ECLI:NL:RBZWB:2025:8757

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
02-320583-24
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak van schietpartij met onvoldoende bewijs tegen verdachte

Op 10 december 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van het schieten op meerdere personen op 31 augustus 2024 in [plaats]. De verdachte, geboren in 2004 en ten tijde van de zitting preventief gedetineerd, werd bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.E. Broekert. De zaak werd inhoudelijk behandeld op 12 november 2025, waarbij de officier van justitie, mr. J. Verschuren, en de verdediging hun standpunten naar voren brachten. De tenlastelegging omvatte onder andere het schieten op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie, en het bezit van hennep. De rechtbank oordeelde dat de bewijslast voor de beschuldigingen niet voldoende was om tot een veroordeling te komen. De rechtbank concludeerde dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs was dat de verdachte de schutter was, en sprak hem vrij van de onder 1 ten laste gelegde feiten. Wel werd de verdachte schuldig bevonden aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en het bezit van hennep, waarvoor een gevangenisstraf van 12 maanden werd opgelegd, waarvan 4 maanden voorwaardelijk. De rechtbank legde ook bijzondere voorwaarden op, waaronder een meldplicht bij de reclassering en een locatiegebod met elektronische monitoring. De beslissing is gebaseerd op de artikelen van het Wetboek van Strafrecht en de Wet wapens en munitie.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-320583-24
Parketnummer TUL: 02-041860-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 10 december 2025
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres 1] ,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [locatie] ,
raadsvrouw mr. M.E. Broekert, advocaat te Breda.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 12 november 2025, waarbij de officier van justitie mr. J. Verschuren en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
1: op 31 augustus 2024 in [plaats] , al dan niet samen met anderen, heeft geschoten op [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en andere aanwezige personen, ten laste gelegd in drie juridische varianten;
2: op 31 augustus 2024 en op 22 november 2024 in [plaats] een vuurwapen en munitie voorhanden had;
3: op 22 november 2024 in [plaats] 193,8 gram hennep aanwezig had.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten 1 primair, 2 en 3 heeft begaan. Ten aanzien van feit 1 primair heeft hij vrijspraak gevorderd van de poging tot doodslag op [slachtoffer 2] .
4.2.
Het standpunt van de verdediging
-
Ten aanzien van feit 1
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 1 ten laste gelegde feit en heeft daarom vrijspraak bepleit. Verdachte heeft steeds ontkend dat hij de schutter op de fiets was. Op basis van de door [slachtoffer 1] en [getuige] gegeven signalementen van deze schutter is door de politie opgeschreven dat alleen fietser NN6 aan die signalementen voldoet. De herkenning door een verbalisant van fietser NN6 als verdachte is onbetrouwbaar, nu ten aanzien van alle elementen die van belang zijn voor een betrouwbare herkenning mankementen te benoemen zijn. Ook de herkenning door [slachtoffer 1] van NN6 als de schutter aan de hand van foto’s in het dossier is onbetrouwbaar, omdat deze herkenning plaatsvond na kennisneming van het dossier en de daarin door de politie opgenomen gevolgtrekking dat NN6 de schutter op de fiets moet zijn geweest. Deze herkenning komt eigenlijk neer op een enkelvoudige fotoconfrontatie, waarvan bekend is dat deze een zwakke bewijskracht heeft.
-
Ten aanzien van feit 2
De verdediging heeft, gelet op het verweer aangaande feit 1, vrijspraak bepleit voor het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie op 31 augustus 2024.
-
Ten aanzien van feit 3
De verdediging heeft zich ten aanzien van dit feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
-
Ten aanzien van feit 1
Op 31 augustus 2024 heeft in de [straat 1] in [plaats] ter hoogte van [huisnummer] een schietpartij plaatsgevonden ten aanzien waarvan medeverdachten [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [medeverdachte] als verdachte zijn aangemerkt. Na deze schietpartij is [slachtoffer 1] weggerend in de richting van de [straat 2] . Op de kruising van de [straat 1] met de [straat 2] werd korte tijd later door een jongen op een fiets met een vuurwapen in de richting van [slachtoffer 1] geschoten, die op dat moment in de auto, een grijze Seat, van [slachtoffer 2] wilde stappen.
