ECLI:NL:RBZWB:2025:8412

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 oktober 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
RK 25-021288
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet DNAArt. 7 Wet DNAArt. 67 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift tegen DNA-profielbepaling ongegrond verklaard bij opzettelijk onttrekken minderjarige aan gezag

De veroordeelde, veroordeeld voor het opzettelijk onttrekken van een minderjarige aan het wettig gezag, heeft bezwaar gemaakt tegen het bepalen en verwerken van haar DNA-profiel op grond van artikel 7 van Pro de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. Zij stelde dat gezien de aard van het misdrijf en haar persoonlijke omstandigheden het DNA-onderzoek niet van betekenis zou zijn voor opsporing en vervolging.

De rechtbank heeft het bezwaar behandeld in besloten raadkamer waarbij de veroordeelde niet is verschenen, maar wel vertegenwoordigd door haar advocaat. Het Openbaar Ministerie voerde aan dat geen uitzonderingssituatie aanwezig is en dat het DNA-onderzoek noodzakelijk is vanwege de ernst van het feit en de opgelegde voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden.

De rechtbank oordeelde dat het misdrijf onder de Wet DNA valt en dat DNA-onderzoek van belang kan zijn bij dergelijke misdrijven. De persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde, waaronder het ontbreken van recidivegevaar, werden niet voldoende geacht om afname te voorkomen. Gezien het systeem van de wet en de jurisprudentie dient terughoudendheid te worden betracht bij uitzonderingen. Het bezwaarschrift werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het bezwaarschrift tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
parketnummer : 02-354562-24
raadkamernummer : 25-021288
datum : 14 oktober 2025
beslissing van de enkelvoudige raadkamer enkelvoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 7 Wet Pro DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA) van:

[veroordeelde],

geboren op [datum] 1983 te [plaats],
wonende op het [adres],
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. S.J. Nijssen, advocaat te Goes (Wulfaertstraat 3, 4461 HS Goes),
hierna te noemen: de veroordeelde.

Procedure

Het bezwaarschrift is op 29 augustus 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft op 14 oktober 2025 het bezwaar in besloten raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de veroordeelde, haar advocaat, mr. S.J. Nijssen, advocaat te Goes en de officier van justitie, mr. R.S. Jacobs in raadkamer gehoord.
De veroordeelde is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

Bezwaar

Het bezwaar richt zich tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde.
De veroordeelde stelt dat sprake is van een uitzondering zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet DNA, nu redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van haar DNA-profiel gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.
Namens de veroordeelde is aangevoerd dat er geen sprake is van recidive gevaar. De veroordeling destijds was een incident. Veroordeelde ziet in dat zij niet juist gehandeld heeft en er is hulpverlening betrokken. Er is dan ook geen recidive gevaar. Veroordeelde verzoekt om haar bezwaarschrift gegrond te verklaren en te bepalen dat haar DNA-profiel niet zal worden bepaald en verwerkt.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt dat zich geen uitzondering voordoet in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA. Enkel bij hoge uitzondering biedt de Wet DNA ruimte om af te wijken van het uitgangspunt dat een DNA-profiel wordt afgenomen en opgeslagen in de databank. Dit kan bijvoorbeeld zijn wanneer zich omstandigheden voordoen op basis waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat recidive met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet zal plaatsvinden of in uitzonderlijke gevallen bij minderjarigen. Van dergelijke omstandigheden is niet gebleken. Hij ziet in de ernst van het feit en het vonnis van de rechtbank, waarin aan veroordeelde een deels voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd met daaraan gekoppeld allerlei bijzondere voorwaarden, ook geen uitzonderingen terug. Het bezwaarschrift dient ongegrond te worden verklaard.

