De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 11 december 2025 uitspraak gedaan in de strafzaak tegen verdachte, die werd verdacht van seks tegen betaling met een minderjarige tussen 16 en 18 jaar. De zaak betrof vijf seksafspraken waarbij seksuele handelingen zoals pijpen en vingeren plaatsvonden. Verdachte werd vrijgesproken van een betaling die mogelijk zag op het verkrijgen van seksueel getinte foto's en video's toen het meisje 15 jaar was.
Het bewijs bestond uit banktransacties, verklaringen van verdachte en het slachtoffer, en een politieonderzoek naar seksuele uitbuiting. De rechtbank oordeelde dat verdachte wettig en overtuigend schuldig was aan het hebben van seks tegen betaling met een minderjarige, zonder dat sprake was van vaginale penetratie. Verdachte had nagelaten zich te vergewissen van de leeftijd van het meisje, wat strafbaar is volgens artikel 248b Sr.
Bij de strafoplegging hield de rechtbank rekening met het aanzienlijke leeftijdsverschil, het aantal seksafspraken, en het feit dat verdachte spijt betuigde. De rechtbank legde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één dag op en een taakstraf van 230 uur. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van 750 euro immateriële schadevergoeding aan het slachtoffer, met wettelijke rente en de mogelijkheid van gijzeling bij niet-betaling.