ECLI:NL:RBZWB:2025:8400
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde van een horeca gelegenheid in Breda
In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 28 november 2025, wordt het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar beoordeeld. De heffingsambtenaar had de WOZ-waarde van de onroerende zaak, een horeca gelegenheid gelegen aan de rand van het buitengebied van Breda, vastgesteld op € 1.568.000 per 1 januari 2023. Belanghebbende, eigenaar van het object, was het niet eens met deze waardebepaling en stelde dat de waarde maximaal € 1.300.000 zou moeten zijn. De rechtbank heeft het beroep op 5 november 2025 behandeld, waarbij zowel de gemachtigde van belanghebbende als de heffingsambtenaar aanwezig waren.
De rechtbank concludeert dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. De rechtbank baseert haar oordeel op de argumenten van belanghebbende en de onderbouwing van de heffingsambtenaar, die gebruik heeft gemaakt van de huurwaardekapitalisatiemethode (HWK-methode) en een taxatierapport heeft overgelegd. De rechtbank oordeelt dat de waarde van het object voor het belastingjaar 2024 niet te hoog is vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. Dit betekent dat de WOZ-beschikking en de aanslag onroerendezaakbelastingen gehandhaafd blijven. Belanghebbende krijgt geen griffierecht terug en ook geen vergoeding van proceskosten.