In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, gedateerd 8 december 2025, wordt het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst beoordeeld. De inspecteur had aan belanghebbende voor het jaar 2017 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, inclusief een verzuimboete van € 369. Het bezwaar van belanghebbende werd door de inspecteur niet-ontvankelijk verklaard en als een verzoek om ambtshalve vermindering opgevat, wat ook werd afgewezen. De rechtbank heeft het beroep op 31 oktober 2025 behandeld, waarbij belanghebbende en twee vertegenwoordigers van de inspecteur aanwezig waren.
De rechtbank oordeelt dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard, omdat het bezwaarschrift te laat was ingediend. Belanghebbende, die in Duitsland woont, had geen aangifte gedaan en de inspecteur had de brieven naar een onjuist adres gestuurd. De rechtbank stelt vast dat de onjuiste adressering voor risico van belanghebbende komt, omdat hij geen adreswijziging had doorgegeven. Hierdoor is er geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding.
Daarnaast wordt het verzoek om ambtshalve vermindering beoordeeld. De rechtbank concludeert dat dit verzoek ook te laat is ingediend, aangezien de vijfjaarstermijn voor het indienen van een verzoek om ambtshalve vermindering op 31 december 2022 eindigde. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur het verzoek terecht heeft afgewezen. De uitspraak eindigt met de conclusie dat het beroep ongegrond is, het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard, en dat de boetebeschikking in stand blijft. Belanghebbende krijgt geen griffierecht terug en geen vergoeding van proceskosten.