ECLI:NL:RBZWB:2025:8808

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
25/215
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Compensatie voor afgeloste schuld op basis van de Wet hersteloperatie toeslagen

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, gedateerd 9 december 2025, wordt de weigering van de minister van Financiën om volledige compensatie te verlenen voor een door eiser afgeloste schuld onder de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) beoordeeld. Eiser, die is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, had een verzoek ingediend bij Sociale Banken Nederland (SBN) voor compensatie van al betaalde schulden. De rechtbank oordeelt dat de minister ten onrechte heeft geweigerd de afgeloste schuld volledig te compenseren. De rechtbank komt tot de conclusie dat eiser recht heeft op een compensatie van € 897,78 en voorziet zelf in de zaak door dit bedrag toe te kennen aan eiser. De rechtbank legt uit dat de minister met eerdere besluiten niet voldoende heeft onderbouwd waarom de schuld aan Friesland GGN niet volledig vergoed zou worden. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit van de minister en veroordeelt deze tot betaling van proceskosten aan eiser. De uitspraak benadrukt de voorwaarden waaronder compensatie kan worden verleend op basis van de Wht, en bevestigt dat de schuld aan Friesland GGN voldoet aan deze voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/215 WHT

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. S.C. Scheermeijer),
en

de minister van Financiën.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van de minister om op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) (volledige) compensatie te verlenen voor een door eiser afgeloste schuld. Eiser is het hiermee niet eens. Aan de hand van zijn beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister ten onrechte heeft geweigerd de door eiser afgeloste schuld volledig te compenseren. Eiser krijgt gelijk en het beroep is gegrond. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door eiser alsnog € 897,78 toe te kennen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft bij Sociale Banken Nederland (SBN) verzocht om compensatie van al betaalde schulden.
2.1.
Met het primaire besluit van 19 juni 2024 is aan eiser medegedeeld dat een deel van de schulden niet voor vergoeding in aanmerking komt.
2.2.
Met het bestreden besluit van 6 december 2024 (bestreden besluit 1) is het bezwaar deels gegrond verklaard en heeft de minister besloten alsnog een afgeloste schuld geheel en een andere afgeloste schuld gedeeltelijk aan eiser te compenseren.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
Met het besluit van 8 augustus 2025 (bestreden besluit 2) heeft de minister het bestreden besluit van 6 december 2024 herzien en besloten de bij besluit van 6 december 2024 al gedeeltelijk vergoede schuld alsnog voor een hoger bedrag, maar niet geheel te vergoeden. De minister heeft daarbij ook een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend. Voor het overige heeft de minister het besluit van 6 december 2024 in stand gelaten. Het beroep heeft op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege ook betrekking op dit besluit.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 28 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn echtgenote [echtgenote] , de gemachtigde van eiser en mr. [persoon] namens de minister.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of op goede gronden is geoordeeld dat eiser geen recht heeft op volledige compensatie voor de door hem betaalde privéschulden. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Tussen partijen is slechts in geschil of de in de schuldenlijst opgenomen schuld met de vermelding “Friesland GGN” tot een hoger bedrag moet worden vergoed.
3.1.
De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Eiser is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Hij heeft aan SBN een schuldenlijst toegezonden met de bedoeling om in aanmerking te komen voor compensatie van door hem betaalde schulden. Op dit overzicht heeft hij een schuld van € 1.200,- opgenomen met daarbij de vermelding “Friesland GGN”.
4.1.
Met het besluit van 19 juni 2024 is aan eiser medegedeeld dat zijn schulden aan Friesland GGN niet worden vergoed, omdat de schuld niet goed kan worden beoordeeld. Er is om extra bewijs gevraagd maar dat is niet (of niet op tijd) aangeleverd. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit 1 is het bezwaar deels gegrond verklaard en heeft de minister de schuld aan Friesland GGN tot een bedrag van € 369,65 vergoed en voor het overige afgewezen.
Bestreden besluit van 8 augustus 2025
