4.3.2De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1
Aanleiding
Op 27 juli 2024 omstreeks 18.42 uur werd er door mevrouw [naam ] , de zus van verdachte, telefonisch contact opgenomen met de politie met de mededeling dat zij zich zorgen maakte over de vriendin van haar broer [slachtoffer 1] en hun vijfjarig zoontje [slachtoffer 2] . Zij vertelde dat verdachte eerder die dag telefonisch contact had gehad met hun moeder en haar had medegedeeld dat er in de woning van hem en [slachtoffer 1] in [plaats] een incident met zijn vriendin had plaatsgevonden waarbij hij haar had geslagen. Zij zou niet meer in leven zijn. Verdachte had ook gezegd dat hij zichzelf en zijn zoontje iets zou aandoen wanneer er politie naar zijn woning zou komen. Omstreeks 19.15 uur heeft verdachte zich samen met zijn zoontje bij het politiebureau in [plaats] gemeld. Tegelijkertijd was de politie inmiddels ter plaatse gegaan en troffen zij na binnentreden in de woning van verdachte op een matras op de vloer in de woonkamer het levenloze lichaam van een vrouw aan. Later is deze persoon door de politie geïdentificeerd als [slachtoffer 1] , hierna aan te duiden als: [slachtoffer 1] .
Niet natuurlijke dood [slachtoffer 1] en de rol van verdachte
Uit de lijkschouw kwam naar voren dat [slachtoffer 1] niet op een natuurlijke wijze is overleden maar vermoedelijk door een misdrijf. Er heeft vervolgens radiologisch onderzoek aan het lichaam van [slachtoffer 1] plaatsgevonden waaruit is gebleken dat er sprake was van uitgebreide zwellingen ter plaatse van het hoofd, het aangezicht, de hals, de romp en de extremiteiten. Ook zijn er meerdere ribfracturen en een mogelijke fractuur van het tongbeen geconstateerd. Vervolgens is er door het NFI een sectie verricht op het lichaam van [slachtoffer 1] waarbij door de patholoog onder meer de volgende bevindingen zijn gedaan:
Trauma
Verspreid aan het lichaam waren talrijke letsels van wisselende ouderdom veelal als gevolg van meervoudige stompe en/of schavende krachtinwerking (zoals slagen,
trappen, stoten en/of vallen).
De talrijke letsels kunnen via beschadiging van spierweefsel hebben geleid tot of bijgedragen aan het overlijden.
Krachtinwerking op het hoofd
Aan het hoofd waren uitgebreide letsels door stompe en/of schavende krachtinwerking. De letsels waren het meest uitgesproken aan de linkerzijde van het gelaat. Gezien de breuk van de binnenste wand van de linkeroogkas is deze krachtinwerking minstens deels hevig geweest.
Krachtinwerking op de mond
Ter hoogte van de mond waren uitgebreide slijmvliesscheuren en bloeduitstortingen door stompe en/of samendrukkende krachtinwerking. Samendrukkende krachtinwerking op mond en neus (smoren) met afsluiting van de ademweg kan via ademhalingsfunctiestoornissen hebben geleid tot of bijgedragen aan het overlijden.
Krachtinwerking op de hals
Ter hoogte van de kaakranden, de kin en de hals was letsel door stompe, samendrukkende en/of toesnoerende krachtinwerking. De letsels ter hoogte van de hals waren van wisselende ouderdom. Ten aanzien van de oudere breuken van het tongbeen waren hier ook aanwijzingen voor bijkomende recentere krachtinwerking (in de vorm van bloeduitstorting ter hoogte van het tongbeen).
Samendrukkende en/of toesnoerende krachtinwerking op de hals kan via belemmering van de bloedsomloop van het hoofd (met zuurstofgebrek van de hersenen tot gevolg) hebben geleid tot of bijgedragen aan het overlijden.
Krachtinwerking op de romp
Er waren letsels ter hoogte van de romp met meerdere recente en oude ribbreuken door (hevige) stompe en/of samendrukkende krachtinwerking. De oppervlakkige huidbeschadi-gingen tot huiddefecten kunnen ook zijn ontstaan door schavende krachtinwerking. De letsels waren meest uitgesproken aan de linkerzijde van de romp.
