Belanghebbende B.V. maakte bezwaar tegen de aanslag vennootschapsbelasting 2019 en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente. De kern van het geschil betrof de afwaardering van een vordering van € 3.354.581 op haar bestuurder en aandeelhouder. Belanghebbende stelde dat deze vordering sinds 2011 ten onrechte op de balans stond en met toepassing van de foutenleer in 2019 moest worden gecorrigeerd.
De rechtbank analyseerde de vaststellingsovereenkomst (VSO) uit 2011 tussen de aandeelhouder en de erven van een voormalige partner, waarin finale kwijting werd overeengekomen. De rechtbank concludeerde dat de vordering niet met de VSO was komen te vervallen, mede omdat de vordering tot 2019 steeds op de balans stond en werd opgegeven in de belastingaangiften. De verklaring die belanghebbende overlegde, ondersteunde dit niet anders.
Ten aanzien van de belastingrente oordeelde de rechtbank dat het gehanteerde percentage van 8% niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, met uitzondering van het verzoek tot verklaring voor recht waarvoor de rechtbank zich onbevoegd verklaarde. Belanghebbende kreeg geen proceskostenvergoeding.