ECLI:NL:RBZWB:2025:8683

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 december 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
25/2546
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen sluiting woning op grond van artikel 13b Opiumwet wegens ontbreken procesbelang

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de sluiting van zijn voormalige huurwoning voor drie maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De burgemeester van de gemeente Waalwijk heeft het bezwaar van eiser afgewezen en is bij het besluit gebleven. De rechtbank heeft het beroep op 8 december 2025 behandeld en direct mondeling uitspraak gedaan.

De rechtbank heeft overwogen dat procesbelang vereist is om het beroep inhoudelijk te beoordelen. Omdat de sluitingstermijn inmiddels is verstreken, de woning weer is geopend, en eiser inmiddels in detentie verbleef en op een ander adres staat ingeschreven, is onvoldoende onderbouwd welk belang eiser nog heeft bij het beroep. Een principiële uitspraak over de rechtmatigheid van het besluit is onvoldoende om procesbelang aan te nemen.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en beoordeelt zij de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de sluiting van de woning wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2546

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

8 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. A.J.J. Kreutzkamp),
en

De burgemeester van de gemeente Waalwijk

(gemachtigde: mr. F. Langenhuijsen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de sluiting van zijn (voormalige) huurwoning aan [adres] (hierna: de woning) voor een periode van drie maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet.
1.1.
Met het bestreden besluit van 21 maart 2025 op het bezwaar van eiser is de burgemeester bij dat besluit gebleven.
1.2.
De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 8 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. X.E.J. Stassen, als waarnemer van de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de burgemeester.
1.4.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

Procesbelang
2. Procesbelang is het belang dat een eiser heeft bij de uitkomst van een procedure. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) [1] heeft een partij procesbelang bij een oordeel over zijn beroep als komt vast te staan dat die partij een reëel en actueel belang heeft bij het gelijk. Daarbij gaat het erom of het doel dat de eiser voor ogen staat, met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft de eiser die opkomt tegen een besluit, procesbelang bij een beoordeling van zijn beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen.
3. De rechtbank overweegt dat vast staat dat de sluitingstermijn inmiddels is verlopen en dat de woning weer is geopend. Eveneens staat vast dat eiser gedurende de sluiting in detentie verbleef en dat hij inmiddels staat ingeschreven op een ander adres. De rechtbank is van oordeel dat eiser, mede gelet op die omstandigheden, onvoldoende heeft onderbouwd welk doel hij met zijn beroep wil bereiken en hoe dat doel voor hem nog van feitelijk betekenis kan zijn. Aan de enkele omstandigheid dat de woning is gesloten kan geen procesbelang worden ontleend. Dat sprake is van een financieel belang voor eiser is gesteld noch gebleken. De rechtbank concludeert dat eiser geen actueel en reëel belang heeft bij de inhoudelijke beoordeling van het beroep. Dat hij een principiële uitspraak van de rechtbank wenst te verkrijgen over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, levert geen procesbelang op.

Conclusie en gevolgen

4. Gelet op het voorgaande is het beroep van eiser niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug en krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
5. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2025 door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. C.F.E.M. Mes, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.

Voetnoten

1.ABRvS 19 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2508 (r.o. 7).