ECLI:NL:RBZWB:2025:8409

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 oktober 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
RK 25-013710
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 534 lid 1 SvArt. 9a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning vergoeding kosten rechtsbijstand ex artikel 530 Sv na sepot

De enkelvoudige raadkamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 28 oktober 2025 een verzoek ex artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering tot vergoeding van kosten rechtsbijstand en reiskosten. Verzoeker had een verzoekschrift ingediend voor vergoeding van €2.764,20 aan kosten rechtsbijstand, €6,72 aan reiskosten en een forfaitaire vergoeding van €340,00 voor het opstellen van het verzoekschrift.

De zaak was geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder toepassing van artikel 9a Sr, waardoor de rechtbank bevoegd was het verzoek te behandelen. De officier van justitie stond toe dat het verzoek gedeeltelijk werd toegewezen. De rechtbank oordeelde dat de kosten rechtsbijstand voldoende waren onderbouwd en billijk waren, en wees deze toe. De reiskosten werden afgewezen omdat deze niet binnen de reikwijdte van artikel 530 Sv Pro vallen.

De rechtbank kende het forfaitaire bedrag van €340,00 toe voor de kosten verbonden aan het indienen van het verzoekschrift. Het totale toe te kennen bedrag bedraagt €3.104,20. Dit bedrag zal worden overgemaakt op een derdengeldenrekening ten name van Stichting Derdengelden TDNL Strafrechtadvocaten onder vermelding van verzoeker en OM. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open.

Uitkomst: Verzoek tot vergoeding kosten rechtsbijstand wordt toegewezen voor €3.104,20, reiskosten worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
parketnummer : 02-133098-25
raadkamernummer : 25-013710
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker],
geboren op [datum] 2004 te [plaats],
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. S. van Minderhout advocaat te Breda, (Postbus 4650, 4803 ER Breda),
hierna te noemen: de verzoeker.

1.De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
 het op 22 mei 2025 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding
ex artikel 530 Sv Proten laste van de Staat voor een bedrag van:
  • € 2.764,20, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
  • € 6,72, voor vergoeding van reiskosten;
  • € 340,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
  • de kennisgeving sepot van 1 mei 2025;
  • de schriftelijke reactie van de officier van justitie;
  • de overige stukken in het raadkamerdossier.
Namens verzoeker is verzocht een vergoeding van bovengenoemde schade toe te wijzen.
De officier van justitie heeft zich in de schriftelijke reactie op het standpunt gesteld dat het verzoek kan worden toegewezen.
De rechtbank heeft voorafgaand aan de behandeling vastgesteld dat er een verzoek om reiskosten gedaan wordt, welke niet voor vergoeding in aanmerking komt. Hierover is contact opgenomen met de advocaat en de officier van justitie. De raadsvrouw heeft op voorhand schriftelijk haar standpunt kenbaar gemaakt. Zij stelt zich op het standpunt dat de reiskosten wel voor vergoeding in aanmerking komen. De raadsvrouw verwijst daarbij naar een beslissing van deze rechtbank waarbij de kosten wel vergoed zijn. Verzoeker en officier van justitie hebben ingestemd met een pro-formabehandeling van het verzoekschrift, waarbij verzoeker en de advocaat niet in raadkamer hoeven te verschijnen.
Op 14 oktober 2025 heeft het onderzoek door de openbare raadkamer plaatsgevonden. Hierbij was de officier van justitie, mr. R.S. Jacobs, aanwezig. Verzoeker en de advocaat zijn hierbij niet verschenen.

2.De beoordeling

De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou worden vervolgd.
Op grond van artikel 530 Sv Pro wordt aan een gewezen verdachte een vergoeding toegekend van de reis- en verblijfskosten die voor het onderzoek en de behandeling van de zaak zijn gemaakt. Er kan ook een vergoeding worden toegekend voor de schade die hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden. Tot slot kan ook een vergoeding voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.
Artikel 534 lid 1 Sv Pro bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.
Het verzochte bedrag aan kosten van rechtsbijstand ter hoogte van
€ 2.764,20is in voldoende mate onderbouwd en komt de rechtbank billijk voor. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen.
Reiskosten van en naar het politiebureau vallen niet binnen de reikwijdte van artikel 530 Sv Pro en komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal deze kosten afwijzen.
Voor de kosten verbonden aan de indiening van het verzoekschrift wordt het forfaitaire bedrag van
€ 340,00toegekend.

3.De beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv Pro toe tot een bedrag van
€ 3.104,20, bestaande uit:
- €
2.764,20aan kosten van rechtsbijstand;
en
- € 340,00 de kosten verbonden aan de indiening van het verzoekschrift in raadkamer;
wijst het verzoek voor het overige af;
bepaalt dat een bedrag van
€ 3.104,20zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] ten name van Stichting Derdengelden TDNL Strafrechtadvocaten onder vermelding van “[verzoeker]/OM”.
Deze beslissing is op 28 oktober 2025 genomen door mr. J.P.M. Hopmans, rechter, in tegenwoordigheid van I.L. Bruijnooge griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 28 oktober 2025.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.