Eiser, voormalig monteur bronbemaling, viel uit wegens knie- en rugklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV kende hem een uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 56,18%, maar wees bezwaar af. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit.
De rechtbank oordeelde in een tussenuitspraak dat het UWV het zorgvuldigheidsbeginsel had geschonden door onvoldoende onderzoek te verrichten. Het UWV voerde daarop aanvullend lichamelijk onderzoek uit en diende nieuwe rapportages in. De rechtbank beoordeelde deze aanvullingen en concludeerde dat het onderzoeks- en motiveringsgebrek was hersteld.
De medische beperkingen van eiser zijn uitgebreid onderzocht door verzekeringsartsen en de revalidatiearts, waarbij de rechtbank het oordeel van de verzekeringsarts b&b volgde dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld en dat eisers stellingen onvoldoende onderbouwd waren om tot een hogere mate van beperking te komen.
De arbeidsdeskundige van het UWV stelde passende functies vast die aansluiten bij de beperkingen van eiser. De rechtbank oordeelde dat deze functies passend zijn, ook met betrekking tot werktijden en specifieke taken zoals voetpedaalbediening.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit vanwege het eerdere gebrek, maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat het UWV met aanvullend onderzoek tot een juiste beoordeling was gekomen. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.