ECLI:NL:RBZWB:2025:8783

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
BRE 25/295
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Naheffingsaanslag dividendbelasting en verzuimboete; beoordeling van motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, gedateerd 10 december 2025, wordt het beroep van belanghebbende B.V. tegen de naheffingsaanslag dividendbelasting en de opgelegde verzuimboete beoordeeld. De inspecteur van de Belastingdienst had aan belanghebbende een naheffingsaanslag opgelegd van € 234.310, inclusief een verzuimboete van € 5.514 en € 3.796 aan belastingrente. In bezwaar werd de verzuimboete verlaagd naar € 4.500. De rechtbank behandelt het beroep en oordeelt dat de naheffingsaanslag niet naar de juiste hoogte is opgelegd, maar dat het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel niet zijn geschonden. De rechtbank concludeert dat de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd, met uitzondering van een hoorverslag dat niet is opgemaakt. De rechtbank oordeelt dat belanghebbende op een juiste wijze is gehoord, ondanks het ontbreken van het hoorverslag. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de belastingrentebeschikking, omdat deze ambtshalve is verminderd naar nihil. De overige beroepen zijn ongegrond. De rechtbank bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 385 aan belanghebbende moet vergoeden en een proceskostenvergoeding van € 1.814 moet betalen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/295

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: drs. [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 29 november 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2023 een naheffingsaanslag in de dividendbelasting opgelegd.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 3.796 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking) en belanghebbende een verzuimboete van € 5.514 opgelegd.
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de verzuimboete verminderd tot € 4.500.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en [naam] . Namens de inspecteur heeft mr. [inspecteur] deelgenomen. Belanghebbende was niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag, met in het bijzonder de verzuimboete en de belastingrenterentebeschikking, naar de juiste hoogte zijn vastgesteld. Daarbij beoordeelt de rechtbank ook of het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel zijn geschonden en of de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag niet naar de juiste hoogte opgelegd. Het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel zijn niet geschonden en alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn door de inspecteur overgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft op 18 december 2023 € 1.500.000 dividend ter beschikking gesteld. Belanghebbende heeft hiervoor een aangifte dividendbelasting ingediend.
4.1.
Belanghebbende heeft niet binnen een maand na de dividenduitkering dividendbelasting afgedragen.
4.2.
De inspecteur heeft een naheffingsaanslag dividendbelasting opgelegd van € 234.310, bestaande uit € 225.000 dividendbelasting, een verzuimboete van € 5.514 en € 3.796 belastingrente. De inspecteur heeft de verzuimboete in bezwaar verminderd tot € 4.500. De belastingrente is op 20 mei 2025 ambtshalve verminderd naar nihil.

