In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, gedaan op 8 december 2025, wordt het beroep van de belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst beoordeeld. De belanghebbende, die in Bulgarije woont, heeft geen aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2018. De inspecteur heeft daarop aanslagen opgelegd, inclusief belastingrente en een verzuimboete. Het bezwaar van de belanghebbende tegen deze aanslagen is door de inspecteur niet-ontvankelijk verklaard, wat de rechtbank moet toetsen.
De rechtbank concludeert dat de inspecteur terecht het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat het bezwaarschrift te laat was ingediend. De belanghebbende stelde dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was, omdat de aanslagen naar een onjuist adres zouden zijn verzonden. De rechtbank oordeelt echter dat het aan de belanghebbende is om te bewijzen dat hij de adreswijziging tijdig heeft doorgegeven, wat niet is aangetoond.
Daarnaast heeft de belanghebbende een verzoek om ambtshalve vermindering ingediend, maar ook dit verzoek is door de rechtbank afgewezen. De rechtbank stelt vast dat het verzoek te laat is ingediend, aangezien de vijfjaarstermijn voor het indienen van een dergelijk verzoek was verstreken. De rechtbank komt tot de conclusie dat zowel het bezwaar als het verzoek om ambtshalve vermindering terecht zijn afgewezen, en verklaart het beroep ongegrond. De belanghebbende krijgt geen griffierecht terug en ook geen vergoeding van proceskosten.