ECLI:NL:RBZWB:2025:8751

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
02-283475-24
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schietincident met meerdere slachtoffers in Middelburg; beoordeling van opzet en noodweer

Op 10 december 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die op 31 augustus 2024 in [plaats 1] met een vuurwapen heeft geschoten op meerdere personen, waaronder [aangeefster] en [aangever]. De verdachte was ten tijde van het onderzoek preventief gedetineerd en werd bijgestaan door raadsman mr. H.M. Dunsbergen. De zaak werd inhoudelijk behandeld op 12 november 2025, waarbij de officier van justitie mr. J. Verschuren de aanklacht presenteerde. De tenlastelegging omvatte onder andere poging tot doodslag en het voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III. De rechtbank oordeelde dat de verdachte wettig en overtuigend schuldig was aan de feiten, waarbij het bewijs werd gebaseerd op getuigenverklaringen en forensisch onderzoek. De rechtbank concludeerde dat de verdachte opzettelijk heeft geschoten, waarbij hij de aanmerkelijke kans op de dood van de slachtoffers bewust heeft aanvaard. De verdediging voerde aan dat er sprake was van noodweer, maar de rechtbank verwierp dit argument. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaar en moest een schadevergoeding van € 6.278,37 betalen aan de benadeelde partij [aangeefster].

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-283475-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 10 december 2025
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting te [locatie] ,
raadsman mr. H.M. Dunsbergen, advocaat te Breda.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 12 november 2025, waarbij de officier van justitie mr. J. Verschuren en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
op 31 augustus 2024 in [plaats 1] met een vuurwapen heeft geschoten op [aangeefster] , [medeverdachte 1] , [aangever] en omstanders, ten laste gelegd in drie juridische varianten;
op 31 augustus 2024 in [plaats 1] een vuurwapen en munitie van categorie III voorhanden heeft gehad.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen ten aanzien van beide feiten. De verdediging heeft primair een alternatief scenario geschetst, te weten, kort gezegd, dat het [medeverdachte 1] was die bij dit schietincident met een vuurwapen met kaliber 7,65mm heeft geschoten. De resultaten van het schotrestenonderzoek sluiten hierbij aan. Dit moet leiden tot vrijspraak voor de feiten 1 en 2.
Subsidiair is aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag op [aangeefster] en [aangever] , omdat hiertoe het (voorwaardelijk) opzet ontbreekt.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
-
Ten aanzien van feit 1
Algemeen
De rechtbank overweegt allereerst dat het dossier verklaringen bevat van getuigen die door een familie- of vriendenband betrokken zijn bij verdachten in dit onderzoek. De rechtbank heeft geconstateerd dat enkele van die getuigenverklaringen in ieder geval op onderdelen niet overeenkomen met objectief (forensisch) bewijs. De rechtbank zal daarom behoedzaam omgaan met deze getuigenverklaringen en ze alleen voor het bewijs gebruiken voor zover ze worden ondersteund door ander bewijs. Zo heeft de rechtbank ook gekeken naar de verklaring van [getuige 1] . Deze verklaring acht de rechtbank betrouwbaar, nu deze op diverse punten ondersteund wordt door andere bewijsmiddelen, zoals hieronder is opgenomen.
Op 31 augustus 2024, tegen 16:30 uur, heeft in [straat 1] op het trottoir ter hoogte van [huisnummer 1] een schietpartij plaatsgevonden. Op het genoemde adres woont [aangeefster] , die in de achtertuin van haar woning op dat moment een kinderfeestje hield voor haar zoontje. Zij heeft verklaard dat de schietpartij plaatsvond op het moment dat zij samen met getuigen [getuige 1] en [getuige 2] en met verdachte, haar neef, op het trottoir voor haar woning stond te roken.
Bij de schietpartij is aangeefster door een kogel geraakt in haar linkerbovenbeen. Ook is een kogel terechtgekomen in de bovenkant van de raamstijl van de achterruit van een passerende auto, bestuurd door aangever en tevens getuige [aangever] .
De rechtbank zal de relevante bewijsmiddelen waarderen in die zin dat zal worden geoordeeld of die beter passen bij het scenario van de officier van justitie dat verdachte de schutter is die de kogels van het kaliber 7,65 mm heeft afgevuurd of bij het scenario van de verdediging dat dat [medeverdachte 1] was.
Wie stond waar op het moment dat werd geschoten?
In de eerste plaats is van belang om vast te stellen wie waar stond voor de woning aan [straat 1] [huisnummer 1] op het moment van de schietpartij.
