ECLI:NL:RBZWB:2025:8590

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
24/7444
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van arbeidsvermogen in het kader van Wajong-uitkering na motiveringsgebrek door UWV

In deze zaak heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 3 december 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure over de afwijzing van een Wajong-uitkering aan eiser. Eiser had beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV van 19 september 2024, waarin zijn aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) was afgewezen. De rechtbank heeft het beroep behandeld op 12 maart 2025, waarbij eiser, zijn moeder en de gemachtigde van het UWV aanwezig waren. In een tussenuitspraak van 1 mei 2025 heeft de rechtbank het UWV de kans gegeven om een motiveringsgebrek te herstellen. Het UWV heeft daarop een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep overgelegd, maar de rechtbank oordeelt dat het UWV hierin niet voldoende heeft aangetoond dat eiser in de relevante periode over arbeidsvermogen beschikte.

De rechtbank concludeert dat het UWV het geconstateerde gebrek niet heeft hersteld. De verzekeringsarts heeft niet adequaat ingegaan op de ernst van de psychische klachten van eiser, die door zijn behandelaars als fors zijn gekwalificeerd. De rechtbank stelt vast dat eiser in de periode van 9 februari 2021 tot en met 23 augustus 2022 niet beschikte over arbeidsvermogen. Hoewel het UWV terecht heeft gesteld dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is, blijft de afwijzing van de Wajong-uitkering in stand. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit, maar laat de rechtsgevolgen daarvan in stand. Eiser krijgt het griffierecht vergoed en het UWV wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats: Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/7444 Wajong

uitspraak van 3 december 2025 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser,

gemachtigde: mr. F.E.R.M. Verhagen,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV; kantoor Breda ), verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 19 september 2024 (het bestreden besluit) van het UWV over de afwijzing van zijn aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn moeder, de gemachtigde van eiser, en mr. M. Duric als gemachtigde van het UWV.
Bij tussenuitspraak van 1 mei 2025 heeft de rechtbank het UWV in de gelegenheid gesteld om het geconstateerde gebrek te herstellen.
Het UWV heeft in reactie op de tussenuitspraak een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van 26 mei 2025 overgelegd. Eiser heeft op dit rapport gereageerd met een brief van 8 september 2025.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Op 22 oktober 2025 is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Voor een weergave van de feiten, de beroepsgronden en het wettelijk kader verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.
2. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het bestreden besluit lijdt aan een onderzoeks- en motiveringsgebrek. Het UWV is in de gelegenheid gesteld om een verzekeringsarts b&b te laten beoordelen of de psychische klachten van eiser (naast de aanwezige fysieke beperkingen) in de periode van 9 februari 2021 tot en met 23 augustus 2022 leiden tot de conclusie dat eiser het arbeidsvermogen is verloren en zo ja, of deze situatie duurzaam is.
3. In het rapport van 26 mei 2025 stelt de verzekeringsarts b&b dat uit de brief van [revalidatiearts] van 22 juni 2022 blijkt dat de psychische klachten van eiser zijn verergerd. Er zijn klachten van angst om over te geven, angst om zich buitenshuis te begeven en angst voor corona. Door deze klachten is er geen mogelijkheid voor revalidatie. Aangegeven wordt dat er eerder sprake was van psychische begeleiding toen eiser 12 jaar was en dat dit een goed effect had. Volgens de verzekeringsarts b&b blijkt hieruit dat de verwachting was dat eiser met psychische begeleiding in een situatie kan komen waarin hij wel weer zodanig belastbaar was dat de revalidatie doorgang kon krijgen. De revalidatie is bedoeld om te leren omgaan met zijn fysieke klachten en de fysieke belastbaarheid te verbeteren. Uit de latere brief van [psychiater] van 11 augustus 2022 blijkt dat eiser voor zijn angstklachten onder behandeling was. In de brief van 26 april 2024 schrijft [revalidatiearts] dat hij onvoldoende kan inschatten of naast de ernstige psychische klachten daadwerkelijk een fysieke achteruitgang aanwezig was in de periode van januari 2021 tot augustus 2022 behoudens zijn anamnese en de afname van activiteiten op een dag en toename van hulp. Een afname in uithoudingsvermogen is aannemelijk. De vraag of eiser vier uur per dag in arbeid belastbaar was in arbeid kon hij niet beantwoorden. Aangegeven werd dat eiser in de periode niet belastbaar was voor oefentherapie.
De verzekeringsarts b&b stelt dat de verzekeringsgeneeskundige criteria voor de Wajong zijn of iemand vier uur per dag belastbaar is, of iemand een uur aaneengesloten kan werken en of dit duurzaam is. Of eiser door de angstklachten wel of niet kon deelnemen aan de revalidatie en oefentherapie, is een andere vraag. Indien iemand zich niet zelfstandig buitenshuis kan begeven (in dit geval door angst), is er een mogelijkheid dit met een vervoersvoorziening alsnog te kunnen of iemand kan mogelijk binnenhuis werken. De verzekeringsarts b&b stelt niet goed te kunnen beoordelen of de angstklachten in de relevante periode zodanig waren verergerd dat eiser geen arbeidsvermogen meer had. Aannemende dat hij het arbeidsvermogen in deze periode heeft verloren, was het verlies zeker niet duurzaam. Niet alleen omdat behandeling van de angstklachten nog moest beginnen, maar ook omdat de angstklachten in ieder geval tijdens de hoorzitting met de verzekeringsarts b&b niet meer zodanig waren dat er geen arbeidsvermogen was. Tijdens het onderzoek van de verzekeringsarts b&b van 16 augustus 2024 zijn niet alleen de fysieke klachten maar ook de psychische klachten beoordeeld. De psychische klachten waren niet zodanig ernstig dat er geen sprake was van arbeidsvermogen.
4. Eiser heeft hiertegen aangevoerd dat het UWV blijkens het rapport van de verzekeringsarts b&b inmiddels aanneemt dat eiser in de periode in geding (naar alle waarschijnlijkheid) zijn arbeidsvermogen is verloren, maar dat deze situatie (in ieder geval voor wat betreft de psychische klachten) niet duurzaam is. Eiser stelt dat dit onvoldoende is gemotiveerd. Uit de stukken blijkt dat er al sinds eisers jonge jeugd sprake is van angstklachten en dat hij hiervoor is behandeld met verschillende therapieën. Ook wordt gesproken over een potentieel verband tussen Prednison en de psychische klachten. Gewezen wordt op de brief van [GZ-psycholoog] van 30 augustus 2021 en [kinderrevalidatiearts] van 26 november 2021. De stelling van de verzekeringsarts b&b dat de angstklachten in ieder geval tijdens de hoorzitting niet meer zodanig waren dat er geen arbeidsvermogen was, is daarnaast onverenigbaar met de ex tunc-beoordeling in deze zaak. Los daarvan geldt dat de lichamelijke en psychische klachten van eiser niet los van elkaar gezien kunnen worden. Er is sprake van een vicieuze cirkel: blijven de lichamelijke klachten onder controle door het gebruik van Prednison, dan nemen de psychische klachten toe. Nemen de psychische klachten (enigszins) af door het stopzetten van de Prednison, dan nemen de lichamelijke klachten toe. Daarmee is de duurzaamheid in deze onderlinge samenhang volgens eiser gegeven. De motivering van de verzekeringsarts b&b is onvoldoende om het bestreden besluit te dragen. Eiser verzoekt de rechtbank een deskundige te benoemen.
Beoordeling door de rechtbank
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet hersteld. De verzekeringsarts b&b gaat in zijn rapport immers niet in op het feit dat de psychische klachten van eiser door zijn behandelaars als fors en zeer ernstig worden gekwalificeerd, en concludeert dat hij niet kan vaststellen of sprake is van een zodanige verslechtering van psychische klachten van eiser dat het arbeidsvermogen is komen te ontbreken. Gelet op de informatie in de brieven van [revalidatiearts] van 22 juni 2022 en 26 april 2024 en van [psychiater] van 11 augustus 2022 gaat de rechtbank ervan uit dat eiser in de periode in geding (van 9 februari 2021 tot en met 23 augustus 2022) niet beschikte over arbeidsvermogen.
6. De verzekeringsarts b&b heeft zich op het standpunt gesteld dat als het arbeidsvermogen in de periode in geding zou ontbreken, er in ieder geval geen sprake is van duurzaamheid. De rechtbank kan dit volgen. In de periode in geding liepen er immers behandelingen blijkens de brieven van [GZ-psycholoog] van 30 augustus 2021 en 1 december 2021. Uit de brief van [psychiater] van 11 augustus 2022 blijkt bovendien dat er aan het einde van de periode in geding nog een behandeltraject zou worden opgestart. Deze behandelingen zouden de belastbaarheid van eiser kunnen verbeteren.
7. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om een deskundige te benoemen, zoals eiser wel heeft verzocht, omdat de rechtbank eiser volgt in zijn standpunt dat in de periode in geding het arbeidsvermogen ontbrak, terwijl er voldoende informatie beschikbaar is om te kunnen oordelen over de duurzaamheid.
8. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat met deze procedure de Amber-periode tot en met 23 augustus 2022 is beoordeeld. De resterende periode tot 10 juli 2024 is nog niet beoordeeld. Indien eiser van mening is dat het ontbreken van arbeidsvermogen in die periode duurzaam is geworden, dan kan hij dat voorleggen aan het UWV.
9. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek zal het beroep gegrond worden verklaard. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens een motiveringsgebrek. Het UWV heeft het gebrek niet hersteld als het gaat om de beoordeling van het arbeidsvermogen van eiser in de periode in geding. Omdat het UWV zich wel terecht op het standpunt heeft gesteld dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dit betekent dat het UWV terecht heeft geweigerd een uitkering op grond van de Wajong aan eiser toe te kennen.
10. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed. De rechtbank zal het UWV veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.267,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 907,00 en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
  • bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 51,00 aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt het UWV tot betaling van € 2.267,50 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier, op 3 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.