Eiser heeft beroep ingesteld tegen het UWV omdat het niet tijdig heeft beslist op zijn bezwaar tegen de beslissing van 28 oktober 2024 over zijn WIA-uitkering. De rechtbank constateert dat het UWV de beslistermijn heeft overschreden en dat eiser het UWV op 30 april 2025 in gebreke heeft gesteld.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is en dat het UWV binnen een redelijke termijn alsnog moet beslissen. Gezien de omstandigheden, waaronder het feit dat hoorzittingen met de gemachtigde van eiser meerdere malen zijn afgezegd, acht de rechtbank een termijn van vier maanden passend om een zorgvuldige heroverweging mogelijk te maken.
Daarnaast legt de rechtbank het UWV een dwangsom op van €100 per dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van €15.000. Omdat het UWV al een dwangsombeslissing heeft genomen, stelt de rechtbank de bestuurlijke dwangsom niet vast. Tot slot veroordeelt de rechtbank het UWV tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser.