ECLI:NL:RBZWB:2025:8446

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 december 2025
Publicatiedatum
1 december 2025
Zaaknummer
24/5582
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WIA-uitkering wegens toegenomen beperkingen en beoordeling van medische rapporten

Op 1 december 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over de weigering van een WIA-uitkering aan eiser, die van mening was dat zijn klachten waren toegenomen. Eiser, die eerder als operator had gewerkt, had een WIA-aanvraag ingediend na een bedrijfsongeval dat leidde tot lichamelijke klachten. Het UWV had zijn aanvraag afgewezen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Eiser voerde aan dat zijn klachten waren verergerd en dat hij recht had op een uitkering. De rechtbank beoordeelde de beroepsgronden van eiser en concludeerde dat het UWV niet geheel juist had gehandeld. De rechtbank oordeelde dat het UWV een nieuw besluit moest nemen, omdat er wel degelijk sprake was van handelen in strijd met het vertrouwensbeginsel. Eiser had recht op een WIA-uitkering voor de periode van 10 mei 2023 tot en met 13 juni 2023, maar de weigering voor de periode daarna bleef in stand. Daarnaast werd het UWV veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure. De rechtbank stelde vast dat de procedure meer dan twee jaar had geduurd, wat in strijd was met de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats: Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/5582 WIA

uitspraak van 1 december 2025 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. E. Türk),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV; kantoor Breda), verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) vanwege toegenomen beperkingen toe te kennen aan eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht heeft geweigerd een WIA-uitkering toe te kennen vanwege toegenomen beperkingen.
1.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van het UWV niet helemaal juist is en dat het UWV een nieuw besluit moet nemen. Eiser krijgt dus gedeeltelijk gelijk en het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Feiten en omstandigheden

2. Eiser is werkzaam geweest als operator. Voor dat werk is hij uitgevallen vanwege lichamelijke klachten ten gevolge van een bedrijfsongeval.
2.1
Zijn aanvraag om een WIA-uitkering per 24 januari 2021 is door het UWV afgewezen omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het beroep daartegen is door de rechtbank ongegrond verklaard.
2.2
Op 27 juli 2022 heeft eiser een nieuwe WIA-aanvraag gedaan, omdat volgens hem sprake is van toegenomen klachten en beperkingen.

