ECLI:NL:RBZWB:2025:8605

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 december 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
25/2505 en 25/2726
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering van Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) voor vrijwilligerswerk in de gezondheidszorg en welzijn

Op 8 december 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over de weigering van een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) voor twee vrijwilligersfuncties. Eiser, in zijn hoedanigheid als bewindvoerder van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, was het niet eens met de beslissing van de staatssecretaris om de VOG niet af te geven aan betrokkene, die op 12 oktober 2024 en 4 november 2024 aanvragen had ingediend voor vrijwilligerswerk bij respectievelijk stichting [stichting 1] en stichting [stichting 2]. De staatssecretaris had de aanvragen geweigerd op basis van het justitiële verleden van betrokkene, die in de afgelopen jaren meerdere keren was veroordeeld voor verschillende strafbare feiten, waaronder geweldsdelicten en belediging van ambtenaren. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris terecht had geconcludeerd dat er een risico voor de samenleving bestond, wat leidde tot de weigering van de VOG. De rechtbank benadrukte dat de belangen van de samenleving zwaarder wogen dan die van betrokkene, ondanks haar positieve ontwikkeling en stabiliteit in haar leven. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en wees de proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 25/2505
BRE 25/2726

uitspraak van 8 december 2025 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van

[betrokkene] (betrokkene), uit [plaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. T. Mustafazade),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering om een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) af te geven voor twee vrijwilligersfuncties. Eiser is het niet eens met deze weigering. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de staatssecretaris de aanvragen van betrokkene om een VOG af te geven, heeft kunnen weigeren.
1.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de staatssecretaris heeft kunnen weigeren om aan betrokkene een VOG af te geven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming bestreden besluiten

2. Betrokkene heeft op 12 oktober 2024 een aanvraag ingediend voor een VOG in verband met vrijwilligerswerk bij [stichting 1] . Op 4 november 2024 heeft zij een aanvraag ingediend voor een VOG in verband met vrijwilligerswerk bij stichting [stichting 2] . Voor beide organisaties geldt het screeningprofiel ‘gezondheidszorg en welzijn mens en dier’.
2.1
De staatssecretaris heeft onderzoek gedaan. Dit onderzoek bestond uit het raadplegen van het Justitieel Documentatie Systeem. Uit dat onderzoek is gebleken dat betrokkene van 28 oktober 2019 tot en met 5 november 2019 en van 19 februari 2024 tot en met 27 april 2024 in de gevangenis heeft gezeten of onder toezicht stond. Gelet hierop is de periode waarover wordt gekeken of betrokkene in aanraking is gekomen met justitie (de terugkijktermijn) verlengd en vastgesteld op een periode van vier jaar, twee maanden en zeven dagen.
2.2
In de terugkijktermijn is betrokkene diverse malen veroordeeld, wegens belediging van een ambtenaar in functie, beschadiging van goederen, wederspannigheid en belediging en mishandeling van een ambtenaar in functie. Ook is zij veroordeeld voor een overtreding van de Wet wapens en munitie en huisvredebreuk. Buiten de terugkijktermijn is er nog sprake geweest van strafbare feiten in 2020 voor vernieling, geweldsdelicten en geweld tegen politieambtenaren.
2.3
De staatssecretaris heeft aan betrokkene kenbaar gemaakt voornemens te zijn voor beide aanvragen geen VOG af te geven. Betrokkene heeft een zienswijze ingediend.
2.4
Met het besluit van 6 december 2024 heeft de staatssecretaris aan betrokkene meegedeeld dat zij geen VOG krijgt voor vrijwilligerswerk bij [stichting 1] .
2.5
Met het besluit van 7 januari 2025 heeft de staatssecretaris aan betrokkene meegedeeld dat zij ook geen VOG krijgt voor vrijwilligerswerk bij [stichting 2] .
2.6
Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen beide besluiten. Met de bestreden besluiten van 8 april 2025 en 11 april 2025 zijn de bezwaren van betrokkene ongegrond verklaard.

Procesverloop

3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Ook is verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
3.1
De voorzieningenrechter heeft op 31 juli 2025 uitspraak gedaan. Het verzoek van eiser is afgewezen omdat onvoldoende is gebleken dat er sprake is van een spoedeisend belang.
3.2
De rechtbank heeft de beroepen op 20 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: betrokkene, de gemachtigde van eiser en namens de staatssecretaris mr. I.M. Touwen.