Toen aangeefster, verdachte en getuigen [getuige 1] en [getuige 2] buiten stonden kwam er een grijze Seat aanrijden met daarin medeverdachten [medeverdachte 2] als bestuurder en [medeverdachte 1] als bijrijder. De auto stopte bij het trottoir ter hoogte van deze personen. [getuige 1] heeft verklaard dat ze zag dat verdachte op dat moment zijn schoudertasje pakte, dat opende en naar de auto liep. Ze heeft verklaard dat ze zag aan de manier hoe hij naar de auto liep, dat hij uit was op problemen. Omdat ze geen zin had in gezeur, liep ze op hem af en zag toen dat er een vuurwapen in zijn schoudertasje zat. [getuige 1] duwde verdachte daarom weg, maar hij liep verder.
Op dat moment wilde getuige [aangever] , die met zijn auto in [straat 2] reed in de richting van [straat 3] , de auto van [medeverdachte 2] passeren. Als objectieve getuige heeft hij de verklaring van [getuige 1] bevestigd in die zin dat hij zag dat er een man stond te praten met de inzittenden van de auto en dat er een vrouw naast de man stond die hem hard probeerde weg te trekken. Ze trok hem in de richting van de boom. Tijdens het verhoor door de rechter-commissaris heeft deze getuige op een plattegrond getekend waar de man stond voordat hij werd geduwd (positie A, bij de anderen op het trottoir), en waar hij stond nadat hij werd geduwd (positie B, bij de boom, gezien vanaf [straat 1] in de richting van de woning, rechts van de anderen). Deze positie komt overeen met de posities van de personen die [medeverdachte 1] heeft ingetekend op een plattegrond bij zijn verklaring van 6 september 2024, toen hij nog in beperkingen zat. Ter terechtzitting heeft verdachte bevestigd dat hij in de buurt van de boom stond.
Getuige [aangever] heeft verder verklaard dat op ongeveer hetzelfde moment dat de man werd weggetrokken, de bijrijder – [medeverdachte 1] – uit de auto stapte met een pistool in zijn hand. [medeverdachte 2] heeft gelijkluidend verklaard.
Gelet op de verklaringen van [getuige 1] en [medeverdachte 1] acht de rechtbank de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat het [medeverdachte 1] was die door [getuige 1] werd geduwd, niet aannemelijk.
Getuige [aangever] heeft verklaard dat hij snel wegreed op het moment dat hij het vuurwapen in de hand van de uitstappende bijrijder zag. Kort nadat hij was weggereden werd zijn auto geraakt door een kogel. Op de beelden van de deurbelcamera, gemaakt ter hoogte van [straat 3] [huisnummer 2] , zijn piepende banden te horen heel kort voordat de eerste knallen te horen zijn. Dit komt overeen met de verklaring van [medeverdachte 1] dat hij na het uitstappen uit de auto werd beschoten.
Hieruit volgt dat op het moment dat werd geschoten, verdachte bij de boom rechts van de anderen stond (gezien vanaf de straat en kijkend in de richting van de woning met [huisnummer 1] ) en dat [medeverdachte 1] bij zijn auto stond ter hoogte van de groep vrouwen.
Kogelhulzen bij de boom
Tijdens het sporenonderzoek op de plaats delict zijn vlakbij de genoemde boom vijf kogelhulzen aangetroffen van het kaliber 7,65 mm. De rechtbank gaat er op basis van het forensisch onderzoek aan deze hulzen vanuit dat de hulzen zijn verschoten met één en hetzelfde wapen.
[medeverdachte 1] had tijdens het incident twee wapens bij zich, te weten een werkende revolver van het merk Bruni van het kaliber .22 en een niet werkend gasdrukpistool. Hij heeft dit verklaard en beide wapens zijn in de woning van [medeverdachte 2] teruggevonden.
De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de vijf kogelhulzen niet afkomstig zijn van een vuurwapen dat door [medeverdachte 1] is gehanteerd.
De vindplaats van de vijf genoemde kogelhulzen past, gelet op de positie van verdachte op het trottoir, naar het oordeel van de rechtbank beter bij het scenario dat verdachte de 7,65 mm kogels heeft afgevuurd.
