De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 14 oktober 2025 het klaagschrift van een beslagene die verzocht om opheffing van het beslag op een geldbedrag van €1331, dat op 9 mei 2025 onder hem was gelegd. De beslagene stelde dat het geld afkomstig was van casinowinst en niet door een strafbaar feit was verkregen.
De officier van justitie voerde aan dat gezien de hoeveelheid drugs en de aangetroffen attributen er een dealerindicatie bestond, en dat de beslagene vervolgd zou worden wegens drugsbezit en witwassen. De rechtbank oordeelde dat het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag rechtvaardigde, omdat het niet hoogst onwaarschijnlijk was dat de strafrechter het geld later zou verbeurdverklaren.
De rechtbank benadrukte dat het onderzoek in raadkamer summier is en niet ten gronde kan treden in de hoofdzaak. De beslagene had zijn stelling dat het geld uit casinowinst kwam niet onderbouwd. Daarom werd het klaagschrift ongegrond verklaard en bleef het beslag gehandhaafd.
Tegen deze beslissing staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad binnen veertien dagen na betekening.