Beoordeling door de rechtbank

Is er procesbelang?
4. In de procedure bij de voorzieningenrechter heeft betrokkene gesteld dat de vrijwilligersplekken een zekere houdbaarheidsdatum hebben en het dat het maatjesproject bij [stichting 1] maar tijdelijk is. Gelet hierop ziet de rechtbank zich eerst voor de vraag gesteld of er nog sprake is van een procesbelang.
4.1
Eiser heeft desgevraagd verklaringen overgelegd van [stichting 2] en [stichting 1] . Hoewel uit deze verklaringen niet zondermeer blijkt dat er op dit moment nog vacatures zijn, blijkt uit deze verklaringen wel dat betrokkene bij zowel [stichting 2] als [stichting 1] , in de nabije toekomst, in aanmerking kan komen voor een vrijwilligersfunctie als zij over een VOG beschikt. De rechtbank is van oordeel dat daarmee voldoende aannemelijk is geworden dat betrokkene nog steeds een procesbelang heeft bij het verkrijgen van een VOG. De rechtbank zal de beroepen daarom inhoudelijk beoordelen.
Wat ligt ten grondslag aan de bestreden besluiten?
5. De staatssecretaris heeft aan de bestreden besluiten ten grondslag gelegd dat er een risico bestaat voor de samenleving. Dit risico is volgens de staatssecretaris te groot om aan betrokkene een VOG te geven.

