ECLI:NL:RBZWB:2025:8485

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
02-226922-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen beslissing rechter-commissaris inzake verzoek tot onderzoekshandelingen in strafzaak

In deze zaak heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 3 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een beslissing van de rechter-commissaris. De verdachte, geboren in 1983 en momenteel gedetineerd, had via zijn raadsvrouw, mr. J.E. de Glopper, op 13 oktober 2025 verzocht om onderzoekshandelingen te verrichten, specifiek om het NIFP opdracht te geven voor een trajectconsult en een Pro Justitia onderzoek. De rechter-commissaris heeft dit verzoek op 5 november 2025 afgewezen. Het bezwaarschrift tegen deze beslissing is op 18 november 2025 ingediend en op 19 november 2025 behandeld door de rechtbank. De rechtbank heeft de verdachte, zijn raadsvrouw en de officier van justitie, mr. M. van Leeuwen, gehoord. De rechtbank oordeelt dat het bezwaarschrift ontvankelijk is, maar dat de rechter-commissaris terecht heeft geoordeeld dat er voldoende informatie in het dossier aanwezig is om te oordelen over de toerekenbaarheid van de verdachte. De raadsvrouw voerde aan dat de psychische toestand van de verdachte veranderd was en dat hij mogelijk psychotisch was ten tijde van zijn aanhouding. De officier van justitie betwistte dit en stelde dat er geen bewijs was voor een psychose. De rechtbank concludeert dat de eerdere rapportages van het NIFP en de reclassering voldoende zijn om te oordelen over de toestand van de verdachte, en dat nader onderzoek niet noodzakelijk is. De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
parketnummer : 02-226922-25
beslissing van de meervoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 182 Wetboek van Strafvordering
in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1983 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het [adres] ,
nu gedetineerd in de P.I. [locatie] ,
raadsvrouw: mr. J.E. de Glopper, advocaat te Goes.

Feiten en procedure

Namens verdachte heeft de raadsvrouw op 13 oktober 2025 de rechter-commissaris verzocht onderzoekshandelingen te verrichten, inhoudende om het NIFP opdracht te geven om een trajectconsult en vervolgens een Pro Justitia onderzoek te gelasten. De rechter-commissaris heeft dit verzoek bij beslissing van 5 november 2025 afgewezen.
Het bezwaarschrift is op 18 november 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft op 19 november 2025 het bezwaar in raadkamer behandeld. De rechtbank heeft verdachte, zijn raadsvrouw en de officier van justitie, mr. M. van Leeuwen, in raadkamer gehoord.

Beoordeling

De rechtbank is bevoegd van het bezwaarschrift kennis te nemen. Verdachte heeft het bezwaarschrift, tijdig, binnen veertien dagen nadat de rechter-commissaris de beschikking heeft afgegeven, ingediend en is daarom ontvankelijk.
De rechter-commissaris heeft geoordeeld dat het dossier voldoende feiten en omstandigheden bevat voor de rechtbank om te kunnen oordelen over de toerekenbaarheid van verdachte ten aanzien van het vermoedelijk begane feit. De rechter-commissaris ziet dan ook geen noodzaak om opdracht te geven aan het NIFP om een trajectconsult of een Pro Justitia onderzoek te gelasten en heeft het verzoek afgewezen.
De raadsvrouw heeft ter onderbouwing van het bezwaar aangevoerd dat door de begeleiders van verdachte in de weken voorafgaand aan zijn aanhouding is waargenomen dat zijn psychische toestand was veranderd. Hij heeft onrustig, angstige en verward gedrag vertoond, waardoor het vermoeden is ontstaan dat hij in die periode psychotisch was. Het gedrag van verdachte is pas veranderd nadat hij bij het [traject] is gestart en dus ook pas nadat het trajectconsult in de andere strafzaak was afgenomen, waardoor zijn veranderde gedrag nog niet eerder is onderzocht. Verder heeft de verdachte voordat hij werd aangehouden in deze strafzaak twee dagen vastgezeten, waardoor hij op een aantal momenten geen antipsychotica heeft gekregen. Ook dit is mogelijk van invloed geweest op zijn psychische gesteldheid. Dat maakt dat het noodzakelijk is dat het NIFP opnieuw onderzoek doet naar de toestand van verdachte ten tijde van de verdenking.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het bezwaar ongegrond is, omdat de rechtbank voldoende is ingelicht over de persoon van verdachte. Bij verdachte is sprake van verslavingsproblematiek, wat een mogelijke oorzaak kan zijn van zijn psychotische toestandsbeeld voorafgaand aan zijn aanhouding. Uit het dossier volgt echter, met name uit de verklaring die verdachte na zijn aanhouding heeft afgelegd, dat verdachte weloverwogen uitspraken heeft gedaan richting de politie en op de politie geen psychotische indruk heeft gemaakt. Er is daarom onvoldoende aangetoond dat er bij verdachte sprake is geweest van een psychose.
Bij de beoordeling van het bezwaar staat voorop dat de rechter-commissaris een verzoek tot het verrichten van onderzoekswensen afwijst indien de gevraagde onderzoekshandeling niet kan bijdragen aan enige in de zaak te nemen beslissing. De rechtbank zal moeten toetsen of de beslissing van de rechter-commissaris in het licht daarvan stand kan houden.
Dit uitgangspunt in aanmerking nemende, oordeelt de rechtbank als volgt.
De rechtbank stelt vast dat het NIFP op 11 februari 2025 (in het trajectconsult) en de reclassering op 15 juli 2025 in de strafzaak met parketnummer 02-340096-24 reeds hebben gerapporteerd over de persoon van verdachte. Deze rapportages zijn aan het dossier toegevoegd en hieruit blijkt dat er sprake is van een verstandelijke beperking en forse verslavingsproblematiek. Door de raadsvrouw is naar voren gebracht dat de situatie van verdachte in de tussentijd is veranderd en dat hij ten tijde van zijn aanhouding mogelijk psychotisch was. Los van de vraag in hoeverre dit nu nog onderzocht kan worden, acht de rechtbank het voorstelbaar dat voornoemde rapportages, in combinatie met de omstandigheden zoals deze door de raadsvrouw naar voren zijn gebracht, maar ook uit het dossier blijken, voldoende zijn voor de rechtbank om vast te kunnen stellen of er een stoornis aanwezig was ten tijde van het vermoedelijk begane feit en over de mogelijke doorwerking van de stoornis in dat feit. De rechtbank acht zich dan ook vooralsnog voldoende ingelicht over de persoon van verdachte, zodat nader onderzoek niet noodzakelijk is.
Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de rechter-commissaris in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat de onderzoekswensen niet van belang zijn voor enige in de strafzaak te nemen beslissing. Het bezwaar zal daarom ongegrond worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het bezwaarschrift ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. N. van der Ploeg-Hogervorst, voorzitter,
mr. D.H. Hamburger en mr. B. Akdikan, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier
mr. H. Holtgrefe en is uitgesproken ter openbare zitting op 3 december 2025.
De oudste rechter is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.