ECLI:NL:RBZWB:2025:8413

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 oktober 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
RK 25-013705
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 552a SvOpiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaard klaagschrift tegen strafvorderlijk beslag op geld wegens drugs- en witwasverdacht

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 14 oktober 2025 het klaagschrift van een beslagene die verzocht om opheffing van het beslag op een geldbedrag van €1331, dat op 9 mei 2025 onder hem was gelegd. De beslagene stelde dat het geld afkomstig was van casinowinst en niet door een strafbaar feit was verkregen.

De officier van justitie voerde aan dat gezien de hoeveelheid drugs en de aangetroffen attributen er een dealerindicatie bestond, en dat de beslagene vervolgd zou worden wegens drugsbezit en witwassen. De rechtbank oordeelde dat het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag rechtvaardigde, omdat het niet hoogst onwaarschijnlijk was dat de strafrechter het geld later zou verbeurdverklaren.

De rechtbank benadrukte dat het onderzoek in raadkamer summier is en niet ten gronde kan treden in de hoofdzaak. De beslagene had zijn stelling dat het geld uit casinowinst kwam niet onderbouwd. Daarom werd het klaagschrift ongegrond verklaard en bleef het beslag gehandhaafd.

Tegen deze beslissing staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad binnen veertien dagen na betekening.

Uitkomst: Het klaagschrift tegen het beslag op €1331 wordt ongegrond verklaard en het beslag blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
raadkamernummer : 25-013705
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klager],
geboren op [datum] 1981,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. A.H.J. Bals, advocaat te Kloetinge (Noordeinde 16, 4481 BJ Kloetinge),
hierna te noemen: de klager, tevens beslagene.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
  • het klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend op 25 mei 2025 ter griffie van deze rechtbank;
  • de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv Pro, waaruit blijkt dat op 9 mei 2025 onder klager een geldbedrag van €1331,00 in beslag is genomen;
  • de reactie van de officier van justitie en
  • de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 14 oktober 2025 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. R.S. Jacobs en mr. A.H.J. Bals als gemachtigd advocaat van gehoord.
Klager is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de klager. Daartoe is aangevoerd dat klager het geld niet heeft verkregen door enig strafbaar feit. Klager heeft het geld gewonnen in het casino. Namens klager wordt verzocht om het klaagschrift gegrond te verklaren en het geld aan hem terug te geven.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat klager gezien de hoeveelheid drugs welke klager in zijn bezit had, er sprake is van een dealer indicatie. Tevens zijn er attributen aangetroffen die deze verdenking ondersteunen. Klager heeft een uitkering en had een bedrag van €1331,00 in klein coupures in zijn bezit. Klager zal worden vervolgd wegens drugsbezit en witwassen. Het is niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter later oordelend de verbeurdverklaring van het geld zal bevelen. De officier van justitie verzoekt om het klaagschrift ongegrond te verklaren.

2.De beoordeling

De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in zijn beklag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv Pro als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv Pro gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv Pro. Dat is het geval wanneer:
- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
De rechtbank is van oordeel dat op basis van de stukken in het huidige dossier naar voren komt dat er een redelijke verdenking bestaat dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van de Opiumwet en witwassen. Klager heeft tijdens het verhoor bij de politie bekent dat de drugs die bij hem zijn aangetroffen van hem zijn. Met betrekking tot het inbeslaggenomen geld verklaart klager dat hij dat in het casino heeft gewonnen. Echter, deze stelling heeft hij op geen enkele wijze onderbouwd.
Op grond van bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het inbeslaggenomen geld verbeurd zal verklaren.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag.
Het beklag zal daarom ongegrond worden verklaard.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door
mr. J.P.M. Hopmans, rechter,
in tegenwoordigheid van I.L. Bruijnooge, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2025.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de beklager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beslissing.