Standpunt betrokkene

6. Eiser heeft, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat de staatssecretaris ten onrechte heeft geconcludeerd dat er sprake is van relevante strafbare feiten die in de weg staan aan afgifte van een VOG. Het laatste strafbare feit is van 2024 en dit betrof een relatief licht vergrijp, waarvoor een voorwaardelijke straf is opgelegd. De lichte straffen die betrokkene heeft gekregen zijn volgens eiser onevenredig zwaar meegewogen. De omstandigheden waaronder betrokkene de strafbare feiten heeft gepleegd, hadden betrokken moeten worden bij de beoordeling. Verder had ook betrokken moeten worden in hoeverre de voorgestelde voorzorgsmaatregelen het risico zouden verkleinen.
6.1
Eiser is van mening dat de staatssecretaris onvoldoende de belangen van betrokkene heeft meegewogen. Zij bevindt zich inmiddels in een stabiele en constructieve fase van haar leven. De weigering van de VOG heeft verstrekkende gevolgen voor haar. Zij wordt uitgesloten van de vrijwilligersfunctie en de weigering staat ook in de weg aan de afronding van haar re-integratietraject. Ter zitting heeft eiser de eerder ingenomen stelling, dat de weigering ook in de weg staat aan de voortgang van haar studie, laten vallen.
6.2
De risicotaxatie in het reclasseringsadvies ontbeert volgens eiser feitelijke onderbouwing en is grotendeels gebaseerd op richtlijnen en inschattingen. Er is onvoldoende rekening gehouden met het positieve gedragspatroon dat betrokkene heeft laten zien sinds de laatste veroordeling. De mogelijkheid bestaat dat de positieve ontwikkeling teniet wordt gedaan door de weigering een VOG af te geven. Betrokkene mocht op grond van de intensieve begeleiding vanuit de gemeente en de reclassering erop vertrouwen dat haar inspanningen om haar leven op te bouwen zouden worden meegewogen.
Standpunt staatssecretaris
7. De staatssecretaris heeft gesteld dat het justitiële verleden van betrokkene maakt dat de kans aanwezig is dat zij opnieuw met justitie in aanmerking komt wegens strafbare feiten. Zowel binnen als buiten de terugkijktermijn is ze veroordeeld voor een groot aantal strafbare feiten die niet samengaan met de beoogde functies van vrijwilliger. Er is op dit moment ook nog een proeftijd van kracht. Interne afspraken over begeleiding, toezicht en training bieden onvoldoende zekerheid om te concluderen dat er geen risico is. Niet uitgesloten kan worden dat betrokkene alleen met een persoon komt te verkeren die afhankelijk van haar is.
7.1
Betrokkene is voor het laatst op 23 juli 2024 met justitie in aanraking gekomen. Dit tijdsverloop is te kort om te concluderen dat het risico voor de samenleving voldoende is afgenomen om toekenning van een VOG te rechtvaardigen. Het zijn niet alleen maar lichte straffen die aan betrokkene zijn opgelegd. De omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd, zijn betrokken in de beoordeling, maar leiden niet tot de conclusie dat het risico voor de samenleving is afgenomen. Niet kan worden uitgesloten dat betrokkene in een soortgelijke nieuwe situatie opnieuw op een manier reageert waardoor anderen er schadelijke gevolgen van kunnen ondervinden.
7.2
De staatssecretaris vindt het redelijk om van betrokkene te verlangen dat zij over een langere periode laat zien dat zij niet opnieuw met justitie in aanraking komt. De belangen van betrokkene wegen volgens de staatssecretaris minder zwaar dan die van de samenleving. Betrokkene kan ook op een andere manier zorgen voor dagbesteding en re-integratie. Ook is het niet uitgesloten dat betrokkene ander werk kan vinden waarvoor geen VOG nodig is. Betrokkene wordt daarom niet gevolgd in haar stelling dat zij wordt beperkt in haar ontwikkelingsmogelijkheden en haar perspectief op maatschappelijke re-integratie.
Wettelijk kader
8. In artikel 35, eerste lid van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens is bepaald dat onze Minister de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag weigert, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd, in de weg zal staan.
Toetsingskader
9. In hoofdstuk drie van de Beleidsregels VOG -NP-RP 2024 (Beleidsregels) is de wijze van beoordeling van de aanvraag uitgewerkt. Wanneer de aanvrager van een VOG in de justitiële documentatie voorkomt, wordt de aanvraag beoordeeld aan de hand van een objectief en een subjectief criterium.
9.1
Met het objectieve criterium wordt beoordeeld of de aangetroffen justitiële gegevens, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak, dan wel bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd. Bij de beoordeling van het objectieve criterium is niet relevant of het strafbare feit plaatsvond in de privésfeer. Evenmin is het relevant of er sprake is van een reëel recidivegevaar. [1]
9.2
Bij het subjectieve criterium wordt beoordeeld of het belang van de aanvrager zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het eerder genoemde risico voor de samenleving. Als dat zo is, wordt de VOG afgegeven, ook al wordt voldaan aan het objectieve criterium. Bij de belangenafwegingen spelen de persoonlijke omstandigheden van de aanvrager een rol. Bij de beoordeling van het subjectieve criterium wordt in ieder geval gekeken naar de afdoening van de strafzaak (lichte of zware straf), het tijdsverloop en de hoeveelheid strafbare feiten.
Overwegingen rechtbank
10. Ter zitting is namens eiser gesteld dat niet in geschil is dat aan het objectieve criterium is voldaan. Partijen zijn uitsluitend verdeeld over de vraag of op basis van het subjectieve criterium een VOG afgegeven had moeten worden.
10.1 Uit het screeningsprofiel ‘gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’ volgt dat functionarissen in dit profiel belast zijn met de zorg voor personen en in een één-op-één relatie kunnen komen te verkeren met diegenen die aan hun zorg zijn vertrouwd. De rechtbank kan de staatssecretaris volgen in zijn stelling dat bij de beoordeling of een VOG kan worden afgegeven geen rekening kan worden gehouden met eventuele afspraken die worden gemaakt met betrekking tot controles, gesprekken en toezicht op de werkplaats. Los van het feit dat de staatssecretaris geen inspraak heeft op eventuele afspraken, zijn dergelijke afspraken niet af te dwingen en bieden deze geen garantie dat betrokkene niet toch één-op-één contact heeft met degene die aan haar zorg is toevertrouwd. Bij de verdere beoordeling zal er daarom van uitgegaan worden dat één-op-één contact met kwetsbare personen kan plaatsvinden.
