Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
3.Het verzoek en het verweer
4.De beoordeling
New Hairstyle).
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 5 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen een werknemer en zijn werkgever over een ontslag op staande voet. De werknemer, die op 1 april 2025 in dienst trad als machinebediener, werd op 28 mei 2025 op staande voet ontslagen. De werkgever voerde aan dat de werknemer herhaaldelijk te laat op het werk verscheen en in enkele gevallen zonder bericht afwezig was. De werknemer betwistte de rechtsgeldigheid van het ontslag, stellende dat er geen dringende reden was voor het ontslag op staande voet. Tijdens de mondelinge behandeling op 7 november 2025 hebben beide partijen hun standpunten toegelicht.
De kantonrechter oordeelde dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig was, omdat de werkgever niet voldoende bewijs had geleverd dat er sprake was van een dringende reden. De kantonrechter stelde vast dat de werkgever niet kon eisen dat de werknemer 25 minuten voor aanvang van zijn dienst inklokte, en dat de tijd die de werknemer eerder aanwezig moest zijn voor de overdracht van de ploegendienst als arbeidstijd moest worden beschouwd. De kantonrechter kende de werknemer een vergoeding toe wegens onregelmatige opzegging, een transitievergoeding en een billijke vergoeding, omdat het ontslag als ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever werd aangemerkt. De kantonrechter oordeelde dat de werknemer recht had op een billijke vergoeding van € 7.987,30 bruto, rekening houdend met zijn kwetsbare positie en de gevolgen van het ontslag voor zijn gezin.
De proceskosten werden toegewezen aan de werknemer, omdat de werkgever ongelijk kreeg in deze procedure. De kantonrechter heeft de werkgever veroordeeld tot betaling van de vergoedingen en de proceskosten, met wettelijke rente.