Beoordeling

Bij vonnis van 25 juni 2025 is de veroordeelde door de politierechter van deze rechtbank veroordeeld ter zake van opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag en aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent en is aan de veroordeelde opgelegd een taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis en een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met daaraan gekoppeld diverse bijzondere voorwaarden.
De rechtbank is bevoegd.
Het bezwaar is tijdig en op de juiste wijze ingediend. De veroordeelde kan daardoor in het bezwaar worden ontvangen.
Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA kan een bevel tot afname van celmateriaal enkel worden bevolen ter zake van een veroordeling van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv. De rechtbank stelt vast dat het misdrijf waarvoor het bevel is afgegeven, aan dit vereiste voldoet.
Wettelijk kader
Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (hierna Wet DNA) kan een bevel tot afname van celmateriaal enkel worden bevolen ter zake van een veroordeling van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv. De rechtbank stelt vast dat het misdrijf waarvoor het bevel is afgegeven, aan dit vereiste voldoet.
De Wet DNA strekt ertoe gepleegde en eventuele toekomstige strafbare feiten van de veroordeelde op efficiënte wijze op te sporen, alsmede de veroordeelde te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Daarbij is het uitgangspunt dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven, tenzij zich een van de in het eerste lid genoemde uitzonderingen voordoet. Een van de uitzonderingen is, dat redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden, waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.
Aard van het misdrijf
Blijkens de wetsgeschiedenis ziet de maatstaf 'aard van het misdrijf' op misdrijven waarbij DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing vervolging en berechting van strafbare feiten. Veroordeelde is veroordeeld voor het opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag en aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent. De rechtbank is van oordeel dat, voor de opheldering van dergelijke misdrijven, DNA-onderzoek van betekenis kan zijn. Dergelijke misdrijven kennen immers vele verschijningsvormen en daar zitten ook vormen bij waarvoor DNA-onderzoek bepalend kan zijn.
Bijzondere omstandigheden
De maatstaf 'bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd' hangt samen
met de persoon van de veroordeelde. Het gaat daarbij om de situatie dat, ondanks een veroordeling wegens misdrijf, in de gegeven omstandigheden een DNA-onderzoek niet kan worden gerechtvaardigd. Blijkens de wetsgeschiedenis moet dan gedacht worden aan een veroordeelde van wie zeer onaannemelijk is dat hij ooit eerder een strafbaar feit heeft gepleegd voor de opsporing waarvan DNA-onderzoek van belang kan zijn, en die het misdrijf in de toekomst, bijvoorbeeld vanwege ernstige lichamelijke beperkingen, ook nooit meer zal kunnen begaan. Hieraan kan worden toegevoegd dat, hoewel in de Wet geen onderscheid wordt gemaakt tussen meerderjarigen en minderjarigen, de rechter bij zijn oordeel of sprake is van ‘bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd’ de omstandigheid dat de veroordeelde ten tijde van het plegen van het feit minderjarig was moet betrekken. Of, en in welke mate bijzondere omstandigheden aan de orde zijn, zal afhangen van de omstandigheden van het geval. Een relevante factor in dit verband kan allereerst zijn of de gevolgen van het bepalen en verwerken van het DNA-profiel evident disproportioneel zijn, gelet op de omstandigheid dat het feit is begaan toen de veroordeelde minderjarig was. Daarnaast kan de rechter betrekken of, mede gelet op de omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd en de leeftijd van de veroordeelde ten tijde van het misdrijf, sprake is van een gering recidivegevaar. Daarvoor kan ook van belang zijn of aanwijzingen bestaan voor eerder gepleegde relevante misdrijven (Hoge Raad 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:626).
De rechtbank is van oordeel dat veroordeelde geen beroep toekomt op deze in de Wet DNA genoemde uitzondering. Gelet op het systeem van de wet dient terughoudend te worden omgegaan met het aannemen van een uitzonderingssituatie. Er dienen zeer uitzonderlijke omstandigheden te worden aangevoerd waaronder het strafbare feit is gepleegd. Het moet dan gaan om omstandigheden die zich in de toekomst met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet meer zullen voordoen. Die omstandigheden zijn de rechtbank niet gebleken. Niet kan worden gesteld dat het zeer onaannemelijk is dat veroordeelde in de toekomst nooit meer een strafbaar feit zal kunnen plegen. De rechtbank kent in dit kader gewicht toe aan het feit dat veroordeelde in de onderliggende strafzaak een forse voorwaardelijke gevangenisstraf heeft gekregen met daarbij diverse bijzondere voorwaarden, ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten waaruit volgt dat de rechtbank uit is gegaan van een zekere mate van recidivegevaar bij veroordeelde en dat de omstandigheden die destijds geleid hebben tot het strafbare feit ongewijzigd zijn gebleven.
Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat geen sprake is van een uitzonderingssituatie en dat het bezwaar ongegrond moet worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door
mr. J.P.M. Hopmans, rechter,
in tegenwoordigheid van I.L. Bruijnooge, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2025.
Tegen deze beslissing staan geen rechtsmiddelen open.