10.2
De rechtbank stelt vast dat het laatste strafbare feit in 2024 heeft plaatsgevonden en dat de door de strafrechter eerder opgelegde proeftijd nog loopt tot 4 december 2025.Van belang is verder dat de reclassering het recidiverisico op gemiddeld heeft vastgesteld. Anders dan eiser lijkt te stellen, zijn bij deze inschatting ook de persoonlijke omstandigheden van betrokkene betrokken. Uit het voortgangsverslag van 7 november 2024 blijkt immers dat het recidiverisico op basis van de risicotaxatie en adviesinstrument (RISc) is ingeschat op hoog. De reclassering is van deze (geautomatiseerde) inschatting afgeweken en heeft het risico op gemiddeld ingeschat. Daarbij is betrokken dat, anders dan ten tijde van het delict, er sprake is van een (groeiende) stabiliteit op diverse leefgebieden zoals huisvesting, financiën en middelengebruik. Ook is daarbij betrokken dat betrokkene in een behandeltraject zit. Anders dan door eiser is aangenomen, is bij deze inschatting dus gekeken naar de persoonlijke situatie van betrokkene en haar ontwikkeling en is dat ook meegewogen bij de inschatting van het recidiverisico. De staatssecretaris is bij zijn beoordeling dan ook terecht uitgegaan van een gemiddeld recidiverisico.
10.3
Ter zitting is aangevoerd dat het belang van betrokkene met name is gelegen in het hebben van een zinvolle dagbesteding. Uit de overgelegde verklaring van de reclasseringsmedewerker van 6 maart 2025 blijkt dat het hebben van een daginvulling, in de vorm van vrijwilligerswerk of het volgen van een opleiding, een positief effect heeft op het functioneren van betrokkene. Uit die verklaring blijkt verder ook dat het risico aanwezig is dat bij gebrek aan daginvulling er opnieuw sprake kan zijn van ongewenst (delict)gedrag. De regisseur participatie heeft op 13 januari 2025 verklaard dat betrokkene duidelijke stappen heeft gezet in haar ontwikkeling en gedragsverandering. Door de weigering van een VOG wordt betrokkene beperkt in haar mogelijkheden een nieuwe richting aan haar leven te geven. Dit vergroot het risico op stagnatie terwijl deelname aan (vrijwilligers)werk en/of opleiding een positief effect heeft op haar re-integratie en het voorkomen van recidive, aldus de regisseur participatie.
10.4
De rechtbank kan begrijpen dat het voor betrokkene belangrijk is dat zij een zinvolle dagbesteding heeft. Dit belang wordt ook onderstreept door de door eiser overgelegde verklaringen. De staatssecretaris heeft dit belang, zo blijkt uit de beslissing op bezwaar, ook betrokken in de belangenafweging. De staatssecretaris is echter van mening dat het belang van betrokkene minder zwaar weegt dan het belang van de samenleving. Daarbij heeft de staatssecretaris erop gewezen dat betrokken ook een (zinvolle) dagbesteding kan hebben in een andere functie waarbij geen één-op-één contacten met kwetsbare personen voorkomen. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor het feit dat betrokkene het liefste werkzaam is in de door haar gewenste vrijwilligersfuncties, kan de rechtbank de staatssecretaris volgen in zijn stelling dat ook op andere manieren een zinvolle dagbesteding kan worden gezocht. Daarbij is tevens betrokken dat in de overgelegde verklaringen in het algemeen wordt gesproken over het nut van vrijwilligerswerk en /of een studie. Hoewel betrokkene door de weigering van de VOG het door haar gewenste vrijwilligerswerk niet kan verrichten, wordt zij daardoor niet belemmerd in het verrichten van andersoortige vrijwilligerswerk waarvoor geen VOG noodzakelijk is. Hiermee kan er ook sprake zijn van een (nuttige) daginvulling, zodat dit belang van betrokkene niet doorslaggevend hoeft te zijn.
10.5
Hoewel de rechtbank, net als de staatssecretaris, ziet dat betrokkene grote stappen heeft gezet en dat zij een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt sinds de laatste veroordeling, betekent dit niet dat de staatssecretaris op basis daarvan een VOG heeft moeten afgeven. Er is immers nog maar een relatief korte periode verlopen tussen het laatste strafbare feit en de bestreden besluiten. Er kan ook niet aan voorbij worden gegaan dat het recidiverisico op gemiddeld is ingeschat. Verder is ook van belang dat, anders dan door eiser is gesteld, er niet alleen maar sprake is geweest van lichte straffen. Er zijn immers in de terugkijkperiode vier gevangenisstraffen opgelegd, waarvan drie voorwaardelijk. Een gevangenisstraf, ook als deze voorwaardelijk is, kan niet als een lichte straf worden aangemerkt.
10.6
Gelet op de hoeveelheid antecedenten, het relatief korte tijdsverloop en het gegeven dat het niet alleen om lichte straffen gaat, is de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris in redelijkheid van betrokkene kan verlangen dat zij over een langere periode laat zien dat zij zich onthoudt van strafbare gedragingen voordat zij in aanmerking komt voor een VOG. De context waarbinnen twee van de strafbare feiten zich hebben voorgedaan, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Zoals de staatssecretaris terecht heeft opgemerkt in de bestreden besluiten, is die context ook door de strafrechter betrokken bij de vaststelling van de strafmaat en zijn er naast die twee strafbare feiten andere strafbare feiten geweest.
10.7
Gelet op alles wat hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris de beperking van de risico’s voor de samenleving zwaarder heeft mogen laten wegen dan het belang van betrokkene bij de verlening van de VOG.

Conclusie en gevolgen

11. Uit het voorgaande volgt dat de weigering een VOG af te geven voor beide vrijwilligersfuncties de rechterlijke toets kan doorstaan. De beroepen zullen daarom ongegrond worden verklaard. Omdat de beroepen ongegrond worden verklaard krijgt eiser geen proceskostenvergoeding. Ook krijgt eiser het griffierecht niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van A.J.M. van Hees, griffier, op 8 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Zie paragraaf 3.1.3.2 van de beleidsregels