De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 11 december 2025 de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van meermalen seks tegen betaling met een toen zeventienjarige minderjarige. De tenlastelegging omvatte verschillende seksuele handelingen, waarvan het kussen, pijpen en vaginale penetratie wettig en overtuigend bewezen werden verklaard. Verdachte heeft bekennende verklaringen afgelegd, maar voerde geen bewijsverweer en deed een beroep op afwezigheid van alle schuld (avas).
De rechtbank overwoog dat het beroep op avas een hoge lat kent, zeker in het niet-vergunde circuit van sekswerk. Verdachte moest zich persoonlijk vergewissen van de meerderjarigheid van het slachtoffer, onder meer door het controleren van een identiteitsbewijs. Verdachte verklaarde dat hij het scooterrijbewijs van het slachtoffer had bekeken en haar leeftijd had vastgesteld op negentien jaar, mede ondersteund door informatie van een andere sekswerker.
De rechtbank achtte de verklaring van verdachte consistent en geloofwaardig, en concludeerde dat hij aan zijn onderzoeksplicht had voldaan. Hierdoor werd verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard omdat aan de wettelijke voorwaarde voor ontvankelijkheid niet was voldaan. De rechtbank sprak verdachte vrij van overige tenlastegelegde feiten en veroordeelde de benadeelde partij in de kosten van verdachte.