Het door de verdediging geschetste scenario dat de kogels werden afgevuurd door [medeverdachte 1] en dat de hulzen daarvan via het been van [getuige 1] alle vijf bij de boom terecht zijn gekomen acht de rechtbank op zichzelf al onaannemelijk. Daarbij komt dat [getuige 1] alleen in getapte telefoongesprekken tegen anderen heeft gesproken over het voelen van kogelhulzen tegen haar been. Hoewel de verdediging hieraan in verband met het geschetste alternatieve scenario kennelijk veel waarde hecht, heeft de verdediging eveneens bepleit dat de uitspraken van [getuige 1] in de getapte telefoongesprekken met een korrel zout genomen moeten worden, omdat zij waarschijnlijk wist dat zij werd getapt. Het is de rechtbank gelet op deze redenering niet duidelijk waarom de verdediging de uitspraken van [getuige 1] betreffende de kogelhulzen tegen haar been wel geloofwaardig acht.
[getuige 1] heeft tegenover de politie verklaard dat zij iets tegen haar rechterbeen voelde ketsen op het moment dat zij na de eerste 2 of 3 schoten wegrende in de richting van [straat 3] . Ze heeft verklaard dat ze vermoedde dat dit een huls is geweest. Uit het forensisch onderzoek is niet gebleken van een kogelhuls in de buurt van die plek. Als het inderdaad een huls geweest zou zijn die haar been heeft geraakt, wat niet zeker is, dan acht de rechtbank het niet heel waarschijnlijk dat die via het been van de wegrennende [getuige 1] helemaal bij de boom terecht is gekomen. Bovendien, als dit al zou zijn gebeurd, verklaart dat nog niet hoe de andere vier hulzen bij de boom terecht zijn gekomen als daar geen schutter stond, of als het [medeverdachte 1] was die vanaf zijn positie kogels van het kaliber 7,65 mm zou hebben afgevuurd.
Op twee van de vijf hulzen is het DNA aangetroffen van de broer van verdachte. Ook dit past beter bij het scenario dat verdachte de 7,65 mm kogels heeft afgevuurd dan bij het scenario dat [medeverdachte 1] dat heeft gedaan. Uit het dossier komt geen enkele connectie tussen [medeverdachte 1] en de broer van verdachte naar voren.
De kogels in het been van aangeefster en in de auto van getuige [aangever]
In het been van aangeefster en in de bovenkant van de raamstijl van de achterruit van de auto van getuige [aangever] zijn munitiedelen aangetroffen die qua massa en uiterlijk het beste passen bij het kaliber 7,65 mm Browning.
Toen aangeefster werd geraakt stond zij op het trottoir ter hoogte van de auto van [medeverdachte 2] . [aangever] heeft verklaard dat de kogel zijn auto raakte, nadat hij was weggereden, kort na de T-splitsing van [straat 1] en [straat 3] . Aangeefster en [aangever] bevonden zich dus niet in de schootsrichting van [medeverdachte 1] , die in de richting van verdachte bij de boom schoot, maar in de tegenovergestelde schootsrichting. Dat zij zijn geraakt past bij het scenario dat verdachte vanaf zijn positie bij de boom de 7,65mm kogels heeft afgevuurd in de richting van [medeverdachte 1] , en daarmee eveneens in de richting van aangeefster en [aangever] .
Vuurwapen gezien bij verdachte
[getuige 1] heeft verklaard dat zij een vuurwapen zag in de schoudertas van verdachte. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van [medeverdachte 1] dat verdachte met een vuurwapen in zijn richting schoot. Hij heeft verklaard dat hij dacht dat het vuurwapen een revolver was, omdat hij geen hulzen zag, maar heeft daarbij meteen opgemerkt dat hij dit niet zeker weet, omdat het zo snel ging. [medeverdachte 1] ’s verklaring bleek inderdaad niet te kloppen op dit punt, aangezien er wel kogelhulzen zijn aangetroffen bij de boom en er dus kennelijk niet met een revolver is geschoten. De rechtbank hecht aan deze onjuistheid in de verklaring van [medeverdachte 1] echter niet het belang dat de verdediging daaraan hecht, aangezien de rechtbank het aannemelijk acht dat de waarneming van [medeverdachte 1] door de hectiek van de situatie onjuist kan zijn geweest, zoals hij zelf ook al had aangegeven.
