Belanghebbende, woonachtig in Bulgarije, heeft geen aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2018 ingediend. De inspecteur legde op 14 juli 2021 ambtshalve aanslagen IB/PVV en Zorgverzekeringswet (Zvw) op, inclusief belastingrente en een verzuimboete. Belanghebbende maakte bezwaar dat op 3 juni 2024 werd ontvangen, ruim na de wettelijke termijn van zes weken na dagtekening van de aanslagen. De inspecteur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk.
Belanghebbende stelde dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was omdat de aanslagen naar een onjuist adres waren gestuurd, terwijl hij een adreswijziging had doorgegeven. De rechtbank oordeelde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de adreswijziging de Belastingdienst had bereikt en dat de inspecteur terecht uitging van het oude adres. Bovendien was het bezwaar ook na ontvangst van een afwijzing van een verzoek om uitstel van betaling pas na negen maanden ingediend, wat onvoldoende voortvarend is.
Daarnaast werd het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslagen afgewezen omdat dit verzoek te laat was ingediend, na het verstrijken van de vijfjaarstermijn per 31 december 2023. Het verzoek om uitstel van betaling werd niet aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering. De rechtbank concludeerde dat zowel het bezwaar als het verzoek terecht zijn afgewezen, waardoor het beroep ongegrond is verklaard.