Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
In conventie en reconventie;
“derden”, hetgeen [minderjarige] niet prettig vindt. Volgens de vrouw gebruikt de man [minderjarige] ook als doorgeefluik. De vrouw heeft verder een observatieverslag van school overgelegd, waarin als conclusie is opgenomen:
“Uit de observatie blijkt dat er op dit moment in de schoolse situatie geen ADHD-kenmerken zichtbaar zijn. Wel is het belangrijk om het welbevinden van [minderjarige] goed te volgen. Geadviseerd wordt daarom om wekelijks pedagogische gesprekken met hem te voeren.”. De vrouw heeft verder gesteld dat er bij [minderjarige] grote weerstand bestaat tegen bezoek aan de man. Op 10 oktober 2025 was [minderjarige] zodanig overstuur bij de gedachte dat hij naar de man moest dat de vrouw heeft besloten de omgang stop te zetten. De vrouw weet niet waar deze weerstand vandaan komt. Om die reden heeft ze [minderjarige] een lijstje laten opstellen met redenen waarom hij niet meer naar zijn vader wil.
“derden”. De man heeft dit bestreden, althans voor zover deze bezoeken niet in het belang van [minderjarige] zouden zijn, en de vrouw heeft dit standpunt op geen enkele wijze uitgewerkt of onderbouwd. Ook overigens is de voorzieningenrechter voorshands niet gebleken dat de man niet in staat zou zijn om een veilige en voorspelbare opvoedsituatie voor [minderjarige] te creëren. Dat beide opvoedsituaties kennelijk verschillen is daartoe, gelet op hetgeen de vrouw daarover heeft gesteld, onvoldoende. Gelet op hetgeen de man verder heeft aangevoerd en de vrouw heeft erkend, is bovendien voldoende vast komen te staan dat de man en [minderjarige] normaal gesproken een goed contact met elkaar hebben. Ook de omstandigheden die [minderjarige] in zijn ‘lijstje’ en zijn brief noemt, zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende zwaarwegend. Uit hetgeen [minderjarige] hierin noemt, volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter vooral dat hij veel last heeft van de strijd tussen zijn ouders. Zo spreekt [minderjarige] over ruzies die de man komt maken, is hij bang dat zijn vader boos wordt, spreekt papa over
“slechte dingen”en wil hij niet meer dat de man langskomt bij trainingen van de voetbal. De voorzieningenrechter begrijpt dat dit een en ander vooral ziet op een recent incident bij het voetbalveld van [minderjarige] waarbij de situatie tussen partijen zodanig is geëscaleerd dat politie ter plaatse moest komen, en voorts op de situatie dat de man is langsgekomen bij de vrouw om in aanwezigheid van [minderjarige] nakoming van de zorgregeling af te dwingen. Ook spreekt [minderjarige] van
“toestemming”waarmee kennelijk wordt gedoeld op de door de man geweigerde toestemming aan de vrouw om met [minderjarige] naar [plaats 3] te verhuizen. Duidelijk volgt hieruit dat beide ouders er niet in slagen om [minderjarige] uit hun onderlinge strijd te houden en hem er, in tegendeel, zelfs actief in betrekken. De voorzieningenrechter acht dit zeer kwalijk. Dergelijke zaken horen niet thuis bij een kind van bijna negen jaar. Verder spreekt [minderjarige] over
“het huis met rare mensen”,
“rommeltje bij papa”, “
papa doet roken op het toilet”en
“papa neemt mij mee naar slechte mensen”. Als overwogen, heeft de man ontkend dat hij [minderjarige] meeneemt naar ‘slechte mensen’ en heeft de vrouw hier verder geen toelichting op gegeven, zodat de voorzieningenrechter hieraan geen conclusies kan verbinden. Wat er ook van zij, van partijen, als ouders, mag naar het oordeel van de voorzieningenrechter worden verwacht dat zij bij dergelijke signalen van hun kind met elkaar in contact treden om deze signalen te bespreken, oplossingen te bedenken en, zo nodig, hun kind gerust te stellen. De voorzieningenrechter betreurt het dat dit niet is gebeurd met alle gevolgen voor [minderjarige] van dien. De voorzieningenrechter overweegt tot slot dat meerbedoelde zwaarwegende omstandigheden ook niet volgen uit het door de vrouw overgelegde observatieverslag van school. Zonder nadere toelichting door de vrouw, die ontbreekt, is het enkele advies van de school om wekelijks pedagogische gesprekken te voeren met [minderjarige] onvoldoende om de zorgregeling tussen de man en [minderjarige] te schorsen of aan te passen, alleen al omdat in het observatieverslag geen enkel verband wordt gelegd tussen dit advies en de omgang tussen de man en [minderjarige]. Ook overigens is niet gebleken dat er bij de school concrete zorgen zijn over [minderjarige] die nopen tot een schorsing of aanpassing van de zorgregeling.
- tweemaal een zaterdag contact zal plaatsvinden tussen de man en [minderjarige] op zaterdag na de voetbal van [minderjarige] tot 18.30 uur, waarbij het eerste contactmoment zal plaatsvinden op zaterdag 6 december 2025 en vervolgens twee weken later op zaterdag 20 december 2025;
- vervolgens zal tweemaal een contactmoment plaatsvinden van vrijdagmiddag uit school tot zaterdag 18:30 uur, om het weekend;
- waarna de tussen partijen overeengekomen zorgregeling zoals weergegeven in rechtsoverweging 2.5. en 4.3. wordt hervat.