ECLI:NL:RBZWB:2025:8793

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
24/6528
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Naheffingsaanslag parkeerbelasting en de verantwoordelijkheid van de parkeerder

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 11 december 2025, wordt het beroep van een belanghebbende tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting beoordeeld. De belanghebbende had zijn auto aangemeld voor een parkeerplaats in zone 21921, waar een lager tarief geldt dan in de juiste zone 21920. De rechtbank oordeelt dat het selecteren van de verkeerde zone voor rekening van de belanghebbende komt. De rechtbank stelt vast dat de auto op 28 augustus 2024 om 14:06 uur geparkeerd stond aan de Cimburgalaan te Breda, waar alleen tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd. Tijdens een controle werd geconstateerd dat er geen parkeerbelasting was voldaan, wat leidde tot de naheffingsaanslag van € 63,15. De rechtbank overweegt dat de belanghebbende zijn onderzoeksplicht heeft verzaakt door niet te controleren of de juiste zone was geselecteerd. De rechtbank concludeert dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en het beroep ongegrond is verklaard. De kosten van de naheffingsaanslag zijn ook niet buitenproportioneel, en de belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of reiskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/6528

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Breda, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 5 september 2024.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting met [aanslagnummer] opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 5 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft belanghebbende deelgenomen. De heffingsambtenaar heeft zich bij brief van
3 november 2025 afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van belanghebbende niet en is de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. De auto met [kenteken] stond op 28 augustus 2024 omstreeks 14:06 uur stil aan de Cimburgalaan te Breda (meer specifiek in het straatje waaraan de woningen met [huisnummers] zijn gelegen). Op deze locatie in zone 21920 mag alleen tegen betaling van parkeerbelasting worden geparkeerd.
3.1.
Tijdens een controle op voornoemde datum en tijd is door parkeercontroleurs geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan.
3.2.
Naar aanleiding van de constatering dat geen parkeerbelasting was voldaan, is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 63,15 bestaande uit een bedrag aan belasting van € 1,50 en € 61,65 aan kosten van de naheffingsaanslag.

