De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 11 december 2025 in de strafzaak tegen verdachte uitspraak gedaan over de ontnemingsvordering in verband met mensenhandel. De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €96.710,-, terwijl de verdediging dit bedrag schatte op €6.930,-.
De rechtbank heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel berekend aan de hand van de bewezenverklaarde feiten en de verklaringen van de slachtoffers. Voor slachtoffer 1 werd vastgesteld dat verdachte 70% van de klanten regelde, met een gemiddeld tarief van €300,- per klant en een commissie van 15%, wat resulteerde in een voordeel van €17.199,-. Voor slachtoffer 2 werd uitgegaan van 80% klantenregeling, een gemiddeld tarief van €275,- en een commissie van 20%, wat leidde tot een voordeel van €8.448,-.
Op basis hiervan stelde de rechtbank het totale wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €25.647,-. De rechtbank legde verdachte de verplichting op dit bedrag aan de staat te betalen en bepaalde de gijzelingstermijn op 512 dagen bij niet-betaling. De rest van de vordering van de officier van justitie werd afgewezen.