De rechtbank overweegt voorts dat [medeverdachte 1] heeft verklaard dat verdachte na de schietpartij in de richting van [straat 3] rende en dat hij achter verdachte aan rende. Dat strookt met de verklaring van [getuige 3] die ziet dat na de schietpartij enkele personen richting [straat 4] rennen. Aan [straat 4] woont [getuige 4] . Hij heeft verklaard dat hij die dag knallen hoorde, die leken op schoten. Toen hij de voordeur uitliep om te kijken wat er gebeurd was, liep er een man langs zijn woning met een pistool in zijn hand. Hij heeft een summiere omschrijving gegeven van de man die past bij verdachte. Kort daarna liep er een man langs zijn woning vanuit de richting van [straat 1] . De man leek hem Antilliaans, hij was licht getint en had zijn zwarte haar in dreads. Deze omschrijving past bij het uiterlijk van [medeverdachte 1] . De rechtbank gaat er, gelet op deze verklaringen en op het korte tijdsbestek tussen deze waarneming van [getuige 4] en het horen van de schoten, vanuit dat de eerste man die [getuige 4] zag, verdachte was en de tweede man [medeverdachte 1] .
De verdediging heeft aangevoerd dat de voorste man met het vuurwapen heel goed de schutter kan zijn geweest die later op [medeverdachte 1] heeft geschoten. De rechtbank volgt deze redenering niet nu uit het dossier blijkt dat deze schutter op de fiets was en na het schot ook weer op de fiets vertrok. Het dossier bevat geen enkele aanwijzing dat deze schutter lopend over [straat 4] is gekomen of gegaan.
In totaal hebben dus drie personen een vuurwapen bij verdachte gezien. Dit past eveneens beter bij het scenario dat het verdachte was die de kogelpatronen van het kaliber 7,65 mm afvuurde dan dat dat [medeverdachte 1] was.
Schotresten
De trui die verdachte droeg tijdens de schietpartij is onderzocht op schotresten. Er waren sterke aanwijzingen dat er schotrestdeeltjes op de mouwen van de trui aanwezig waren, maar die waren niet geschikt voor vergelijking met andere schotrestdeeltjes.
De handen van [medeverdachte 1] zijn eveneens bemonsterd. Er waren zeer sterke aanwijzingen dat er schotresten in de bemonstering aanwezig waren. Deze schotresten zijn vergeleken met de schotrestdeeltjes op onder meer de vijf hulzen van het kaliber 7,65 mm en de twee hulzen uit de revolver van [medeverdachte 1] van het kaliber .22. De schotresten op de handen van [medeverdachte 1] leken te bestaan uit twee aparte deelverzamelingen. De bevindingen van het forensisch onderzoek waren dat het iets waarschijnlijker is dat de schotresten op de handen van [medeverdachte 1] afkomstig waren van de vijf hulzen bij de boom (en/of een huls van hetzelfde kaliber die op een andere plaats was aangetroffen) dan van de hulzen uit zijn eigen revolver.
Onderzoek aan de schotrestenbemonstering van het t-shirt van [medeverdachte 1] leverde soortgelijke resultaten op.
Deze onderzoeksresultaten kunnen, anders dan door de verdediging betoogd, niet slechts leiden tot de conclusie dat [medeverdachte 1] degene was die kogels van het kaliber 7,65 mm heeft afgevuurd. Blijkens de ‘vakbijlage schotresten’ van het NFI, waarnaar in de rapportages wordt verwezen, kunnen er diverse oorzaken zijn voor het aantreffen van schotresten. Naast de oorzaak dat een persoon waarop schotresten aanwezig zijn de schutter is, is er ook nog de mogelijkheid dat een persoon of een object waarop schotresten aanwezig zijn tijdens of kort na het schot in de directe nabijheid van de schutter of de plek van het schot is geweest. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij en verdachte ongeveer 1,5 tot 2 meter van elkaar vandaan stonden toen zij in elkaars richting schoten. Gelet op deze korte afstand kunnen de onderzoeksresultaten ook verklaard worden door het feit dat [medeverdachte 1] in de directe nabijheid van de schutter en het schot is geweest.
De afwezigheid van voldoende schotresten op de trui van verdachte kan volgens genoemde vakbijlage onder meer worden verklaard door het verloren gaan van de schotresten voordat de bemonstering plaatsvond. Dit kan onder meer gebeuren door het wassen van kleding. Aangezien de onderzochte trui van verdachte pas op 14 september 2024 in beslag is genomen, twee weken na het schietincident, kan niet worden uitgesloten dat de trui tussentijds is gewassen.
Op zichzelf genomen zijn de resultaten van het schotrestenonderzoek dus niet exclusief ondersteunend voor één van de scenario’s.
Heeft [medeverdachte 1] een derde wapen verstopt in de woning van [getuige 1] ?
