De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van meermalen seks tegen betaling met een toen zestienjarige minderjarige. De officier van justitie achtte het bewezen dat verdachte seksuele handelingen had verricht, waaronder pijpen en vaginale penetratie, maar de verdediging voerde geen bewijsverweer en deed een beroep op afwezigheid van alle schuld.
De rechtbank oordeelde dat verdachte zich voldoende had vergewist van de leeftijd van de minderjarige door onder meer het controleren van haar rijbewijs en het vergelijken van haar identiteit met het identiteitsbewijs. Verdachte had ook contact gehad via een website die een minimumleeftijd van achttien jaar hanteert en had meerdere signalen die voor hem de meerderjarigheid bevestigden.
De rechtbank legde een hoge lat voor het beroep op afwezigheid van alle schuld in het niet-vergunde circuit, maar vond dat verdachte aan zijn onderzoeksplicht had voldaan. Daarom werd verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard omdat geen straf of maatregel werd opgelegd.
De rechtbank sprak verdachte vrij van wat meer of anders was ten laste gelegd en veroordeelde de benadeelde partij in de kosten van verdachte.