Motivering

Zijn alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?
5. Belanghebbende stelt dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken door de inspecteur zijn overgelegd. Hierom is wel verzocht in het bezwaarschrift. Ter zitting is duidelijk geworden dat belanghebbende alleen het hoorverslag mist.
De inspecteur stelt dat alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn verstrekt en geeft aan dat er een vormverzuim heeft plaatsgevonden: van het telefonisch horen is geen hoorverslag opgemaakt. Wat er niet is, kan niet worden verstrekt en het is voorts onduidelijk wat de relevantie is voor het geschil zoals het voorligt aangezien het horen zelf, niet tot de geschilpunten behoort.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn alle op de zaak betrekking hebbende stukken door de inspecteur overgelegd, stukken die nooit hebben bestaan en dus ook nu niet bestaan – wat ook zij van de reden dat die stukken niet bestaan - kunnen niet worden overgelegd.
Op een juiste wijze gehoord?
5.2.
De rechtbank stelt vast dat er tussen partijen geen discussie is dat belanghebbende op een juiste wijze telefonisch is gehoord. Partijen zijn het er ook over eens dat het een vormverzuim is dat er geen hoorverslag is opgemaakt. De inspecteur ziet daarin geen aanleiding voor een verlaging van de boete. De rechtbank vat het standpunt van belanghebbende zo op dat zij door dit vormverzuim korting op de boete verlangd.
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende op een juiste wijze gehoord, waarover ook geen geschil bestaat. Het enkele feit dat er geen hoorverslag is opgemaakt, waar belanghebbende in de periode na afloop van het hoorgesprek ook niet om heeft verzocht, is gelet op de feiten en omstandigheden van dit geval onvoldoende voor kort gezegd een korting op de boete.
Is het motiveringsbeginsel geschonden?
6. Als de rechtbank het goed begrijpt stelt belanghebbende dat de inspecteur geen onderbouwing heeft verstrekt voor de vermindering van de verzuimboete in de bezwaarfase en daarom is het motiveringsbeginsel geschonden. De inspecteur betwist dat een motivering ontbreekt.
6.1.
In de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur aangegeven dat de verzuimboete wordt verminderd omdat de Belastingdienst zelf heeft verzuimd om tijdig het bezwaar in behandeling te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank is hierin de motivering van de vermindering van de verzuimboete te lezen. Van schending van het motiveringsbeginsel is reeds daarom geen sprake.
Is het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden?
7. Belanghebbende stelt dat het onduidelijk is of de inspecteur in de uitspraak op bezwaar rekening heeft gehouden met het aanvullende bezwaarschrift.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt een beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel niet omdat uit de uitspraak op bezwaar blijkt dat de inspecteur wel kennis heeft genomen van de gewisselde standpunten. Dit betekent niet dat de inspecteur woordelijk moet weergeven wat precies het standpunt van belanghebbende is en dat de inspecteur een andere mening is toegedaan dan belanghebbende, maakt niet dat de inspecteur het zorgvuldigheidbeginsel heeft geschonden.
Is de verzuimboete terecht en naar de juiste hoogte opgelegd?
8. Belanghebbende stelt dat de verzuimboete te hoog is vastgesteld. Hierbij verwijst belanghebbende naar de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 17 juli 2024. [1] Belanghebbende voert eveneens aan dat de DGA zijnde ook de bestuurder van belanghebbende een medische aandoening heeft die ook al gespeeld zou kunnen hebben tijdens de betaaltermijn van de dividendaangifte. De inspecteur betwist dat de verzuimboete te hoog is vastgesteld. Niet in geschil is de vraag of de verzuimboete terecht is opgelegd.
8.1.
De inspecteur heeft een verzuimboete van € 5.514 opgelegd wegens het niet of te laat betalen van de dividendbelasting. De verzuimboete is door de inspecteur in de bezwaarfase verminderd naar € 4.500. Op grond van artikel 67c, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen [2] kan de inspecteur een bestuurlijke boete van ten hoogste € 5.514 opleggen.
8.2.
Belanghebbende heeft enkel gesteld dat de medische aandoening van de bestuurder zou kunnen hebben gespeeld tijdens de betaaltermijn van de dividendaangifte. Naar het oordeel van de rechtbank is een dergelijke stelling van wat een mogelijke verklaring zou kunnen zijn, onvoldoende om tot de conclusie te kunnen leiden dat de boete onjuist is opgelegd. Daarbij merkt de rechtbank op dat uit het dossier ook onvoldoende aanleiding volgt om te kunnen concluderen dat er een medische aandoening van de bestuurder van belanghebbende speelde tijdens deze periode.
8.3.
Voorts ziet de rechtbank de vergelijking met de door belanghebbende aangehaalde uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam niet. De rechtbank ziet geen reden om de verzuimboete te verminderen. Naar het oordeel van de rechtbank is de verzuimboete passend en geboden.
8.4.
Ook al het overige gestelde, leidt niet tot een ander oordeel.
Belastingrente
9. Belanghebbende stelt dat de belastingrentebeschikking verminderd dient te worden naar nihil. De inspecteur heeft de belastingrentebeschikking tijdens de beroepsfase door middel van een ambtshalve vermindering, verminderd naar nihil. Omdat de ambtshalve vermindering tijdens de beroepsfase heeft plaatsgevonden, is het beroep op dit punt gegrond.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gedeeltelijk gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de belastingrentebeschikking. De overige beroepen zijn ongegrond.
10.1.
Omdat het beroep gedeeltelijk gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten voor de beroepsfase. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814 omdat de gemachtigde van belanghebbende een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Voor de bezwaarfase is geen kostenvergoeding toegekend omdat belanghebbende hier in bezwaar niet om heeft verzocht. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ten aanzien van de uitspraak op bezwaar over de belastingrentebeschikking gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar ten aanzien van de belastingrentebeschikking;
- vermindert de belastingrentebeschikking naar nihil conform de ambtshalve verminderingsbeschikking;
- verklaart de overige beroepen ongegrond;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 385 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.814 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier.
griffier
rechter
De griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen. De uitspraak is daarom alleen ondertekend door de rechter.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft pas uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [3]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NLGHAMS:2024:2297.
2.Wettekst 1 januari 2020.
3.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.