[slachtoffer 1] heeft bij zijn verhoor door de politie op 6 september 2024 de schutter als volgt omschreven:
  • Jonge jongen, ongeveer 16 tot 20 jaar oud
  • Een beetje lang
  • Licht getint
  • Plat kapsel, dus met het haar naar voren gekamd.
Later op 28 mei 2025 bij verhoor door de rechter-commissaris heeft [slachtoffer 1] dit signalement aangevuld door te verklaren dat de jongen op de fiets een hoodie en een broek droeg en deel uitmaakte van een groep van 5 fietsers.
[getuige] heeft de schutter ook gezien. In de [straat 1] zag hij dat er een jongen op een fiets reed met een grijs vest met een capuchon op. De jongen had een zwart pistool in zijn hand en schoot in de richting van een grijze auto in de [straat 1] , terwijl er op dat moment een persoon in de auto stapte. De jongen op de fiets reed weg in de richting van de [straat 2] .
Op beelden van een camera geplaatst ter hoogte van [adres 2] zijn 5 knallen te horen, gevolgd door 1 knal ongeveer twee minuten later. De rechtbank gaat ervan uit dat deze knallen de schoten betreffen gelost bij de schietpartij ter hoogte van [adres 3] gevolgd door het schot dat door de jongen op de fiets is gelost.
Op camerabeelden is te zien dat vrijwel meteen na de schietpartij bij de woning in de [straat 1] een groep jongeren die bij elkaar zat op [straat 3] , in beweging komt en zich snel in de richting van de [straat 1] beweegt. Drie van hen zijn te voet, en drie stappen op een fiets. De personen op de fiets zijn in het dossier aangemerkt als NN1, NN4 en NN6.
In het onderzoek is ervan uit gegaan dat één van deze drie fietsers de jongen op de fiets was die in de richting van [slachtoffer 1] en de grijze auto heeft geschoten. De politie komt tot het vermoeden dat NN6 de schutter moet zijn geweest, aangezien van de drie fietsers alleen fietsers NN1 en NN6 aan het signalement voldoen voor wat betreft het dragen van een grijs vest en NN1 door zijn opvallende haardos niet voldoet aan de omschrijving van de haardracht gegeven door [slachtoffer 1] . Een verbalisant heeft verdachte herkend als NN6, zodat hij vervolgens als verdachte van het schieten op [slachtoffer 1] en de grijze auto is aangemerkt.
Was NN6 de schutter op de fiets?
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat NN6 daadwerkelijk de schutter op de fiets is geweest. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
In het onderzoek lijkt geen rekening te zijn gehouden met de mogelijkheid dat de schutter op de fiets geen deel uitmaakte van de groep die vanaf [straat 3] richting [straat 1] bewoog.
De door [slachtoffer 1] en [getuige] gegeven signalementen van de schutter zijn zeer summier.
Op geen van de stills van de camerabeelden op pagina 442, 445 en 475 is te zien dat NN6 een grijs vest draagt. Hij draagt een zwarte, althans heel donkerkleurige, jas. Op de foto op pagina 475 is in de capuchon van de jas een lichtkleurig stukje stof zichtbaar, mogelijk een capuchon van een vest of een hoodie, gedragen onder de jas. Dit is onvoldoende om NN6 aan te kunnen merken als een persoon met een grijs vest. Daar komt bij dat op geen van de foto’s in het dossier het haar van NN6 goed genoeg te zien is om vast te kunnen stellen dat sprake is van naar voren gekamd haar, zoals door [slachtoffer 1] omschreven. De overige onderdelen van het signalement door [slachtoffer 1] gegeven, te weten beetje lang, licht getint en jong, zijn onvoldoende onderscheidend om op basis daarvan NN6 aan te merken als de schutter op de fiets.