Procesverloop

3. Het UWV heeft met het besluit van 13 juni 2023 (primair besluit) geweigerd per 27 juni 2022 aan eiser een WIA-uitkering toe te kennen. Met het bestreden besluit van 27 mei 2024 is het bezwaar van eiser hiertegen ongegrond verklaard.
3.1
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.2
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.3
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en namens het UWV mr. M. Duric.
3.4
De rechtbank heeft ambtshalve aanleiding gezien het onderzoek te heropenen op 15 juli 2025 om het UWV een aantal vragen te laten beantwoorden over de vastgestelde beperkingen in het licht van het expertiserapport van [de psychiater] en het beroep op het vertrouwensbeginsel.
3.5
Het UWV heeft in reactie op de vragen antwoord gegeven op 25 augustus 2025. Eiser heeft hierop schriftelijk gereageerd op 10 november 2025.
3.6
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 21 november 2025 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Grondslag bestreden besluit
4. Aan het bestreden besluit heeft het UWV ten grondslag gelegd dat geen sprake is van toegenomen beperkingen en dat de mogelijkheden van eiser om te werken niet minder zijn geworden.
Wettelijk kader
5. De voor de beoordeling van het beroep meest belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Toetsingskader
6. Het recht op een WIA-uitkering kan later ontstaan indien iemand binnen vijf jaar nadat een WIA-uitkering is geweigerd omdat betrokkene minder dan 35% arbeidsongeschikt is, toegenomen arbeidsongeschikt is. Van belang daarbij is dat die toegenomen arbeidsongeschiktheid dan moet voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak. Volgens vaste rechtspraak wordt een dergelijke aanvraag beoordeeld aan de hand van een aantal stappen:
  • Is er sprake van toegenomen beperkingen?
  • Zo ja, vloeien deze voort uit dezelfde ziekteoorzaak (causaliteitsvereiste)?
  • Zo ja, heeft de toename van deze beperkingen uit dezelfde oorzaak plaatsgevonden binnen vijf jaar na weigering, herziening of intrekking?
Bij de beoordeling of het bestreden besluit juist is, is dus van belang of eiser toegenomen medische beperkingen heeft op 27 juli 2022 (de zogeheten datum in geding) ten opzichte van 24 januari 2021, die voortvloeien uit dezelfde ziekteoorzaak.
6.1
Daarbij stelt de rechtbank voorop dat bij het vaststellen van de beperkingen niet doorslaggevend is hoe de klachten door eiser worden ervaren, maar wat medisch objectief is vast te stellen. Volgens vaste rechtspraak is de subjectieve beleving en ervaring van iemands klachten niet beslissend bij de beantwoording van de vraag welke beperkingen in objectieve zin zijn vast te stellen. Alleen de medisch objectiveerbare beperkingen zijn daarbij van belang.
Zijn de beperkingen juist vastgesteld?
7. Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op rapporten van een arts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.
7.1
De arts heeft het dossier en de ontvangen informatie bestudeerd en eiser gezien op het spreekuur. De arts heeft gerapporteerd dat eiser een aanpassingsstoornis en een somatoforme pijnstoornis heeft. Bij eiser is sprake van chronische lichamelijke klachten. De arts stelt dat geen sprake is van een nieuwe diagnose of nieuwe gezichtspunten die zouden leiden tot een verandering van belastbaarheid. De belastbaarheid van eiser per 27 juli 2022 is vastgelegd in de Functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 2 mei 2023 en is gelijk aan de FML van 28 april 2022, die is opgesteld in het kader van de WIA-aanvraag uit 2021.
7.2
De verzekeringsarts b&b heeft het dossier bestudeerd en eiser gezien op de hoorzitting. Zij is ook van mening dat geen sprake is van toegenomen beperkingen. Bij het vaststellen van de beperkingen is niet doorslaggevend hoe de klachten worden ervaren, maar wat medisch objectief is vast te stellen. De brief van het [ziekenhuis] van 23 december 2022 bevestigt de chronische pijnproblematiek, wat in lijn is met de bevindingen bij de orthopedische expertise. De psychische klachten waren al bekend uit psychiatrische expertises van maart 2021 en november 2023. Ook vindt de verzekeringsarts b&b dat niet gebleken is dat per 27 juli 2022 sprake was van een andere psychische situatie.
7.3
Eiser heeft tegen het medisch oordeel van het UWV aangevoerd dat wel sprake is van toegenomen fysieke en psychische beperkingen. Hij had veelvuldige afspraken en er had een urenbeperking aangenomen moeten worden. Bij zijn aanvullend beroepschrift heeft eiser een rapportage van het [ziekenhuis] overgelegd waarin staat dat perfect mogelijk is dat de klachten erger zijn geworden. Daarnaast stelt eiser dat ten onrechte geen beperkingen zijn aangenomen op grond van de aanwezige astma. Als laatste beroept eiser zich op het vertrouwensbeginsel, omdat de arbeidsdeskundige telefonisch had verklaard dat eiser 42,97% arbeidsongeschikt is geacht op grond van de arbeidsdeskundige rapportage van 10 mei 2023.
Oordeel van de rechtbank
7.4
De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Uit het rapport van de verzekeringsarts b&b blijkt dat zij op de hoogte was van de door eiser gestelde klachten, waaronder de fysieke en psychische klachten en van de door eiser overgelegde medische informatie. De verzekeringsarts b&b heeft voldoende gemotiveerd waarom zij van mening is dat geen sprake is van toegenomen beperkingen. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de bevindingen van de verzekeringsarts b&b. Zij licht dit hierna toe.
7.5
De genoemde klachten met betrekking tot Covid vloeien niet voort uit dezelfde ziekteoorzaak en kunnen daarom niet meegenomen worden in deze (her)beoordeling.
7.6
Uit de nieuwe medische informatie van het [ziekenhuis] lijkt naar voren te komen dat er een verergering van de fysieke klachten heeft plaatsgevonden in de periode tussen 2023 en 2025. Dit valt echter na de datum in geding van 27 juli 2022.
7.7
