goed contact met de GI en de vader. In de toekomst hoopt ze weer meer voor [minderjarige] te kunnen betekenen. Het klopt dat [minderjarige] heeft aangegeven dat ze het liefste wil dat de vader en de GI samen het gezag delen.
4.3.
De vader verklaart tijdens de zitting dat hij het verzoek van de Raad begrijpt. Hij wil graag meer betrokken zijn in het leven van [minderjarige] en hij wil dan ook graag, waar mogelijk, een rol spelen in het nemen van beslissingen over [minderjarige] . Hij zou [minderjarige] ook graag erkennen. Dit is tot op heden helaas nog niet gelukt.
4.4.
De GI verklaart tijdens de zitting achter het verzoek van de Raad te staan. De GI is bereid om de voogdij over [minderjarige] op zich te nemen. De GI ziet een liefdevolle moeder die het inzicht heeft gekregen om te helen. De GI vindt het moedig van de moeder dat zij inziet dat het niet langer in het belang van [minderjarige] is dat zij het gezag over haar uitoefent. De GI erkent dat de samenwerking met [minderjarige] soms lastig is omdat zij wisselend is in haar wens wie de voogdij over haar uit zal oefenen. De GI is bereid om met de vader in gesprek te gaan om hem meer te betrekken in het leven van [minderjarige] .
4.5.
In haar gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige] aangegeven dat ze het verzoek van de Raad om het gezag van haar moeder over haar te beëindigen, begrijpt. [minderjarige] wil graag dat haar vader, dan wel een andere instantie dan de GI de voogdij over haar gaat uitoefenen omdat ze denkt dat dat beter is.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen, indien:
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.
5.2.
Op basis van de stukken en de zitting is de rechtbank van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, onder a , BW is voldaan en wijst het verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder daarom toe. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. [minderjarige] heeft jarenlang te maken gehad met onrust en spanningen in de
opvoedsituatie bij de moeder en diens partner(s). [minderjarige] heeft veel wisselingen gekend in woonsituaties en zij heeft veel meegemaakt waaronder huiselijk geweld, mishandelingen en verwaarlozing. Het is moeder onvoldoende gelukt om [minderjarige] hiertegen te beschermen. Gebleken is dat de moeder de afgelopen jaren niet de juiste keuzes voor [minderjarige] heeft gemaakt en een tijd lang ook uit beeld is geweest bij de GI. Vast staat dat het perspectief van [minderjarige] niet meer bij de moeder ligt maar dat [minderjarige] verder zal opgroeien bij [hulpverlening] , en vanuit daar zal toewerken naar het verblijf bij een andere woonvorm. Gebleken is dat de moeder niet in staat is om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] binnen een voor haar aanvaardbare termijn te kunnen dragen. Ondanks dat de moeder wel stappen heeft gezet binnen de ondertoezichtstelling blijft er onvoldoende verbetering komen. De rechtbank is met de Raad van oordeel dat voortzetting van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing of plaatsing van [minderjarige] in het vrijwillig kader niet in het belang van [minderjarige] is, omdat zij in beide juridische situaties afhankelijk is van de moeder als gezaghebbende ouder, terwijl de moeder geen dan wel onvoldoende invulling kan geven aan haar gezag. De rechtbank hoopt dat [minderjarige] door de beëindiging van het gezag van de moeder over haar meer duidelijkheid mag ervaren over waar zij mag opgroeien, dat de zaken voor haar geregeld worden en dat de focus kan liggen op het hebben van goed contact tussen haar en haar vader en moeder.
5.3.