De rechtbank komt tot de conclusie dat onvoldoende is komen vast te staan dat NN6 de schutter op de fiets is geweest.
De omstandigheid dat NN6 door een verbalisant wordt herkend als verdachte is daarmee irrelevant.
De herkenning van NN6 door een verbalisant als zijnde verdachte en het gegeven dat verdachte op 22 november 2024 is aangehouden met op zak een vuurwapen dat mogelijk is gebruikt door de schutter op de fiets, maakt dit niet anders. Immers, indien aangenomen wordt dat verdachte degene was aangeduid als NN6 en dat het bij verdachte aangetroffen vuurwapen gebruikt is op 31 augustus 2024, kan op basis daarvan nog niet vastgesteld worden dat verdachte de schutter op de fiets moet zijn geweest.
De rechtbank zal verdachte daarom vrij spreken van de onder 1 ten laste gelegde feiten.
-
Ten aanzien van feit 2
Gelet op hetgeen ten aanzien van feit 1 is overwogen zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie op 31 augustus 2024.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
2
op 22 november 2024 te [plaats] één vuurwapen
en munitie van categorie III, te weten een pistool merk Blow en
kogelpatronen, voorhanden heeft gehad.
3
op 22 november 2024 te [plaats] , opzettelijk aanwezig
heeft gehad een hoeveelheid van 193,8 gram hennep,
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn/haar strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen voor feit 1, 2 en 3 een gevangenisstraf van 4,5 jaar met aftrek van voorarrest, alsmede de maatregel van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende een contactverbod met de medeverdachten met een proeftijd van twee jaar en een vervangende hechtenis van 2 weken per overtreding.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft, gelet op de bepleite vrijspraken, verzocht te volstaan met een straf die gelijk is aan het voorarrest of een deels voorwaardelijke straf op te leggen met de geadviseerde bijzondere voorwaarden.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
-
De ernst van de feiten
Bij de aanhouding van verdachte is in zijn jas een functionerend, geladen vuurwapen aangetroffen. Bij de daarop volgende doorzoeking van zijn woning zijn zakjes met hennep en hasj gevonden.
Het illegaal bezit van vuurwapens vormt een onaanvaardbaar risico en een bedreiging voor de veiligheid van personen in de samenleving. Dit risico heeft zich in [plaats] al meermalen verwezenlijkt, waarna vanaf 12 september 2024 het “Middengebied en Centrum” van [plaats] is aangewezen als veiligheidsrisicogebied met het doel om geweldsincidenten in de stad waarbij een vuurwapen of steekwapen wordt gebruikt terug te dringen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zelfs onder die omstandigheden nog een geladen vuurwapen bij zich droeg.
Softdrugs vormen een gevaar voor de volksgezondheid en daarnaast is het gebruik ervan bezwarend voor de samenleving onder andere vanwege de daarmee gepaard gaande door verslaafden gepleegde criminaliteit.
-
De persoonlijke omstandigheden
Uit het strafblad van verdachte van 21 augustus 2025 blijkt dat verdachte sinds zijn zestiende jaar met enige regelmaat in contact is gekomen met politie en justitie. Op
28 augustus 2024 is verdachte door de politierechter voor exact dezelfde soort strafbare feiten veroordeeld als thans bewezenverklaard. Van de opgelegde straf – een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden (meldplicht en ambulante behandeling), in combinatie met een taakstraf – is kennelijk een onvoldoende preventieve werking uitgegaan, aangezien verdachte bijna drie maanden later, in de proeftijd van de voorwaardelijk opgelegde straf, alweer de bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd. De rechtbank zal hiermee bij de bepaling van de strafmaat in negatieve zin rekening houden.
