ECLI:NL:RBZWB:2025:8511
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting woning
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar op €460.000 is vastgesteld per 1 januari 2023. Tevens werd bezwaar gemaakt tegen de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) die op basis van deze waarde is opgelegd.
De rechtbank beoordeelde of de waarde te hoog was vastgesteld aan de hand van de vergelijkingsmethode, waarbij de woning werd vergeleken met drie referentiewoningen die qua ligging, bouwjaar, gebruikersoppervlakte en uitstraling voldoende vergelijkbaar waren. De heffingsambtenaar had een taxatiematrix opgesteld waarin correcties waren toegepast voor verschillen in aanbouw, garage, kwaliteit en onderhoud.
Belanghebbende voerde aan dat onvoldoende rekening was gehouden met het verschil in kwaliteit en onderhoud, en dat de WOZ-waarde te sterk was gestegen ten opzichte van buren en voorgaande jaren. De rechtbank oordeelde echter dat de heffingsambtenaar voldoende inzicht had gegeven in de correcties en dat de waardering in overeenstemming was met het wettelijk waardebegrip. De vergelijking met buren en voorgaande jaren kon niet leiden tot een andere waardering.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en bleef de WOZ-waarde en de aanslag OZB gehandhaafd. Belanghebbende kreeg geen vergoeding van het griffierecht. De uitspraak is gedaan door rechter M. Breeman en griffier M.M.I. van Dijk-Saris op 4 december 2025.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de waarde van €460.000 blijft gehandhaafd.