De stelling van eiser dat een urenbeperking had moeten worden opgenomen vanwege het grote aantal ziekenhuis- en andere medische afspraken slaagt niet. Uit wat eiser heeft overgelegd over die afspraken kan worden afgeleid dat het tussen 2021 en de datum in geding gaat om gemiddeld ongeveer één afspraak per maand. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet dermate veel dat sprake is van beperkte beschikbaarheid die zou moeten leiden tot een urenbeperking.
7.8
Met betrekking tot de astmaklachten van eiser overweegt de rechtbank dat reeds melding wordt gemaakt van astma in de informatie van de huisarts van 2012. Uit het dossier blijkt echter niet van enige toename van deze klachten van de in geding zijnde periode.
7.9
Ter onderbouwing van de psychische klachten heeft eiser een expertiserapport overgelegd van [de psychiater] , gedateerd 6 februari 2024. Daarin worden meer beperkingen aangenomen dan in de FML van 28 april 2022. Bij de heropeningsbeslissing heeft de rechtbank het UWV de vraag voorgelegd waarom deze beperkingen niet zijn aangenomen. De reactie van de verzekeringsarts b&b hierop vindt de rechtbank niet op alle punten overtuigend. Zo benoemt de verzekeringsarts b&b in haar reactie dat een aantal beperkingen niet van toepassing zijn omdat eiser geen van de aandoeningen heeft die het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem noemt als voorbeelden bij die beperkingen. Deze voorbeelden zijn echter niet uitputtend.
Toch ziet de rechtbank hierin geen aanleiding om de conclusie van de verzekeringsarts dat geen sprake is van toegenomen beperkingen onjuist te achten. De kern van het geschil is immers of sprake is van een toename van beperkingen in de periode tussen 24 januari 2021 en 27 juli 2022. [de psychiater] heeft gerapporteerd over de
huidigebeperkingen (dus eind 2023/ begin 2024) als gevolg van het ongeval, maar zegt niets over een mogelijke toename van klachten of beperkingen in de periode in geding. Een toename van psychische klachten blijkt ook niet uit de diagnose dysthyme stoornis, omdat de huisarts in 2018 al een depressie had vastgesteld.
7.1
Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat het UWV terecht heeft geconcludeerd dat geen sprake is van medisch objectiveerbare toegenomen beperkingen op 27 juli 2022. Dit betekent dat eiser geen recht heeft op een WIA-uitkering per die datum.
Vertrouwensbeginsel
8. Het UWV heeft op 25 augustus 2025 erkend dat sprake is van handelen in strijd met het vertrouwensbeginsel, omdat de arbeidsdeskundige aan eiser heeft verteld dat er recht op een WIA-uitkering bestond. Het UWV heeft toegezegd alsnog een WIA-uitkering te verstrekken voor de periode van 10 mei 2023 (de datum van de rapportage van de arbeidsdeskundige) tot en met 13 juni 2023 (de datum van het primair besluit). Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt. Eiser mocht terecht uitgaan van de arbeidsdeskundige die aangaf dat hij een WIA-uitkering zou gaan ontvangen. Die fout is ‘hersteld’ met het primaire besluit en daarmee eindigde het gerechtvaardigde vertrouwen dat hij recht had op een uitkering.
In zoverre is het beroep dus gegrond.
Redelijke termijn
9. Eiser heeft, gelet op de duur van de procedure, verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank zal dit verzoek toewijzen.
In procedures als deze mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep bij de rechtbank ten hoogste anderhalf jaar duren, in totaal dus twee jaar. [1] In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.
De termijn start op 18 juli 2023, het moment waarop het UWV het bezwaarschrift heeft ontvangen. Vanaf dat moment tot de datum van deze uitspraak, 1 december 2025, heeft de procedure 2 jaar en bijna 5 maanden geduurd. De redelijke termijn is dus overschreden met bijna 5 maanden.
Deze termijnoverschrijding moet in dit geval aan het UWV worden toegerekend. Het UWV heeft het bestreden besluit op 27 mei 2024 kenbaar gemaakt en daarmee heeft de besluitvorming op bezwaar elf maanden geduurd, terwijl dit hoogstens zes maanden mag zijn. Het UWV zal worden veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 500,-.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het vertrouwensbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en bepaalt dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak, waarbij alsnog een WIA-uitkering wordt toegekend over de periode van 10 mei 2023 tot en met 13 juni 2023. De rechtbank geeft het UWV hiervoor zes weken. Voor de periode daarna blijft de weigering om een uitkering te verstrekken wel in stand.
10.1
Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 647,-. In beroep betreft dat € 907,-. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend, heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen en gereageerd op de opgevraagde reactie van de verzekeringsarts b&b. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.561,50.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 27 mei 2024;
  • draagt het UWV op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt het UWV tot betaling van € 500,- aan immateriële schadevergoeding aan eiser;
  • bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt het UWV tot betaling van € 3.561,50 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van S.E. van Noort, griffier, op 1 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage wettelijk kader

Artikel 55 WIA
1. Indien op de dag, bedoeld in artikel 54, tweede lid, geen recht op een WGA-uitkering is ontstaan, ontstaat het recht op een WGA-uitkering op de dag dat de verzekerde gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, indien hij op de dag daaraan voorafgaand:
a. recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering;
b. minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid intreedt binnen vijf jaar na:
1°. de in artikel 54, tweede lid, bedoelde dag en voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid; of
2°. de in artikel 49 bedoelde dag en voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij eerder recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering; of
(…)

Voetnoten

1.CRvB 1 maart 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:436.