Reclassering Nederland heeft in het adviesrapport van 31 maart 2025 naar voren gebracht dat er risicofactoren zijn gesignaleerd op het gebied van huisvesting, sociaal netwerk, psychosociaal functioneren en houding. Positief is dat verdachte staat ingeschreven voor een EMDR traumabehandeling waar hij gemotiveerd voor is. Het recidivegevaar wordt ingeschat als gemiddeld tot hoog. De reclassering heeft geadviseerd een deels voorwaardelijke straf op te leggen waarbij als bijzondere voorwaarden worden gesteld:
  • Een meldplicht bij de reclassering
  • Ambulante behandeling
  • Het meewerken aan diagnostiek, delictanalyse en een eventueel daaruit voortvloeiende behandeling door Forensische Zorg Zeeland
  • Een contactverbod met de medeverdachten, slachtoffers en familieleden van slachtoffers in deze zaak
  • Een locatieverbod en een locatiegebod, allebei met controle door middel van elektronische monitoring (enkelband)
  • Het meewerken aan controle op het gebruik van alcohol en drugs.
-
Strafoplegging
Gelet op hetgeen hierboven is overwogen en op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd is de rechtbank van oordeel dat gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar passend en geboden is. Gelet op het strafblad van verdachte en het adviesrapport van de reclassering acht de rechtbank het noodzakelijk dat bij het voorwaardelijke strafdeel de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden gesteld met uitzondering van het contactverbod en het locatieverbod. De rechtbank ziet hiervoor in verband met de vrijspraak voor feit 1 onvoldoende grond. Datzelfde geldt voor de door de officier van justitie gevorderde maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht.

7.Het beslag

De inbeslaggenomen wapens, munitie en drugs worden onttrokken aan het verkeer. De voorwerpen zijn hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om die voorwerpen te onttrekken aan het verkeer, omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet, de onder 2 en 3 bewezen feiten met betrekking tot voornoemde voorwerpen zijn begaan en/of de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke feiten

8.De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van 87 dagen die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank van
28 augustus 2024 ten uitvoer zal worden gelegd.
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbare feiten en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. De rechtbank zal hiertoe echter niet besluiten omdat de duur van het voorarrest de duur van het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf in de hoofdzaak overschrijdt.
De rechtbank acht daarentegen wel verlenging van de proeftijd met een jaar op zijn plaats.

9.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36b, 36d en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, en de artikelen 3, 11 en 13a van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10.Beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
-
spreekt verdachte vrijvan de onder 1 ten laste gelegde feiten;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 2:handelen in strijd met artikel 26, lid 1, van de Wet wapens en munitie en het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, strafbaar gesteld bij artikel 55, lid 3, onder a, van de Wet wapens en munitie;
en
handelen in strijd met artikel 26, lid 1, van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, lid 1, van de Wet wapens en munitie;
feit 3:opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 11 lid 2 van de Opiumwet;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden, waarvan
4 (vier) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als
bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij reclassering
* dat verdachte zich binnen 3 dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij [persoon] van Reclassering Nederland op het [verblijfadres] of telefonisch op [telefoonnummer] . Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
Ambulante behandeling
* dat verdachte zich laat behandelen door [praktijk] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
Diagnostiek en delictanalyse; voortvloeiende behandeling
* dat verdachte zich diagnostisch laat onderzoeken en meewerkt aan het opstellen van een delictanalyse en een eventueel daaruit voortvloeiende behandeling door FZZ of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
Locatiegebod (met elektronische monitoring)
* dat verdachte gedurende de periode van het toezicht op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig is op het verblijfadres. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met betrokkene en mede afhankelijk van de dagbesteding. Bij de start hoeft verdachte op doordeweekse dagen met dagbesteding een aaneengesloten blok van 12 uur niet op het verblijfadres te zijn. Op dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling is dat 2 uur. In de weekenden heeft verdachte een aaneengesloten blok van 4 uur per dag vrij te besteden.
Verdachte werkt mee aan elektronische monitoring op dit locatiegebod. Het huidige verblijfadres is
[adres 1]. Een ander adres voor het locatiegebod is
alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft.