De verdediging heeft gesuggereerd dat [medeverdachte 1] de mogelijkheid had om het derde vuurwapen dat hij bij zich had, te weten een vuurwapen van het kaliber 7,65 mm, te verstoppen in de woning van zijn toenmalige vriendin, [getuige 1] . Hij zou dit volgens de verdediging kunnen hebben gedaan voordat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar de woning van [medeverdachte 2] gingen en een vriend gingen ophalen.
Uit de tijdlijn zoals opgenomen in het dossier komt naar voren dat dat niet kan kloppen. Volgens deze tijdlijn vielen de schoten om 16:27 uur. Op camerabeelden bij de woning van [medeverdachte 2] blijkt dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] daar om 16:34 uur aankwamen. Dat is zeven minuten na het schietincident. Aangezien uit de algemeen toegankelijke bron Google Maps volgt dat een autorit vanaf [straat 1] in [plaats 1] naar [plaats 2] elf minuten duurt, is het onmogelijk dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] na het schietincident eerst nog op en neer naar [plaats 2] zijn gereden alvorens naar de woning van [medeverdachte 2] te zijn gegaan. Alleen die autorit duurt immers al tweeëntwintig minuten.
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij na het bezoek aan de woning en het ophalen van de vriend naar de woning van [getuige 1] in [plaats 2] zijn gereden, omdat hij zich wilde omkleden. Die verklaring wordt ondersteund door het feit dat [medeverdachte 1] op de zojuist genoemde camerabeelden een zwart t-shirt draagt en bij zijn aanhouding een wit t-shirt. Dat hij kort in de woning is geweest – wat kan passen bij het wisselen van een t-shirt – kan worden afgeleid uit een tapgesprek tussen [getuige 1] en ene [naam] van 1 september 2024. Daarin zegt [naam] tegen [getuige 1] dat [medeverdachte 1] ‘op de cam’ gezien is en dat hij één minuut binnen is geweest – de rechtbank begrijpt uit het gesprek in de woning van [getuige 1] – ongeveer een half uur nadat ‘het’ – de rechtbank begrijpt het schietincident – gebeurd is.
Toen ze naar [plaats 2] reden had [medeverdachte 1] dus zijn revolver en gasdrukpistool al bij [medeverdachte 2] in de woning achtergelaten. Als hij daarnaast ook nog een vuurwapen van het kaliber 7,65 mm bij zich had gehad, zoals de verdediging heeft betoogd, dan ziet de rechtbank niet in waarom hij dát wapen niet eveneens daar zou hebben achtergelaten. In hetzelfde tapgesprek zegt [getuige 1] overigens tegen [naam] dat ze haar huis heeft gecheckt of er niks ligt. De rechtbank begrijpt, gelet op de context van het schietincident en de inhoud van het telefoongesprek, dat zij is nagegaan of er geen vuurwapen in haar woning lag die [medeverdachte 1] daar mogelijk zou hebben achtergelaten. [getuige 1] zegt vervolgens dat ze niks heeft gevonden.
Het ‘verstoppen van een derde wapen’ in het door de verdediging geschetste alternatieve scenario vindt gelet op het bovenstaande geen steun in het dossier.
Tussenconclusie
Op grond van hetgeen hierboven is overwogen is het alternatieve scenario dat [medeverdachte 1] heeft geschoten met een vuurwapen van het kaliber 7,65 mm onvoldoende aannemelijk geworden. Dit brengt met zich mee dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat het verdachte was die bij het schietincident met een dergelijk vuurwapen heeft geschoten.
Opzet
Verdachte heeft van korte afstand met een vuurwapen op vier personen, geschoten, te weten [medeverdachte 1] , [aangeefster] en de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] .
Daarbij was sprake van een ongecontroleerde, dynamische situatie waarbij niet alleen verdachte, maar ook [medeverdachte 1] in beweging was. In een dergelijke situatie is de kans dat een van de vier personen dodelijk getroffen wordt door de door verdachte afgevuurde kogels aanmerkelijk. Het is niet aan verdachte te danken dat niemand fataal is geraakt. Wel heeft één van de kogels [aangeefster] geraakt in haar linkerbovenbeen. Verdachtes gedragingen, in het bijzonder het meerdere malen van korte afstand schieten met een vuurwapen in de richting van de genoemde personen, kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer op de dood van die personen gericht dat het niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard. De rechtbank acht het onder 1 primair tenlastegelegde ten aanzien van die personen daarom wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van aangever/getuige [aangever] overweegt de rechtbank als volgt. Door op klaarlichte dag in een woonwijk op straat met een vuurwapen te schieten bestaat de aanmerkelijke kans dat daardoor willekeurige derden dodelijk worden geraakt. In deze zaak scheelde het maar weinig of aangever/getuige [aangever] was fataal geraakt. Het voertuig van aangever/getuige [aangever] is geraakt door een kogel die werd afgevuurd door verdachte. Het voertuig werd geraakt in de raamstijl aan de bovenzijde van de achterruit. Uit algemeen toegankelijke bron blijkt dat de hoogte van aangevers auto 1,47 meter is. De door de officier van justitie ingeschatte inslaghoogte van de kogel van 1,40 meter acht de rechtbank gelet hierop aannemelijk. Als de kogel iets lager was ingeslagen, in de achterruit, zou de kogel precies op hoofdhoogte van een volwassen inzittende de auto in zijn gekomen. Gelet op de baan van de kogel zoals in het dossier weergegeven, was het dan in het geheel niet ondenkbaar dat aangever door die kogel in het hoofd zou zijn geraakt.