5. Met het bestreden besluit 2 heeft de minister het bestreden besluit 1 herzien voor zover het gaat om de schuld bij Friesland GGN en bepaald dat aanvullend een bedrag van € 73,36 wordt vergoed. Voor het overige wordt het besluit van 6 december 2024 in stand gelaten.
Beroepsgrond eiser
6. Eiser heeft op 18 december 2020 een betaling aan Friesland GGN gedaan van € 1.380,-. Op het bankafschrift staat dossiernummer [nummer 1] vermeld. De betaling betrof niet alleen de schuld met dat dossiernummer maar ook de schuld met dossiernummer [nummer 2] . Hij heeft abusievelijk maar één dossiernummer opgenomen in de omschrijving bij de betaling.
In het dossier met kenmerk [nummer 1] was eiser € 443,- verschuldigd. In een ander dossier met kenmerk [nummer 2] was eiser een bedrag van € 897,78 verschuldigd. Hij heeft beide vorderingen, die samen € 1.340,78 bedroegen, op 18 december 2020 voldaan. Het meerdere (€ 39,22) betreft de wettelijke rente die over de hoofdsom was berekend.
Verweer
7. Eiser heeft op 18 december 2020 een betaling van € 1.380,- aan Friesland GGN gedaan. Met het besluit van 8 augustus 2025 is een bedrag van € 443,- aan eiser vergoed, waarmee de schuld met dossiernummer [nummer 1] geheel is vergoed. Voor het resterende bedrag van de betaling ontbreekt een voldoende concrete onderbouwing. Anders dan eiser stelt, blijkt uit de stukken onvoldoende dat de betaling van € 1.380,- ook betrekking had op de schuld met dossiernummer [nummer 2] . De minister wijst er ook op dat de twee schulden samen een bedrag van € 1.340,78 belopen. Dit is minder dan het betaalde bedrag van € 1.380,- en het verschil is volgens de minister niet te verklaren door wettelijke rente, omdat hiervan geen onderbouwing is overgelegd.
Oordeel van de rechtbank
Procesbelang
8. De rechtbank stelt vast dat de minister met het bestreden besluit 2 de compensatie voor de al betaalde schulden ten voordele van eiser heeft gewijzigd en dat het geschil tussen partijen alleen nog gaat over een deel van de schuld die (ook) bij bestreden besluit 2 niet wordt vergoed. Eiser heeft daarom geen belang meer bij een oordeel over het bestreden besluit 1. Het beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard, voor zover het nog is gericht tegen bestreden besluit 1.
Inhoudelijk
8.1.
Tussen partijen staat vast dat eiser met de betaling van € 1.380,- op 18 december 2020 de schuld met dossiernummer [nummer 1] heeft voldaan en dat de totale schuld van dat dossier, bestaande uit hoofdsom, rente en kosten € 443,- bedroeg. De minister heeft dit bedrag ook aan eiser terugbetaald met het bestreden besluit van 8 oktober 2025.
8.2.
Bij de door verweerder overgelegde stukken bevinden zich twee stukken van GGN, beide gedateerd op 30 mei 2024. Blijkens eisers toelichting ter zitting heeft hij die opgevraagd bij GGN naar aanleiding van en ten behoeve van de behandeling van het bezwaar bij verweerder. Uit die stukken blijkt dat eiser de vorderingen met dossiernummers [nummer 1] van € 443,- en [nummer 2] van € 897,78 volledig heeft voldaan. Het eerstgenoemde dossiernummer heeft betrekking op drie facturen van [bedrijf] NV, op naam van [echtgenote] (echtgenote van eiser), en het laatstgenoemde dossiernummer heeft betrekking op één factuur van dezelfde schuldeiser, eveneens op naam van [echtgenote] . Eiser heeft desgevraagd ter zitting geantwoord dat GGN geen nadere toelichting wil verstrekken omdat de dossiers zijn gesloten. Hij heeft ook [bedrijf] NV benaderd, maar die verwijst naar GGN.
Eiser heeft aangeven dat het verschil tussen de betaling op 18 december 2020 (€ 1.380,-) en het bedrag van de twee nota’s samen (€ 1.340,78) is te verklaren door wettelijke rente en kosten. Dit komt de rechtbank niet onaannemelijk voor.
8.3.
Naar het oordeel van de rechtbank staat daarmee voldoende vast dat de betaling van 18 december 2020 betrekking had op de beide door eiser genoemde dossiernummers. Dat het dossiernummer [nummer 2] niet is vermeld op de overschrijving van de betaling van € 1.380,- van 18 december 2020, doet hieraan niet af.
Ook voor de afgeloste schuld met dossiernummer [nummer 2] is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de voorwaarden uit de Wht. [1] De schuld is ontstaan na 31 december 2005. Uit de onderliggende stukken van [bedrijf] NV blijkt immers dat het gaat om vorderingen ontstaan in 2019. De schuld is bovendien vóór 1 juni 2021 opgeëist door Friesland GGN. Verder is de schuld afgelost na het ontvangen van een compensatiebedrag op 14 december 2020. De schuld aan Friesland GGN voldoet daarmee aan de voorwaarden uit de Wht om voor overneming in aanmerking te komen, als deze niet reeds was voldaan. Nu de gezamenlijke omvang van beide schulden blijkens de hiervoor genoemde overzichten van GGN van 30 mei 2024 een bedrag van € 1340,78 bedroeg en verweerder ter zake van het dossier [nummer 1] al € 443,- heeft vergoed, dient verweerder nog € 897,78 te vergoeden ter zake van het dossier [nummer 2] .