Verdachte gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de elektronische monitoring nodig is dat betrokkene in Nederland blijft. Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering de genoemde bloktijden veranderen of het locatiegebod laten vervallen;
Meewerken aan middelencontrole
* dat verdachte meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;
Daarbij gelden van rechtswege de navolgende algemene voorwaarden:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde/voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- bepaalt dat verdachte zich onder elektronisch toezicht zal stellen ter nakoming van de hiervoor genoemde bijzondere voorwaarde/voorwaarden;
Beslag
- verklaart aan het verkeer onttrokken het/de volgende voorwerp/voorwerpen:
* 1 BUS Pepperspray (voorwerpnummer PL2000-2024223478-G2796836)
* 1 STK Wapen (voorwerpnummer PL2000-2024223478-G2796783, Blow)
* 1 STK Patroonhouder (voorwerpnummer PL2000-2024223478-G2796784, zwart)
* 3 STK Munitie (voorwerpnummer PL2000-2024223478-G2796794)
* 1 STK Wapen (voorwerpnummer PL2000-2024223478-G2796789, zwart, merk: Glock)
* 1 STK Munitie (voorwerpnummer PL2000-2024223478-G2796790)
* 1 STK Patroonhouder (voorwerpnummer PL2000-2024223478-G2796791)
* 2 STK Munitie (voorwerpnummer PL2000-2024223478-G2796793)
* 1 STK hennep, 29,1 gram (voorwerpnummer PL2000-2024223478-2796802)
* 1 STK hennep, 18,1 gram (voorwerpnummer PL2000-2024223478-2796820)
* 1 STK hennep, 146,6 gram (voorwerpnummer PL2000-2024223478-2796822)
* 1 STK hashish 0,6 gram (voorwerpnummer PL2000-2024223478-2796832)
Vordering tenuitvoerlegging
- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af, maar verlengt de proeftijd met één jaar.
Dit vonnis is gewezen door mr. mr. N. van der Ploeg-Hogervorst, voorzitter,
en mrs. mr. D.L.J. Martens en L.W. Boogert, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. mr. A.J. Moggré-Hengst, griffier, en is uitgesproken ter de openbare zitting op 10 december 2025.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 31 augustus 2024 te [plaats]
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s)
voorgenomen misdrijf om en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of
en/of één of meer aldaar aanwezige perso(o)n(en) opzettelijk van het
leven te beroven,
meermalen met één of meer vuurwapen(s) op en/of in de richting van
die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of één of meer aldaar aanwezige
perso(o)n(en) heeft geschoten,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art
47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling
mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 31 augustus 2024 te [plaats]
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s)
voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of
één of meer aldaar aanwezige perso(o)n(en) opzettelijk zwaar
lichamelijk letsel toe te brengen,
meermalen met één of meer vuurwapen(s) op en/of in de richting van
die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of één of meer aldaar aanwezige
perso(o)n(en) heeft geschoten,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht,
art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een
veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 31 augustus 2024 te [plaats] ,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of één of meer aldaar aanwezige
perso(o)n(en) heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door meermalen met een vuurwapen op en/of in de richting van die
[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of één of meer aldaar aanwezige
perso(o)n(en) te schieten;
( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 31 augustus 2024 te [plaats]
één of meer (vuur)wapen(s) en/of munitie van categorie III voorhanden
heeft gehad, en/of
hij op of omstreeks 22 november 2024 te [plaats] één vuurwapen
en/of munitie van categorie III, te weten een pistool merk Blow en/of
één of meer kogelpatro(o)n(en), voorhanden heeft gehad,
( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )
3
hij op of omstreeks 22 november 2024 te [plaats] , opzettelijk aanwezig
heeft gehad een hoeveelheid van 193,8 gram hennep, zijnde hennep,
(een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
( art 11 lid 2 Opiumwet, art 3 ahf/ond C Opiumwet )