Verdachtes gedragingen kunnen, gelet op de hierboven geschetste omstandigheden, naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van willekeurige derden op straat, en daarmee ook op de dood van [aangever] dat het niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg eveneens bewust heeft aanvaard.
Conclusie
De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en daarmee ook het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1. primair
op 31 augustus 2024 te [adres]
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangeefster] en
[medeverdachte 1] en [aangever] en één of meer aldaar aanwezige personen
opzettelijk van het leven te beroven,
meermalen met één vuurwapen op en/of in de richting van
die [aangeefster] en [medeverdachte 1] en [aangever] en één of meer
aldaar aanwezige personen heeft geschoten,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2
op 31 augustus 2024 te [adres] één vuurwapen en munitie van categorie III
Voorhanden heeft gehad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

5.1.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangaande feit 1 aangevoerd dat verdachte zich noodzakelijk heeft moeten verdedigen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanval door [medeverdachte 1] , die op hem begon te schieten. Als daar door verdachte vervolgens op zou zijn teruggeschoten is dat proportioneel en subsidiair. Verdachte dient daarom te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
5.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangevoerd dat een noodweersituatie niet aannemelijk is geworden, omdat verdachte aanvallend handelde, gericht op het aangaan van een gewapende confrontatie, en niet verdedigend. Hem komt daarom geen beroep op noodweer toe.
5.3.
Het oordeel van de rechtbank
Voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Van een ogenblikkelijke aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De enkele vrees/angst voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd, zodanig bedreigend zijn voor verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht.
Gelet op de bewijsmiddelen in het dossier ten aanzien van feit 1 lijkt het aannemelijk dat verdachte als eerste begon met schieten. Uit de verklaringen van de getuigen [aangever] en [getuige 1] volgt dat verdachte en [medeverdachte 1] gelijktijdig de confrontatie met elkaar zochten, waarbij beiden een gebruiksklaar vuurwapen voorhanden hadden en dat wapen ook trokken en er vervolgens in een tijdsbestek van circa twee seconden een schotenwisseling plaatsvond. Aan beide kanten is onder de gegeven omstandigheden dan ook geen sprake van verdedigend handelen en daarmee ook niet van een noodweersituatie. Een beroep op noodweer of noodweerexces kan daarom niet slagen.
Er zijn geen overige feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van zeven jaar, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd oplegging van de maatregel ex artikel 38v Sr, inhoudende een contactverbod met alle verdachten in dit onderzoek met een proeftijd van twee jaar, en twee weken hechtenis per overtreding.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft gewezen op de mitigerende werking van de voorlopige hechtenis en heeft verzocht daarmee rekening te houden bij de bepaling van de strafmaat indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt. De verdediging heeft tevens gewezen op het reclasseringsrapport, in het bijzonder op de geadviseerde bijzondere voorwaarden.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
-
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag op [aangeefster] , [medeverdachte 1] , [aangever] en omstanders door met een vuurwapen op hen te schieten op klaarlichte dag op de openbare weg. De rechtbank rekent dit verdachte zeer zwaar aan en neemt daarin mee dat verdachte het blijkbaar acceptabel vindt om met een gebruiksklaar vuurwapen naar een kinderfeestje bij zijn nicht, aangeefster, te gaan. Dit geeft blijk van een grote mate van onverantwoordelijkheid, van onverschilligheid aangaande andermans belangen en van een totaal gebrek aan inzicht in wat sociaal-maatschappelijk gezien aanvaardbaar of normaal is. Dat hij vervolgens een conflict heeft opgezocht met [medeverdachte 1] en daarbij zonder enige terughoudendheid dat vuurwapen meteen heeft gebruikt onderstreept dit. Door zijn handelen heeft hij niet alleen zijn nicht ernstig verwond en andere omstanders en passanten in gevaar gebracht, maar tevens dat wat een kinderfeestje had moeten zijn, veranderd in een drama, niet in het minst voor de daar aanwezige kinderen. De rechtbank zal deze omstandigheden in strafverzwarende zin meewegen bij de bepaling van de strafmaat.