De ribbreuken kunnen via ademhalingsfunctiestoornissen (als direct gevolg van de breuken (functioneel) en/of in het kader van pijnklachten) hebben bijgedragen aan het overlijden. Als sprake is geweest van samendrukkende krachtinwerking op de romp kan dit via belemmering van de ademhalingsbewegingen hebben geleid tot of bijgedragen aan het overlijden.
Letselbeeld
De uitgebreidheid van het letselbeeld, het aspect van de letsels (met patroonletsels passend bij krachtinwerking met op tegen voorwerpen), de concentratie van letsel ter hoogte van onder meer het aangezicht, alsook de relatieve sparing van zogeheten aanstootplaatsen (aan de ledematen) duiden op geweldpleging.
ConclusieHet overlijden van [slachtoffer 1] , 23 jaar oud, kan worden verklaard op basis van stompe en/of (samen)drukkende krachtinwerking ter hoogte van de neus/mond, de hals en/of de romp. Het geheel aan letsels kan ook hebben geleid tot of bijgedragen aan het overlijden. Bij het forensisch pathologisch onderzoek is geen andere oorzaak van het overlijden gebleken.
Verdachte heeft verklaard dat hij een aantal maanden voorafgaand aan het overlijden van [slachtoffer 1] is begonnen met het gebruiken van geweld tegen haar. Dit kwam voort uit zijn overtuiging dat [slachtoffer 1] zich bezighield met hekserij waardoor zij onder invloed stond van demonen. In de ogen van verdachte betrok zij hier ook hun vijfjarig zoontje [slachtoffer 2] bij. Met name dit laatste was voor verdachte aanleiding om [slachtoffer 1] aan te spreken. Toen bleek dat dit aanspreken niet hielp, is verdachte haar - naar eigen zeggen uit onmacht - gaan slaan. Omdat het leek alsof de klappen [slachtoffer 1] niks deden, is verdachte in de weken daarna meer geweld gaan gebruiken, wat uiteindelijk resulteerde in een neerwaartse spiraal, waarbij het geweld in aard, ernst en intensiteit steeds verder is toegenomen. In het dossier bevindt zich een selfie die door [slachtoffer 1] op 23 juli 2024 lijkt te zijn gemaakt, waarop fors aangezichts-letsel bij haar zichtbaar is. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij toen heel boos was en haar inderdaad fors heeft mishandeld. In de avond van 26 juli 2024 is verdachte opnieuw boos geworden en is hij volledig de controle over zichzelf verloren. Hij heeft [slachtoffer 1] in blinde razernij geslagen, gestompt en geschopt en hij raakte haar overal waar hij haar maar raken kon. Hij sloeg haar waar hij gaten oftewel ruimte zag. Verdachte omschrijft dit zelf als ‘strikes’ waarmee hij schoppen en slaan bedoelt. Verdachte had zichzelf niet meer in de hand en heeft in zijn boosheid ook met spullen naar [slachtoffer 1] gegooid zoals de afstands-bediening en een tablet. Ten slotte heeft hij haar geslagen met een telefoonlader. Verdachte heeft ontkend dat hij gericht geweld op de hals van [slachtoffer 1] heeft uitgeoefend, maar hij zou haar daar wel geraakt kunnen hebben. Evenmin heeft hij haar luchtwegen geblokkeerd in de zin van wurgen of smoren.
Op grond van deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat in voldoende mate vaststaat dat verdachte al het bij [slachtoffer 1] geconstateerde letsel heeft veroorzaakt dat hiervoor onder het kopje ‘niet natuurlijke dood [slachtoffer 1] is omschreven. Zij acht bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] meermalen tegen het hoofd en/of andere delen van het lichaam al dan niet met voorwerpen heeft geslagen, gestompt en geschopt.
