ECLI:NL:RBZWB:2025:8425
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Waarde woning WOZ te hoog vastgesteld, beroep gegrond verklaard
Belanghebbende is eigenaar van een tussenwoning uit 1965 die op 1 januari 2023 voor de WOZ-waarde is vastgesteld op €365.000. Deze waarde leidde tot een aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2024. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze waardebepaling, stellende dat de waarde te hoog was vastgesteld en dat de waarde moest worden gebaseerd op de eigen verkoopprijs van €273.000, vermeerderd met waarde verhogende verbeteringen tot €351.000.
De heffingsambtenaar gebruikte de vergelijkingsmethode met referentiewoningen en stelde dat de verkoopprijs niet marktconform was. De rechtbank oordeelde dat bij een recente verkoop, slechts een maand voor de waardepeildatum, de verkoopprijs in principe de juiste waarde weerspiegelt, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat deze niet representatief is. De betwisting van de heffingsambtenaar was onvoldoende om het eigen verkoopcijfer te verwerpen.
De rechtbank concludeerde dat de waarde van de woning te hoog was vastgesteld en dat de waarde van €351.000, gebaseerd op de verkoopprijs plus verbouwingskosten, aannemelijk was gemaakt. Het beroep werd gegrond verklaard, de WOZ-waarde en OZB-aanslag werden verminderd, en de heffingsambtenaar werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.
Uitkomst: De WOZ-waarde van de woning wordt verminderd tot €351.000 en de OZB-aanslag dienovereenkomstig aangepast.