Het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen mee en leidt tot gevoelens van onveiligheid in de maatschappij.
Dit laatste geldt met name in [plaats 1] nu zich in deze stad de laatste tijd relatief veel schietincidenten voordoen. Vanaf 12 september 2024 zijn daarom delen van [plaats 1] aangemerkt als veiligheidsrisicogebied met als doel om geweldsincidenten in de stad waarbij een wapen wordt gebruikt terug te dringen. Het veiligheidsrisicogebied blijft aangewezen tot maart 2026. Verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan het instellen van deze maatregel.
In dit geval heeft het genoemde risico zich ook verwezenlijkt. Verdachte heeft zijn nicht met een kogel geraakt, waardoor zij letsel heeft opgelopen aan haar bovenbeen dat nog steeds niet volledig is genezen. Blijkens haar slachtofferverklaring heeft het schietincident een heel grote impact op haar leven gehad, niet alleen lichamelijk, maar ook geestelijk.
Het is niet aan enig handelen van verdachte te danken dat niet ook [aangever] , een willekeurige voorbijganger, door een kogel werd geraakt. Als de kogel enkele centimeters lager in de achterruit van zijn auto terecht was gekomen was de kans daarop groot geweest. Dat niet ook [medeverdachte 1] door een kogel van verdachte werd geraakt kan, gelet op de korte afstand die zij van elkaar stonden, niet anders worden aangeduid dan als puur geluk.
-
De persoonlijke omstandigheden
Uit het strafblad van verdachte van 21 augustus 2025 komt naar voren dat verdachte al op zeer jonge leeftijd met politie en justitie in contact is gekomen en dat hij sindsdien verschillende malen is veroordeeld wegens diverse geweldsdelicten. Op deze strafbare feiten is door de jaren heen gereageerd met de oplegging van verschillende soorten straf en begeleidings- en behandeltrajecten, zowel in het jeugdstrafrecht als in het volwassenenstrafrecht. Dit heeft er echter niet toe geleid dat verdachte geen strafbare feiten meer pleegt. Hoewel de frequentie van veroordelingen de laatste tijd is afgenomen, lijkt de ernst van de feiten toe te nemen, aangezien er nu ook vuurwapens bij betrokken zijn. De rechtbank zal hiermee bij de bepaling van de strafmaat in negatieve zin rekening houden.
Reclassering Nederland heeft in het adviesrapport van 30 oktober 2025 naar voren gebracht
Dat verdachte een problematische opgroeisituatie met onvoldoende veiligheid en pro-sociale
voorbeeldfiguren kent.
Verdachte staat volgens de reclassering open voor begeleiding en gesprekken met een psycholoog, hetgeen het risico op recidive vermindert. De reclassering vermoedt dat er een gemiddelde kans is op het onttrekken aan voorwaarden, omdat verdachte in het verleden afspraken niet nakwam. De reclassering is van mening dat verdachte desondanks opnieuw een kans moet krijgen. Om die reden heeft de reclassering geadviseerd een deels voorwaardelijke straf aan betrokkene op te leggen met bijzondere voorwaarden.
De rechtbank overweegt dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat het niet zomaar iets is wat er is gebeurd, doelend op het schietincident, en dat het ernstig is wat zijn nicht is overkomen, waarmee hij enig inzicht lijkt te tonen in de ernst van hetgeen is voorgevallen. De afbeeldingen en video’s die zijn aangetroffen op de telefoon van verdachte en die zijn aangemaakt enkele dagen na het schietincident waarop verdachte met vuurwapens in zijn handen is te zien, geven echter een ander, zorgelijk beeld.
-
De strafoplegging
De rechtbank overweegt ambtshalve dat sprake is van eendaadse samenloop tussen de bewezenverklaarde feiten.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Alles in overweging nemende acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf van zeven jaar passend en geboden passend en geboden. Daarbij is geen ruimte voor een voorwaardelijk strafdeel. Voor de gevorderde maatregel ex artikel 38v Sr ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7.De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [aangeefster] vordert een schadevergoeding van € 6.278,37 voor
feit 1, te weten € 278,37 wegens geleden materiële schade en € 6.000,- wegens immateriële schade.
