De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 19 november 2025 de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van het vervaardigen en verspreiden van kinderporno en het bezit van een hoeveelheid hennep.
De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs was voor het ten laste gelegde feit van kinderporno. De verklaring van de aangeefster en de inhoud van de ontvangen filmpjes waren onvoldoende concreet om tot een bewezenverklaring te komen. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van dit feit.
Voor het tweede feit, het bezit van ongeveer 83,8 gram hennep, legde verdachte een bekennende verklaring af. Dit feit werd wettig en overtuigend bewezen geacht. Gezien de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder verslavingsproblematiek en schulden, en het strafblad, legde de rechtbank een voorwaardelijke geldboete van €200 op met een proeftijd van twee jaar.
Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot vier dagen vervangende hechtenis bij niet-betaling van de geldboete. Het in beslag genomen telefoontoestel werd aan verdachte teruggegeven. De rechtbank achtte verdachte strafbaar voor het bezit van hennep en sprak hem vrij van het overige ten laste gelegde.