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit 2 zal worden vernietigd. De rechtbank zal gebruik maken van haar bevoegdheid om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b van de Awb zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat eiser in aanmerking komt voor compensatie van de door hem afgeloste geldschuld van € 897,78.
9.1.
De minister zal worden veroordeeld in de proceskosten van eiser. Deze kosten worden begroot op € 1.814,- voor verleende rechtsbijstand in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1). Ook krijgt eiser het griffierecht vergoed.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit 2;
- bepaalt dat aan eiser een bedrag van € 897,78 aan compensatie voor een afgeloste geldschuld wordt toegekend;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit 2;
- veroordeelt de minister tot de betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, voorzitter, en mr. S.A.M.L. van de Sande en mr. J. van Alphen, leden, in aanwezigheid van mr. E.A. Vermunt, griffier, op 9 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet hersteloperatie toeslagen
Artikel 4.1, eerste lid
Onze Minister neemt op aanvraag de geldschulden en kosten over op grond van artikel 155 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 of diens partner, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b of c, of een ex-partner die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, en aan wie deze is toegekend, tenzij op die aanvrager, die partner of die ex-partner artikel 4.6 of 4.7 van toepassing is.
Artikel 4.1, tweede lid
De geldschulden die worden overgenomen:
a. zijn ontstaan na 31 december 2005;
b. waren voor 1 juni 2021 opeisbaar; en
c. zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.
Artikel 4.3, eerste lid
Aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 of aan een ex-partner, die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, en aan wie deze is toegekend, verleent Onze Minister op aanvraag compensatie voor een afgeloste geldschuld die op grond van artikel 4.1 voor overneming in aanmerking zou komen als deze niet voldaan was.
Artikel 4.3, derde lid, aanhef en onder a
De compensatie wordt verleend voor een geldschuld en kosten die zijn voldaan door een aanvrager als bedoeld in het eerste lid, diens partner, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b of c of de ex-partner, die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, en aan wie deze is toegekend:
a. na het moment van het ontvangen van een bedrag op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 dan wel de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid,

Voetnoten

1.Voorwaarden genoemd in artikel 4.3 en 4.1 van de Wht