ECLI:NL:RBZWB:2025:8769

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
24/8303 en 24/8304
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de ontvankelijkheid van bezwaar en verzoek om ambtshalve vermindering van belastingaanslagen

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, gedaan op 8 december 2025, wordt het beroep van de belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst beoordeeld. De belanghebbende, die in Bulgarije woont, heeft geen aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2018. De inspecteur heeft daarop aanslagen opgelegd, inclusief belastingrente en een verzuimboete. Het bezwaar van de belanghebbende tegen deze aanslagen is door de inspecteur niet-ontvankelijk verklaard, wat de rechtbank moet toetsen.

De rechtbank concludeert dat de inspecteur terecht het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat het bezwaarschrift te laat was ingediend. De belanghebbende stelde dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was, omdat de aanslagen naar een onjuist adres zouden zijn verzonden. De rechtbank oordeelt echter dat het aan de belanghebbende is om te bewijzen dat hij de adreswijziging tijdig heeft doorgegeven, wat niet is aangetoond.

Daarnaast heeft de belanghebbende een verzoek om ambtshalve vermindering ingediend, maar ook dit verzoek is door de rechtbank afgewezen. De rechtbank stelt vast dat het verzoek te laat is ingediend, aangezien de vijfjaarstermijn voor het indienen van een dergelijk verzoek was verstreken. De rechtbank komt tot de conclusie dat zowel het bezwaar als het verzoek om ambtshalve vermindering terecht zijn afgewezen, en verklaart het beroep ongegrond. De belanghebbende krijgt geen griffierecht terug en ook geen vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 24/8303 en 24/8304

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 december 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] (Bulgarije), belanghebbende,

(gemachtigde: mr. H.C. Ipenburg),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 12 november 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2018 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en een aanslag in de bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd (de aanslagen). Bij de aanslagen is belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikkingen). Tevens is gelijk met de aanslag IB/PVV een verzuimboete opgelegd (de boetebeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 31 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: gemachtigde en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur het bezwaar van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en of de inspecteur het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslagen terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de argumenten van belanghebbende, de beroepsgronden.
3. De rechtbank concludeert dat de inspecteur het bezwaar van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslagen terecht heeft afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende is op 9 april 2009 geëmigreerd naar Zwitserland en belanghebbende is vervolgens verhuisd naar Bulgarije.
4.1.
Belanghebbende heeft geen aangifte IB/PVV 2018 ingediend.
4.2.
Met dagtekening 14 juli 2021 is de aanslag IB/PVV 2018 aan belanghebbende opgelegd met een belastingrentebeschikking van € 4.552 en een verzuimboete van € 369.
4.3.
Met dagtekening 14 juli 2021 is ook de aanslag Zvw vastgesteld. De belastingrentebeschikking bedraagt hierbij €183.
4.4.
Belanghebbende heeft met zijn brief van 12 september 2023 verzocht om uitstel van betaling voor de aanslagen. Dit verzoek wordt door de brief van de ontvanger afgewezen op 26 september 2023. In deze afwijzingsbrief staat onder andere het volgende vermeld:
‘De schuld van [belanghebbende] bestaat uit ambtshalve aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2017 tot en met 2020’.
4.5.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslagen. De inspecteur heeft dit bezwaar op 3 juni 2024 ontvangen.

