ECLI:NL:RBZWB:2025:8530

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
BRE 25/3806
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijk verklaring van beroep inzake UWV beslissing

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 4 december 2025, wordt het verzet van Stichting [opposante] tegen een eerdere uitspraak van 23 oktober 2025 behandeld. In die eerdere uitspraak werd het beroep van de opposante niet-ontvankelijk verklaard omdat zij haar beroepschrift onredelijk laat had ingediend. De rechtbank oordeelt nu dat het verzet gegrond is, omdat er nieuwe feiten zijn gepresenteerd die aantonen dat de opposante wel degelijk tijdig actie heeft ondernomen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de opposante meerdere keren contact heeft opgenomen met het UWV over haar aanvraag, wat de eerdere conclusie van onredelijke vertraging ondermijnt.

De rechtbank heeft ook het beroep van de opposante beoordeeld, dat betrekking heeft op de beslissing van het UWV om niet tijdig te beslissen op haar aanvraag tot herbeoordeling op grond van de Wet WIA. De rechtbank concludeert dat het UWV de beslistermijn heeft overschreden en legt het UWV op om binnen vier maanden na de uitspraak alsnog een besluit te nemen. Tevens wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank bepaalt dat het UWV het griffierecht en proceskosten aan de opposante moet vergoeden, wat de uitspraak van de rechtbank verder onderstreept.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3806 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 december 2025 op het verzet van

Stichting [opposante], uit [plaats] , opposante [1]
(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en uitspraak in de beroepszaak tussen

opposante, tevens eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde] )
en
De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposante gaat over de uitspraak van de rechtbank van 23 oktober 2025 waarin de rechtbank het beroep van opposante niet-ontvankelijk heeft verklaard.
1.1.
Opposante heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank van het verzet

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of in de uitspraak van 23 oktober 2025 terecht is geoordeeld dat het beroep buiten redelijke twijfel niet-ontvankelijk is verklaard. [2] Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
2.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De uitspraak van 23 oktober 2025
3. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat opposante het beroepschrift onredelijk laat heeft ingediend. Opposante heeft voorafgaand aan het beroep meer dan twee jaar en acht maanden na het versturen van de ingebrekestelling geen actie ondernomen om een besluit op haar verzoek te krijgen.
3.1.
In verzet stelt opposante zich op het standpunt dat het beroep niet onredelijk laat is ingediend en dat er voldoende acties zijn ondernomen met betrekking tot de zaak. Meerdere malen is er contact opgenomen met het UWV. Opposante heeft als bijlage bij het verzetschrift een overzicht van de contactmomenten in de jaren 2022 tot en met 2025 overgelegd.
3.2.
De rechtbank heeft het UWV in de gelegenheid gesteld om te reageren op het verzet. Het UWV heeft de rechtbank bij brief van 13 november 2025 bevestigd dat opposante diverse keren, in 2023, 2024 en 2025 telefonisch contact heeft opgenomen.
3.3.
De verzetsgrond slaagt. Volgens de rechtbank kan met inachtneming van deze nieuwe feiten redelijkerwijs niet geoordeeld worden dat opposante een onredelijk laat beroep heeft ingediend.
Conclusie over het verzet
4. Uit de beoordeling van de grond van het verzet volgt dat de rechtbank in de uitspraak van 23 oktober 2025 ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, niet-ontvankelijk was. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat die uitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan.

Beoordeling door de rechtbank van het beroep

5. Opposante (hierna te noemen: eiseres) heeft in haar verzetschrift aangegeven geen hoorzitting te wensen. De rechtbank is tevens van oordeel dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de beroepszaak. De rechtbank doet daarom niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het beroep. [3]
5.1.
De rechtbank beoordeelt het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat het UWV volgens haar niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 29 september 2022 tot herbeoordeling op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) van een (ex-)werkneemster. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
5.2.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.3.
Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [4]
Is het beroep kennelijk gegrond?
6. Het beroep is kennelijk gegrond. Niet in geschil is dat er sprake is van een overschrijding van de beslistermijn. Eiseres heeft het UWV op 29 november 2022 in gebreke gesteld. Het UWV heeft de ingebrekestelling op 30 november 2022 ontvangen en sindsdien zijn (meer dan) twee weken voorbijgegaan. Tussen het moment van indiening van het beroep en de ingebrekestelling heeft eiseres meerdere contactmomenten gehad met het UWV met betrekking tot de aanvraag.
Welke beslistermijn wordt aan het UWV opgelegd?
7. Omdat het UWV nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het UWV dit alsnog moet doen.
7.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het UWV dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
7.2.
Het UWV heeft in het verweerschrift van 19 augustus 2025 aangegeven dat de beslistermijn is overschreden wegens het tekort aan verzekeringsartsen, met dientengevolge forse achterstanden en een hoge werkvoorraad. Tevens heeft het UWV aangegeven nog geen zicht te hebben op een termijn waarbinnen een besluit kan worden afgegeven. Daarbij geeft het UWV aan te hebben aangedrongen op een zo spoedig mogelijke afronding van het arbeidsdeskundig onderzoek.
7.3.
Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op de aanvraag te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het belang van een zorgvuldige besluitvorming. In dit geval acht de rechtbank het redelijk dat het UWV vier maanden de tijd krijgt om alsnog te beslissen op de aanvraag.
Welke dwangsom wordt aan het UWV opgelegd?
8. De rechtbank bepaalt dat het UWV een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het UWV. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, het UWV de onder 7.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het UWV de onder 8. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
9.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 680,25 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift en een verzetschrift heeft ingediend (1,5 punt x € 907,00) en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het verzet gegrond;
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het UWV op om binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
  • bepaalt dat het UWV aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn overschreden wordt, met een maximum van € 15.000,- ;
  • bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het UWV tot betaling van € 680,25 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van
I. Ambachtsheer, griffier, op 4 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen hoger beroep of verzet open.
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Met opposante wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2.Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Artikel 8:55, tiende lid, van de Awb maakt dat mogelijk.
4.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.