Dat verdachte [slachtoffer 1] ook actief zou hebben gesmoord door de neus/mond en/of de hals/keel dicht te knijpen en/of dichtgeknepen te houden en/of samen te drukken en/of toe te snoeren kan naar het oordeel van de rechtbank niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld, nu dit in tegenstelling tot de overige gedragingen stellig door verdachte wordt ontkend en niet met voldoende zekerheid uit het sectierapport blijkt. Van dit onderdeel van de tenlastelegging wordt verdachte daarom vrijgesproken. Ook staat voor de rechtbank niet in voldoende mate vast dat er op 26 juli 2024 sprake zou zijn van twee afzonderlijke momenten van geweld. Anders dan de officier van justitie kan de rechtbank dit niet afleiden uit de sectiebevindingen.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben de gedragingen van verdachte niet alleen tot al het geconstateerde letsel bij [slachtoffer 1] geleid, maar ook haar dood tot gevolg gehad. Bij dat oordeel neemt de rechtbank op de eerste plaats in aanmerking de verklaring van verdachte zelf dat hij denkt dat [slachtoffer 1] door het door hem toegepaste geweld is overleden. Daarnaast kent zij veel gewicht toe aan de conclusie van de patholoog in het sectierapport dat het geheel aan letsels kan hebben geleid tot of heeft bijgedragen aan het overlijden. Nu uit het forensisch pathologisch onderzoek geen andere oorzaak van het overlijden is gebleken en hier ook overigens geen aanwijzingen voor zijn in het dossier, staat voor de rechtbank in voldoende mate vast dat de door verdachte veroorzaakte forse letsels bij [slachtoffer 1] niet slechts mogelijk een rol hebben gespeeld bij haar overlijden, maar hier daadwerkelijk de oorzaak van zijn geweest.
Opzet
Voor een bewezenverklaring van doodslag moet er sprake zijn van opzet bij verdachte op de dood van [slachtoffer 1] . Dat verdachte vol opzet had om [slachtoffer 1] van het leven te beroven kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld. Verdachte heeft uitdrukkelijk verklaard dat hij niet de intentie had om [slachtoffer 1] dood te slaan en het dossier bevat verder geen andere aanknopingspunten hiervoor.
Ook wanneer vol opzet niet kan worden bewezen, kan in juridische zin sprake zijn van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg. Dit is aanwezig wanneer de verdachte de aanmerkelijke kans, dat dat gevolg zal intreden, bewust heeft aanvaard. Of dit het geval is, hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte welbewust de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg, in dit geval het overlijden van [slachtoffer 1] , heeft aanvaard.
Op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, met name de aard en ernst van het letsel en de hoeveelheid concrete verwondingen van [slachtoffer 1] , stelt de rechtbank vast dat de verdachte van 26 juli 2024 op 27 juli 2024 buitensporig veel en fors geweld tegen zijn vriendin heeft gebruikt. In blinde razernij heeft hij niet alleen excessief geweld tegen haar hoofd gebruikt, maar ook tegen andere vitale lichaamsdelen. Hij sloeg en schopte haar waar hij maar raken kon waarbij hij zo tekeer ging dat hij zelfs buiten adem raakte. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke geweldsexplosie tegen onder meer het hoofd, de hals en de romp de aanmerkelijke kans met zich brengt dat [slachtoffer 1] als gevolg daarvan zou komen te overlijden. Alleen al het hoofd is immers een kwetsbaar en vitaal onderdeel van het lichaam en het geven van herhaaldelijke harde vuistslagen daartegen kan schedel- en/of hersenletsel met dodelijke afloop tot gevolg hebben. Het handelen van de verdachte, zoals hiervoor weergegeven, wordt naar zijn uiterlijke verschijningsvorm ook geacht daarop gericht te zijn geweest. Het in blinde razernij gewoonweg compleet in elkaar slaan en trappen van zijn vriendin [slachtoffer 1] tot het moment dat verdachte zelf letterlijk buiten adem was, omvat naar het oordeel van de rechtbank in zichzelf de aanvaarding op de dood. Door zo te handelen heeft de verdachte dan ook welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 1] zou komen te overlijden. Dit geldt te meer nu verdachte ondanks het duidelijk zichtbare letsel van [slachtoffer 1] als gevolg van zijn eerdere mishandelingen (o.a. op 23 juli 2024) toch opnieuw extreem geweld op haar heeft toegepast. Ten slotte weegt de rechtbank mee dat verdachte heeft verklaard dat hij zag dat [slachtoffer 1] na het door hem toegepaste geweld medische hulp nodig had en haar desondanks toch in zorgwekkende toestand heeft achtergelaten. In plaats van hulpdiensten in te schakelen, heeft verdachte ervoor gekozen om naar een coffeeshop te gaan en pas rond 02:10 uur die nacht op 27 juli 2024 terug te komen.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] . Het verweer van de verdediging wordt verworpen.
Feit 2 en 3
Op grond van de aangehaalde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat het tenlaste-gelegde onder deze twee feiten wettig en overtuigend is bewezen.