Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar inzake de WOZ-beschikking en aanslag onroerendezaakbelasting voor een object in [plaats]. De heffingsambtenaar verklaarde dat de uitspraak op bezwaar op 29 augustus 2024 is verzonden, maar belanghebbende betwistte tijdige ontvangst en stelde dat de uitspraak pas op 25 maart 2025 per e-mail bekend is gemaakt.
De rechtbank oordeelt dat de bewijslast van verzending bij de heffingsambtenaar ligt. Deze heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat de uitspraak tijdig is verzonden, omdat concrete bewijsstukken over de aanbieding aan het postvervoersbedrijf ontbreken. Hierdoor gaat de rechtbank ervan uit dat de beroepstermijn pas op 25 maart 2025 is gaan lopen, en verklaart het beroep tijdig.
Omdat het beroep ontvankelijk is, wordt het onderzoek heropend. De heffingsambtenaar krijgt vier weken de tijd om een inhoudelijk verweerschrift in te dienen. De rechtbank houdt verdere beslissingen, waaronder over proceskosten, aan tot de einduitspraak. Tegen deze tussenuitspraak is geen hoger beroep mogelijk, maar wel gelijktijdig met de einduitspraak.