4.3.2.De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
-
Ten aanzien van feit 1
Op 31 augustus 2024 vond een schietpartij plaats voor de woning aan [adres 2] te [plaats 1] . Medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] waren daarbij als schutters betrokken. Verdachte was die middag met [medeverdachte 1] in zijn auto naar de woning gereden, alwaar enkele personen op het trottoir stonden, waaronder één man, naar later bleek [medeverdachte 2] . Kort nadat [medeverdachte 1] uit de auto was gestapt, vond de schietpartij plaats.
Verdachte heeft hierover op 28 mei 2025 tegenover de rechter-commissaris het volgende verklaard. Hij zag dat [medeverdachte 1] bij het uitstappen uit de auto een zwart vuurwapen in zijn rechterhand had. Hij wist op dat moment niet of dat een echt wapen of een nepwapen was. [medeverdachte 1] en de man op het trottoir spraken kort met elkaar, waarna ze volgens verdachte op elkaar hebben geschoten. Hij heeft dat niet gezien, maar wel gehoord. Na het schieten rende de andere man weg, waarna [medeverdachte 1] kort achter hem is aangerend. Verdachte is toen weggereden, maar even later teruggekeerd, waarna hij verdachte [medeverdachte 1] liet instappen in zijn auto. Terwijl dat gebeurde werd er door een jongen op een fiets op [medeverdachte 1] geschoten. Daarna is verdachte met [medeverdachte 1] hard weggereden.
Gelet op deze verklaring heeft verdachte tenminste voorwaardelijk opzet gehad op begunstiging. Hij heeft [medeverdachte 1] immers uit zijn auto zien stappen met een vuurwapen in zijn hand, waarna [medeverdachte 1] en de andere man volgens hem op elkaar hebben geschoten. Verdachte moet dus hebben geweten dat [medeverdachte 1] door zijn handelen kon worden aangemerkt als verdachte van enig misdrijf, mogelijk poging tot moord c.q. doodslag, poging tot zware mishandeling of bedreiging. Door onder die omstandigheden verdachte in zijn auto te laten stappen en weg te voeren van de (mogelijke) plaats delict heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [medeverdachte 1] hielp bij het ontkomen aan de nasporing van of aanhouding door de politie.
Verdachte en [medeverdachte 1] zijn daarna naar de woning van verdachte gereden met het idee om daarna door te rijden naar [plaats 2] . Het door [medeverdachte 1] gebruikte vuurwapen is later die dag door de politie aangetroffen in een lade van het tv-meubel in de woning van verdachte samen met een gasdrukpistool dat [medeverdachte 1] die dag ook bij zich droeg. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij tegen verdachte heeft gezegd dat hij de wapens bij verdachte zou leggen, omdat hij er niet mee naar [plaats 2] wilde rijden.
Verdachte bevestigt in zijn verklaringen bij de politie dat [medeverdachte 1] tegen hem zei, dat hij ‘die dinge’ – verdachte begreep dit als ‘wapen’, zo geeft hij aan – bij verdachte thuis wilde leggen. Ze zijn, zo verklaart verdachte, naar zijn huis gereden om dat ding bij hem thuis te leggen. [medeverdachte 1] heeft dat ding daar ook gelegd, maar hij heeft dat niet gezien, omdat, zo geeft hij aan, op dat moment op de wc zat. Hij heeft toen wel een la open en dicht horen gaan.
Gelet op de aangehaalde verklaringen van verdachte en op zijn verklaring ten aanzien van feit 1 dat hij een vuurwapen of een daarop gelijkend voorwerp in de hand van [medeverdachte 1] had gezien voorafgaand aan de schietpartij, wist verdachte dat [medeverdachte 1] tijdens de rit naar zijn woning na de schietpartij in ieder geval een wapen bij zich had, waarmee (mogelijk) een misdrijf was gepleegd. Verdachte en [medeverdachte 1] zijn naar de woning van verdachte gereden met het doel om daar het door [medeverdachte 1] gebruikte wapen achter te laten. Dit kan onder de gegeven omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank niet anders gezien worden dan dat verdachte en [medeverdachte 1] hiermee het oogmerk hadden om de nasporing van enig misdrijf te bemoeilijken. Dat verdachte niet heeft gezien waar in de woning [medeverdachte 1] het vuurwapen had weggelegd, maakt dit niet anders.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het feit wettig en overtuigend bewezen.
-
Ten aanzien van feit 2
In de woning van verdachte zijn op 31 augustus 2024 twee revolvers gevonden: één van [medeverdachte 1] in een lade van het tv-meubel, met daarin zes patronen en twee lege (verschoten) hulzen, en één in een bureaulade, met daarin acht kogelpatronen. Daarnaast is er nog een losse kogelpatroon in een gripzakje, liggend naast de tv, gevonden. Op beide revolvers is DNA aangetroffen van verdachte.
De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling wegens het voorhanden hebben van een wapen of munitie in de zin van artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie allereerst is vereist dat de verdachte een wapen of munitie bewust aanwezig heeft gehad. Die bewustheid hoeft zich niet uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie van dat wapen of die munitie. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad.
Verder is voor de bewezenverklaring van dat voorhanden hebben nodig dat de verdachte feitelijke macht over het wapen of de munitie heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken.
- De revolver van [medeverdachte 1]
Gelet op hetgeen ten aanzien van dit vuurwapen hierboven onder feit 1 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich bewust was dat dit wapen in zijn woning aanwezig was en dat hij, nu het zijn woning betreft, feitelijke macht had over dat wapen in de zin dat hij daarover kon beschikken.
- De revolver in de bureaulade
Naar het oordeel van de rechtbank is de bewoner in beginsel verantwoordelijk voor de goederen die zich in zijn woning bevinden. Zeker in dit geval waar het gaat om een door verdachte gehuurd eenkamerappartement voorzien van slechts enkele meubels. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank de stelling van verdachte dat er veel mensen bij hem over de vloer komen en dat een van hen mogelijk het wapen heeft achtergelaten zonder dat hij daarvan op de hoogte was, niet aannemelijk. Dit geldt temeer nu er op het wapen DNA van verdachte is aangetroffen en een gripzakje met daarin een voor het aangetroffen vuurwapen geschikte kogelpatroon naast de tv, dus in het zicht, is aangetroffen.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte ten aanzien van dit vuurwapen moet hebben geweten dat het aanwezig was in zijn woning en dat hij daarmee feitelijke macht had over dat wapen.
De rechtbank acht dit feit daarom eveneens wettig en overtuigend bewezen.