ECLI:NL:RBZWB:2025:8775
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen navorderingsaanslag IB/PVV en proceskostenvergoeding
In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 10 december 2025, wordt het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 4 oktober 2024 beoordeeld. De inspecteur had aan belanghebbende een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd voor het jaar 2017, met een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.480 en uit sparen en beleggen van € 16.650. Tevens werd er belastingrente van € 67 in rekening gebracht en een vergrijpboete van € 392 opgelegd. Het bezwaar van belanghebbende werd door de inspecteur gegrond verklaard, waardoor de navorderingsaanslag werd vernietigd.
De rechtbank behandelt het beroep dat enkel betrekking heeft op de hoogte van de proceskostenvergoeding. De inspecteur had een integrale proceskostenvergoeding van € 9.000 vastgesteld, maar belanghebbende betwistte deze hoogte. De rechtbank oordeelt dat de proceskostenvergoeding niet te laag is vastgesteld en dat belanghebbende geen recht heeft op een immateriëleschadevergoeding. De rechtbank concludeert dat de inspecteur voldaan heeft aan zijn toezegging om de integrale proceskosten voor de bezwaarfase te vergoeden.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, laat de uitspraak op bezwaar ten aanzien van de proceskostenvergoeding in stand, en bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden. Tevens wordt de inspecteur veroordeeld tot betaling van € 226,75 aan proceskosten aan belanghebbende. De uitspraak is openbaar gemaakt en kan in hoger beroep worden aangevochten binnen zes weken na bekendmaking.