ECLI:NL:RBZWB:2025:8779

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
BRE 24/4349
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen, immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

In deze uitspraak beoordeelt de Rechtbank Zeeland-West-Brabant het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 21 maart 2024. De inspecteur had aan belanghebbende voor het jaar 2016 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.213, en had daarbij € 356 belastingrente in rekening gebracht. Het bezwaar van belanghebbende werd door de inspecteur ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2025 behandeld, waarbij belanghebbende aanwezig was, maar de inspecteur niet. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB/PVV 2016 naar de juiste hoogte is opgelegd en of belanghebbende recht heeft op vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank concludeert dat de aanslag correct is opgelegd, maar dat belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding van € 4.727 wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur en de Staat elk een deel van deze schadevergoeding moeten betalen. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn op de hoogte gesteld van de beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/4349

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 21 maart 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2016 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.213.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 356 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: belanghebbende. De inspecteur is zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB/PVV 2016 naar de juiste hoogte is opgelegd. Daarnaast beoordeelt de rechtbank of belanghebbende recht heeft op vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is de aanslag IB/PVV 2016 naar de juiste hoogte opgelegd. Belanghebbende heeft recht op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft een aangifte IB/PVV 2016 ingediend. Hierin heeft zij een aftrek voor specifieke zorgkosten van € 3.689 en een aftrek van scholingsuitgaven van € 6.426 aangegeven.
4.1.
Bij brief met dagtekening 14 juli 2018 heeft de inspecteur om informatie over de persoonsgebonden aftrekposten verzocht.
4.2.
Bij brief met dagtekening 15 maart 2019 heeft de inspecteur laten weten voornemens te zijn om af te wijken van de ingediende aangifte IB/PVV 2016.
4.3.
De inspecteur heeft de definitieve aanslag IB/PVV 2016 vastgesteld met dagtekening 30 april 2019. Belanghebbende heeft op 8 juni 2019 tegen de aanslag, via elektronische weg, een bezwaarschrift ingediend.
4.4.
De behandeling van het bezwaarschrift is op enig moment als afgebroken geregistreerd in de systemen van de Belastingdienst. Na een melding van belanghebbende bleek dit onterecht te zijn. De behandeling van het bezwaarschrift is daarna herstart.

Motivering

Heeft belanghebbende recht op persoonsgebonden aftrek?
5. Om recht te hebben op persoonsgebonden aftrek, waaronder de aftrek voor specifieke zorgkosten en scholingsuitgaven, moet er aan cumulatieve voorwaarden voldaan worden. [1] Belanghebbende moet aannemelijk maken dat de kosten in dat jaar zijn gemaakt, ze drukken op belanghebbende en voldoen aan de in de wet opgenomen voorwaarden voor aftrek. Nu de inspecteur de gesteld gemaakte kosten gemotiveerd betwist heeft, rust op belanghebbende de bewijslast om aannemelijk te maken de gestelde kosten te hebben gemaakt.
5.1.
Belanghebbende heeft aangegeven dat de stukken die betrekking kunnen hebben op de persoonsgebonden aftrekposten niet meer overgelegd kunnen worden omdat deze zijn zoekgeraakt tijdens verhuizingen. Omdat de stukken niet overgelegd kunnen worden, is er vrijwel geen bewijs voor het jaar 2016. Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende niet geslaagd in de op haar rustende bewijslast. Belanghebbende heeft daardoor niet aannemelijk gemaakt dat er kosten zijn gemaakt die boven de drempel uitkomen waardoor belanghebbende voor het jaar 2016 geen recht heeft op persoonsgebonden aftrekposten zoals deze in de aangifte zijn aangegeven.
Belastingrente
6. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.
Heeft belanghebbende recht op een immateriëleschadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn?
7. De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift van belanghebbende op 8 juni 2019 heeft ontvangen. De heffingsambtenaar heeft op 21 maart 2024 uitspraak op bezwaar gedaan. De rechtbank doet uitspraak op 10 december 2025. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 55 maanden overschreden. Voor de schadevergoeding geldt als uitgangspunt dat een tarief wordt gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden. [2] Belanghebbende heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 5.000.
7.1.
De redelijke termijn voor de bezwaarfase, van in beginsel 6 maanden, is met afgerond 52 maanden overschreden. Dit leidt ertoe dat van de toegekende immateriëleschadevergoeding afgerond € 4.727 (52/55e deel van € 5.000) voor rekening komt van de inspecteur. Het restant van € 273 (3/55e deel van € 5.000) komt voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre aan als partij in het geding.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag IB/PVV 2016 in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een immateriëleschadevergoeding aan belanghebbende van € 4.727;
  • veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 273.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier.
griffier
rechter
De griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen. De uitspraak is daarom alleen ondertekend door de rechter.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 6.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (wettekst 1 januari 2015) (Wet IB), artikel 6.17 van de Wet IB en artikel 6.27 van de Wet IB.
2.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.