Omdat de beëindiging van het gezag van de moeder ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid, BW een voogd over haar te benoemen. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt. De Raad adviseert de GI te belasten met de voogdij over [minderjarige] . Zowel de vader als [minderjarige] hebben aangegeven dat zij wensen dat de vader de voogdij (of gezag na erkenning) over [minderjarige] gaat uitvoeren. Alles overwegende acht de rechtbank het het meest in het belang van [minderjarige] dat de GI de voogdij over haar gaat uitoefenen. Hoewel de rechtbank de wens van [minderjarige] en de vader omtrent de voogdij begrijpt acht de rechtbank de GI nu beter in staat om de voogdij over [minderjarige] uit te oefenen. Het contact tussen [minderjarige] en haar vader is pas recent weer tot stand gekomen en de rechtbank acht de vader om die reden nog onvoldoende op de hoogte om de juiste gezagsbeslissingen over [minderjarige] te nemen. De GI is al jaren betrokken bij [minderjarige] en is op de hoogte van wat speelt in het leven van [minderjarige] . De rechtbank acht de GI het beste in staat om belangrijke beslissingen in het leven van [minderjarige] te nemen. De rechtbank geeft de GI wel mee oog te hebben voor de zorgen van [minderjarige] ten aanzien van de huidige jeugdbeschermers en om, zoals toegezegd, met de vader het gesprek over de invulling van zijn rol in het leven van [minderjarige] aan te gaan.
5.4.
De GI heeft zich bereid verklaard de voogdij op zich te nemen.
De rechtbank is daarom van oordeel dat de GI moet worden belast met de voogdij.
5.5.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [1]
5.6.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.7.
De kinderrechter vindt het belangrijk dat [minderjarige] zelf van hem te horen krijgt wat er in deze procedure wordt beslist maar ook dat de andere betrokkenen weten wat de kinderrechter hierover aan [minderjarige] terugkoppelt. Hierna zal de kinderrechter zich daarom tot [minderjarige] richten. Deze tekst zal worden overgenomen in een brief, die naar [minderjarige] wordt gestuurd.
Beste [minderjarige] ,
Op 22 oktober heb jij een gesprek gehad met mijn collega kinderrechter op de locatie van onze rechtbank in Breda. Jij hebt in dat gesprek aangegeven dat je begrijpt dat het gezag van je moeder over jou wordt beëindigd en dat je het daarmee ook eens bent. Ook heb je aangegeven dat je graag wil dat jouw vader de voogdij over jou krijgt en dat hij beslissingen over jou mag nemen. Mocht dit niet kunnen, dan zou je graag willen dat een andere instantie dan Jeugdbescherming Brabant de voogdij over jou uitoefent vanwege jouw ingewikkelde relatie met de huidige jeugdbeschermer en het feit dat je in [plaats] op een woongroep woont. Via deze brief laat ik je weten wat ik heb beslist. Ik heb beslist dat het gezag van je moeder over jou wordt beëindigd en dat de voogdij zal worden uitgeoefend door Jeugdbescherming Brabant. Dit betekent dat jouw huidige jeugdbeschermer [persoon] betrokken blijft. Ik heb dit besloten omdat Jeugdbescherming Brabant al langer bij jou betrokken is en goed op de hoogte is van wat er in jouw leven speelt. Ik denk dat de GI daarom het beste belangrijke beslissingen over jou kan nemen. Tussen jou en je vader is het contact pas weer opgestart en ik vind dat om die reden je vader nog niet genoeg op de hoogte is van wat voor jou nodig is om de juiste beslissingen voor jou te nemen. De jeugdbeschermer heeft gezegd dat hij je vader meer gaat betrekken in beslissingen die voor jou belangrijk zijn. Dat wil hij ook graag. En jij denk ik ook.
Ik hoop dat deze beslissing voor rust en duidelijkheid bij jou mag zorgen. Ik wens je het allerbeste voor de toekomst.
Met vriendelijke groet,
De kinderrechter mr. de Beer

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van [de moeder] , geboren op [geboortedag 2] 1981 in [geboortplaats] over [minderjarige] ;
6.2.
benoemt tot voogd(es) over genoemde minderjarige, Stichting Jeugdbescherming Brabant;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2025 door mr De Beer, rechter, in aanwezigheid van mr. Duerink-Bottinga als griffier, en op schrift gesteld op 18 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.