Uitspraak
1.De verdere procedure
2.De verdere beoordeling
CZ doet in haar antwoordakte de toezegging dat zij een verzoek bij Fedris zal indienen, na ontvangst van de in het eindarrest van het Arbeidshof genoemde overzichtsstaten die het Arbeidshof gebruikt heeft voor de hypothetische afrekening. CZ stelt dat de vordering van [eiser] in deze procedure niet toewijsbaar is, omdat [eiser] op grond van de arresten van het Arbeidshof pas recht heeft op betaling door CZ nadat én op voorwaarde dat Fedris een verzoek tot terugvordering van CZ heeft ontvangen.
Het Arbeidshof heeft geoordeeld dat zij enkel bij machte is om de hypothetische afrekening van Fedris voor een bedrag van € 400,84 vast te stellen, voor het geval dat CZ een terugvordering bij Fedris instelt. Het Arbeidshof heeft in het eindarrest ook nogmaals overwogen dat Fedris geen rechtstreekse betaling aan [eiser] kan verrichten en dat de Nederlandse zorgverzekeraar het door haar betaalde bedrag moet terugvorderen bij Fedris op de wijze zoals bepaald in de administratieve beslissing van 21 juni 2018. [2]
-in ieder geval- voor een bedrag van € 400,84 tussenkomst kan verlenen. De aanspraak op dit bedrag door [eiser] vloeit voort uit het eindarrest van het Arbeidshof. [eiser] dient in die zin niet afhankelijk te zijn van de vraag of, en zo ja wanneer, CZ op grond van aan haar verstrekte overzichtsstaten een verzoek bij Fedris zal indienen.
3.De beslissing
3 december 2025.