Motivering

Ontvankelijkheid bezwaar
5. De rechtbank beoordeelt eerst of de inspecteur het bezwaar van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien deze binnen de wettelijke termijn van zes weken na dagtekening dan wel bekendmaking van de bestreden beslissing door de inspecteur is ontvangen. [1] Deze termijn is dwingend. Dit betekent dat bij een termijnoverschrijding een niet-ontvankelijkheidsverklaring moet volgen. Dat is alleen anders indien ‘redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaarschrift in verzuim is geweest’, oftewel indien de termijnoverschrijding ‘verschoonbaar’ is. [2]
5.2.
Het bezwaarschrift tegen de aanslagen met dagtekening 14 juli 2021 is op 3 juni 2024 ontvangen door de inspecteur waardoor deze te laat is ingediend en in beginsel niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.
5.3.
Belanghebbende stelt dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding omdat de inspecteur de aanslagen naar een onjuist adres heeft verzonden en hij daarom niet op de hoogte was van de aanslagen. Hij voert daartoe aan dat hij middels een brief van 28 februari 2020 een adreswijziging heeft doorgegeven in verband met een verhuizing van Zwitserland naar Bulgarije.
5.4.
De inspecteur betwist dat de adreswijziging door de Belastingdienst is ontvangen omdat de brief van de adreswijziging de Belastingdienst nooit heeft bereikt.
5.5.
De rechtbank oordeelt als volgt. Het is aan belanghebbende om de Belastingdienst te voorzien van het correcte correspondentieadres in Bulgarije. Nu de inspecteur stelt dat hij de door belanghebbende aangevoerde adreswijziging niet heeft ontvangen, is het aan belanghebbende om te bewijzen dat hij deze adreswijziging aan de Belastingdienst heeft doorgegeven . Belanghebbende heeft met het enkele overleggen van een brief van 28 februari 2020 waarin een adreswijziging is vermeld niet aannemelijk gemaakt dat deze brief daadwerkelijk is verzonden, noch dat de daarin opgenomen adreswijziging de inspecteur op enige andere wijze heeft bereikt. De inspecteur kon er daarom terecht van uitgaan dat het in Zwitserland geregistreerde adres van belanghebbende juist was. Daarbij merkt de rechtbank nog het volgende op. Uit de afwijzing van het verzoek om uitstel van betaling door de ontvanger van 26 september 2023 blijkt dat er schulden bestaan die voortvloeien uit onder andere de ambtshalve aanslagen van 2018. Deze afwijzing is gestuurd aan het adres van de in Nederland gevestigde adviseur van belanghebbende. Desondanks heeft belanghebbende pas negen maanden later bezwaar gemaakt tegen deze aanslagen. Ook al zou belanghebbende pas bij die brief op de hoogte zijn geraakt van de aanslagen, dan nog heeft hij niet voldoende voortvarend bezwaar gemaakt.
5.6.
Het voorgaande betekent dat de inspecteur het bezwaar van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en daarom niet wordt toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling.
Verzoek om ambtshalve vermindering
5.7.
Tegen een beslissing op een verzoek om ambtshalve vermindering, zoals de beslissing in de brief van 12 november 2024, moet in beginsel eerst bezwaar worden gemaakt. Dat heeft belanghebbende niet gedaan, maar dat is voor het verloop van deze procedure niet erg. Partijen hebben er namelijk mee ingestemd dat de bezwaarfase kan worden overgeslagen. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak daarom of de inspecteur het verzoek om ambtshalve vermindering voor het jaar 2018 terecht heeft afgewezen.
5.8.
Een verzoek om ambtshalve vermindering van een belastingaanslag moet worden gedaan binnen vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft (de vijfjaarstermijn). [3] Het bezwaarschrift van 3 juni 2024 is aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering.
5.9.
De vijfjaarstermijn eindigde voor het jaar 2018 op 31 december 2023. Het verzoek van 3 juni 2024 is dus te laat ingediend.
5.10.
Gelet op het voorgaande, heeft dan als uitgangspunt te gelden dat de inspecteur het verzoek terecht heeft afgewezen. Dat is slechts anders indien de overschrijding van de vijfjaarstermijn ‘verschoonbaar’ is. [4]
5.11.
Ook voor het verzoek om ambtshalve verminderingen geldt dat de feiten en omstandigheden zoals naar voren gebracht door belanghebbende niet leiden tot de conclusie de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
5.12.
Voor zover belanghebbende stelt dat zijn verzoek om uitstel van betaling van 12 september 2023 moet worden opgevat als een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslagen volgt de rechtbank belanghebbende niet. In de brief van 12 september 2023 wordt geen enkele opmerking gemaakt over de hoogte van de aanslagen of over een verzoek om vermindering daarvan. Het enige dat wordt gevraagd, is uitstel van betaling. Het enkel verzoeken om uitstel van betaling kan niet worden aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering. Het beroep faalt daarom ook op dit punt.
5.13.
Het voorgaande betekent dat de inspecteur het verzoek om ambtshalve vermindering terecht heeft afgewezen en de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de bezwaren terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard en het verzoek om ambtshalve vermindering terecht is afgewezen. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Panah, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 6:7 van de Algemene wet Bestuursrecht (Awb) in combinatie met artikel 6:8 en 6:9 van de Awb.
2.Artikel 6:11 van de Awb.
3.Artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001.
4.Artikel 60 Algemene wet inzake rijksbelastingen in samenhang met artikel 6:11 van de Awb.