Overwegingen

Is de naheffingsaanslag terecht opgelegd?
4. De Cimburgalaan te Breda is door het college van burgemeester en wethouders aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd. [1]
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de auto van belanghebbende op
28 augustus 2024 geparkeerd stond aan de Cimburgalaan te Breda in het hiervoor genoemde straatje (zie 3.).
4.2.
Belanghebbende voert aan dat hij weliswaar in de parkeerapp stond aangemeld in een andere zone (21921) dan waar hij stond geparkeerd (21920), maar bestrijdt dat hij geen of te weinig parkeerbelasting heeft voldaan. De auto stond op 28 augustus 2024 aangemeld in zone 21921 van 09:49 uur tot 14:37 uur. Belanghebbende was – naar eigen zeggen – vergeten de auto tussentijds (toen hij de parkeerplaats had verlaten voor een boodschap en lunch) af te melden waardoor hij ten onrechte parkeerbelasting heeft voldaan van 11:45 uur tot 13:30 uur. Verder voert hij aan dat het voor hem onduidelijk was in welke zone de auto stond geparkeerd. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft belanghebbende foto’s overgelegd. Op die foto’s zijn borden te zien waarop twee verschillende zones staan vermeld.
4.3.
De rechtbank overweegt dat van iedereen die parkeert op een fiscale parkeerplaats wordt verwacht dat hij onderzoekt of de parkeerbelasting is voldaan bij aanvang van het parkeren. Daarbij is het ook de verantwoordelijkheid van de parkeerder om de juiste zone vast te stellen. Dat de parkeerapp door de nabijheid van de parkeerplaats bij een andere (verkeerde) zone als dichtstbijzijnde zone aangeeft, ontslaat de parkeerder niet van zijn onderzoeksplicht om de ter plaatse beschikbare informatie over zone-codes (bebording) te combineren met de informatie in de app en zo nodig handmatig de juiste zone te selecteren.
4.4.
De rechtbank stelt vast dat het tarief van de parkeerplaats in zone 21921 lager is dan het tarief van de wel van toepassing zijnde zone met nummer 21920. Verder constateert de rechtbank dat op alle borden rondom de plek waar belanghebbende heeft geparkeerd – en die hij blijkens de door hem overgelegde c.q. getoonde foto’s en video’s is tegengekomen – het zonenummer 21920 vermeld staat. Dat geldt ook voor het bord dat staat langs de Boeimeerlaan en dat te zien is vanuit de plek waar belanghebbende geparkeerd heeft, zoals zichtbaar op de foto “Locatie 2 links” die belanghebbende bij zijn beroepschrift heeft overgelegd (in de aanvullende stukken die belanghebbende op 11 oktober 2025 heeft ingediend, is dat aangeduid als “Locatie 5”). Vanuit die plek is eveneens het bord te zien dat staat voor de parkeerplaats die (wel) ligt in zone 21921. Dat bord is zichtbaar op de foto “Locatie 2 rechts” bij het beroepschrift. In de aanvullende stukken is dit aangeduid als “Locatie 4”. Op de bijbehorende screenshot is te zien dat daar – anders dan belanghebbende stelt – geen zonenummer (21921) staat vermeld. Ter plaatse is wel, met een onderbord, aangegeven dat op de betreffende locatie voor het eerste uur een laag tarief geldt. Als belanghebbende aan zijn onderzoeksplicht had voldaan, zou het voor hem duidelijk moeten zijn geweest dat hij zich bevond in zone 21920 en niet in zone 21921, alsmede dat in het straatje waar hij parkeerde geen laag tarief gold voor het eerste uur (zoals in zone 21921) aangezien dat alleen bij die specifieke parkeerplaats middels een onderbord is aangegeven. Dat de door belanghebbende gebruikte parkeerapp verkeerde informatie heeft verstrekt over de zone van de parkeerplaats of voor de parkeerplaats geldende tarief is niet gesteld of gebleken. Bij zijn aanvullende stukken heeft belanghebbende nog verwezen naar de website “prettigparkeren”, maar het is de rechtbank evenmin gebleken dat daarop onjuist informatie staat over zone 21921 (of 21920). Naar het oordeel van de rechtbank komt het selecteren van een verkeerde zone daarom voor rekening van belanghebbende. Dit betekent dat de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag in beginsel terecht aan belanghebbende heeft opgelegd.
4.5.
Wanneer er op enig moment geen parkeergeld is betaald, dan is dat juridisch voldoende om de naheffingsaanslag parkeerbelasting op te leggen. De wet biedt geen ruimte om rekening te houden met eventueel op andere momenten teveel (onverschuldigd) betaalde parkeerbelasting.
Proportionaliteitsbeginsel
4.6.
Voor zover belanghebbende aanvoert dat het bedrag van de naheffingsaanslag te hoog is, overweegt de rechtbank als volgt. De heffingsambtenaar heeft de kosten van de naheffingsaanslag gespecificeerd in bijlage D van de Verordening (de tarieven- en kostentabel). Hierin worden de kosten berekend tot een bedrag van € 61,65. De gemeentelijke kosten van een naheffingsaanslag mogen ten hoogste vastgesteld worden op
€ 76,70. [2] De kosten die zijn berekend in de tarieven- en kostentabel overschrijden de kosten die genoemd zijn in artikel 3, eerste lid, van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (wettekst 1 januari 2024) dus niet. Dit betekent dat de naheffingsaanslag niet buitenproportioneel is.
4.7.
Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de naheffingsaanslag terecht (en niet tot een te hoog bedrag) is opgelegd.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd en gehandhaafd blijft.
5.1.
Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende zijn griffierecht niet vergoed. Ook krijgt belanghebbende geen vergoeding van zijn reiskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van
mr. D. Damen, griffier, op 11 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 8 van de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2024 (de Verordening) gelezen in samenhang met het Aanwijzingsbesluit parkeerbelastingen 2024.
2.Artikel 3, eerste lid, van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (wettekst 1 januari 2024).