ECLI:NL:RBZWB:2025:8427
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de WOZ-waarde van een woning in het kader van een belastinggeschil
In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, gedaan op 26 november 2025, wordt het beroep van de belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 2 oktober 2024 beoordeeld. De heffingsambtenaar had de waarde van de onroerende zaak, een tussenwoning in [plaats], vastgesteld op € 317.000 per 1 januari 2023, wat leidde tot een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2024. De belanghebbende, eigenaar van de woning, heeft bezwaar gemaakt tegen deze waardevaststelling en stelt dat de waarde te hoog is vastgesteld. De rechtbank heeft het beroep op 15 oktober 2025 behandeld, waarbij de gemachtigde van de belanghebbende en vertegenwoordigers van de heffingsambtenaar aanwezig waren.
De rechtbank overweegt dat de heffingsambtenaar de waarde van de woning heeft vastgesteld aan de hand van de vergelijkingsmethode, waarbij de waarde wordt bepaald op basis van de verkoopopbrengst van vergelijkbare woningen. De belanghebbende betwist deze methode en stelt dat de waarde moet worden bepaald aan de hand van zijn eigen verkoopcijfer, dat 21 maanden voor de waardepeildatum is gerealiseerd. De rechtbank concludeert echter dat de vergelijkingsmethode in dit geval de meest geschikte is, omdat de referentiewoningen voldoende vergelijkbaar zijn en recent zijn verkocht. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. Dit betekent dat de WOZ-waarde en de aanslag OZB gehandhaafd blijven, en de belanghebbende krijgt geen griffierecht of proceskosten vergoed.