7.1.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich aangaande de vordering van de materiële schadevergoeding gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding heeft de verdediging naar voren gebracht dat [medeverdachte 1] een rol had in het ontstaan van de schietpartij, maar dat de vordering niet tevens ook aan hem is gericht. In verband hiermee heeft de verdediging verzocht de hoogte van de immateriële schade te matigen.
7.2.
Het oordeel van de rechtbank
-
Ten aanzien van de materiële schade
De rechtbank heeft hiervoor bewezen verklaard dat verdachte de feiten heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld ten aanzien van de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
De door de benadeelde gevorderde materiële schade is voldoende onderbouwd en dit deel van de schade is door de verdediging niet betwist. De gevorderde materiële schade is daarmee voldoende komen vast te staan zodat die schade zal worden toegewezen.
-
Ten aanzien van de immateriële schade
Uit de onderbouwing volgt dat de benadeelde als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, nu zij fysiek en psychisch letsel heeft opgelopen. Het opgelopen letsel is voldoende onderbouwd. Gelet op de aard en ernst van het letsel en de omstandigheid dat nog steeds geen sprake is van volledig herstel, acht de rechtbank het gevorderde bedrag billijk. De rechtbank zal de immateriële schade daarom op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b BW in zijn geheel toewijzen.
Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de vordering van in totaal
€ 6.278,37 in zijn geheel wordt toegewezen.
De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 31 augustus 2024.
De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 55, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
eendaadse samenloop van
feit 1 primair:poging tot doodslag, meermalen gepleegd;
en
feit 2:handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, strafbaar gesteld bij artikel 55 lid 3 onder a van de Wet wapens en munitie,
en
handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55 lid 1 van de Wet wapens en munitie;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 7 (zeven) jaren;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Benadeelde partij [aangeefster]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van
€ 6.278,37 (zesduizendtweehonderdachtenzeventig euro en zevenendertig cent) waarvan € 278,37 (tweehonderdachtenzeventig euro en zevenendertig cent) aan materiële schadevergoeding en € 6.000,- (zesduizend euro) aan immateriële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente,
vanaf
31 augustus 2024tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat,
ten behoeve van het slachtoffer
[aangeefster] , € 6.278,37 (zesduizendtweehonderdachtenzeventig euro en zevenendertig cent) te betalen (feit 1),
waarvan € 278,37 (tweehonderdachtenzeventig euro en zevenendertig cent) aan materiële schadevergoeding en € 6.000,- (zesduizend euro) aan immateriële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente,
vanaf 31 augustus 2024tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling
66 (zesenzestig) dagengijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. N. van der Ploeg-Hogervorst, voorzitter,
en mr. D.L.J. Martens en L.W. Boogert, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.J. Moggré-Hengst, griffier, en is uitgesproken ter de openbare zitting op 10 december 2025.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 31 augustus 2024 te [plaats 1]
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s)
voorgenomen misdrijf om [aangeefster] en/of [medeverdachte 1] en/of [aangever]
[aangever] en/of één of meer aldaar aanwezige perso(o)n(en)
opzettelijk van het leven te beroven,
meermalen met één of meer vuurwapen(s) op en/of in de richting van
die [aangeefster] en/of [medeverdachte 1] en/of [aangever] en/of één of meer
aldaar aanwezige perso(o)n(en) heeft geschoten,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art
47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling
mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 31 augustus 2024 te [plaats 1]
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s)
voorgenomen misdrijf om aan [aangeefster] en/of [medeverdachte 1] en/of
[aangever] en/of één of meer aldaar aanwezige perso(o)n(en)
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
meermalen met één of meer vuurwapen(s) op en/of in de richting van
die [aangeefster] en/of [medeverdachte 1] en/of [aangever] en/of één of meer
aldaar aanwezige perso(o)n(en) heeft geschoten,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht,
art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een
veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 31 augustus 2024 te [plaats 1] ,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
[medeverdachte 1] en/of [aangever] en/of één of meer aldaar
aanwezige perso(o)n(en) heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door meermalen met een vuurwapen op en/of in de richting van die
[medeverdachte 1] en/of [aangever] en/of één of meer aldaar aanwezige
perso(o)n(en) te schieten;
( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 31 augustus 2024 te [plaats 1]
één of meer (vuur)wapen(s) en/of munitie van categorie III voorhanden
heeft gehad;
( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )