ECLI:NL:RBZWB:2025:8815

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
02-121643-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling van een minderjarige voor seksueel misbruik van een stiefneef

Op 11 december 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een minderjarige verdachte, geboren in 2006, die gedurende een periode van drie jaar seksueel binnendrong bij zijn stiefneef, die op dat moment tussen de 9 en 12 jaar oud was. De rechtbank heeft de zaak inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op 27 november 2025, waarbij de officier van justitie, mr. I.M. Peters, en de verdediging hun standpunten hebben gepresenteerd. De tenlastelegging is gewijzigd en betreft meermalen seksueel binnendringen en ontuchtige handelingen met het slachtoffer, dat nog geen 12 jaar oud was.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de verklaring van het slachtoffer consistent en betrouwbaar is, en dat deze wordt ondersteund door de verklaring van de verdachte zelf, die ook heeft erkend dat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. De verdediging heeft betoogd dat er onvoldoende bewijs is voor een veroordeling, maar de rechtbank heeft geoordeeld dat er voldoende steunbewijs is voor de verklaringen van het slachtoffer. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een leerstraf van 35 uur, een taakstraf van 140 uur, en een voorwaardelijke jeugddetentie van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar, inclusief een contactverbod met het slachtoffer en de verplichting om mee te werken aan een behandeling indien nodig.

Daarnaast heeft de rechtbank de verdachte veroordeeld tot betaling van €10.000,- aan immateriële schade aan het slachtoffer. De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij voor materiële schade en andere kosten afgewezen, omdat deze niet voldoende onderbouwd waren of niet in direct causaal verband stonden met het strafbare feit. De rechtbank heeft de beslissing gebaseerd op de artikelen van het Wetboek van Strafrecht die van toepassing waren ten tijde van het bewezenverklaarde feit.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team jeugd
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-121643-25
vonnis van de meervoudige kamer van 11 december 2025
in de strafzaak tegen de minderjarige
[verdachte]
geboren op [geboortedag 1] 2006 te [geboorteplaats]
wonende te [woonadres]
raadsman mr. T. Polat, advocaat te Breda

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 27 november 2025, waarbij de officier van justitie, mr. I.M. Peters, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is ter zitting van 27 november 2025 gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte bij [slachtoffer] die nog geen 12 jaar oud was, meermalen seksueel is binnengedrongen dan wel meermalen ontuchtige handelingen heeft gepleegd met [slachtoffer] die toen nog geen 16 jaar oud was.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.
De verdediging stelt dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging omdat verdachte jonger was dan 12 jaar en dus nog niet strafbaar was ten tijde van de vervolging.
Met de officier van justitie is de rechtbank echter van oordeel dat dit een bewijsverweer betreft, nu de tenlastegelegde periode ziet op de periode dat verdachte tussen de 12 en 16 jaar oud was. Deze stelling kan daarom niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte bij [slachtoffer] meermalen seksueel is binnengedrongen zoals primair tenlastegelegd. De verklaring van aangever is consistent, authentiek en hij is in zijn verklaring niet beïnvloed waardoor zijn verklaring betrouwbaar is. De verklaring van verdachte is als steunbewijs aan te merken nu ook hij heeft verklaard dat sprake is geweest van seksueel contact tussen beiden.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is primair van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs. Verdachte ontkent dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan enige seksuele of ontuchtige handeling in de tenlastegelegde periode. De deels bekennende verklaring van verdachte ziet op een periode buiten de tenlastegelegde periode, toen hij zelf nog jonger dan 12 jaar was. Bovendien bevat het dossier geen steunbewijs voor de aangifte en is de verklaring van aangever niet betrouwbaar. In de verklaring van [slachtoffer] zitten inconsistenties en te veel algemeenheden. Het kan niet worden uitgesloten dat sprake is geweest van beïnvloeding van de vermeende herinneringen. Ook is sprake van een enorme tijdsspanne tussen de vermeende handelingen en het afleggen van een verklaring bij de politie, hetgeen eveneens een contra-indicatie vormt voor de betrouwbaarheid daarvan. Voorts doet de persoonlijke ontwikkeling van aangever afbreuk aan de betrouwbaarheid van zijn verklaring, nu zijn persoonlijke problematiek en medicatiegebruik op jonge leeftijd van invloed kunnen zijn op zijn geheugen. De verklaring van aangever kan derhalve niet ten grondslag liggen aan een bewezenverklaring.
De verdediging is subsidiair van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen, nu niet kan worden vastgesteld dat sprake was van normschending, althans dat verdachte zich hiervan bewust was of had moeten zijn. Er was hier immers sprake van experimenteergedrag. Bij verdachte is eveneens sinds jonge leeftijd sprake van persoonlijke problematiek en medicatiegebruik wat kan hebben bijgedragen aan een verstoring van de hersenontwikkeling. Hierdoor is mogelijk dat destijds van verdachte niet kon worden verwacht dat hij de gevolgen van zijn gedragingen kon overzien of dat hij de signalen van aangever kon herkennen.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Juridisch kader
In zedenzaken zijn doorgaans slechts twee personen aanwezig bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het veronderstelde slachtoffer en de verdachte. Indien de veronderstelde dader ontkent, moet de rechter beoordelen of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is voldaan. Dat bewijsminimum houdt in dat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige (de aangever/het veronderstelde slachtoffer). Er moet sprake zijn van steunbewijs, dat afkomstig is van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Uit rechtspraak van de Hoge Raad kan onder meer worden afgeleid dat voor een bewezenverklaring van verkrachting niet is vereist dat het zedenfeit als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar dat het voldoende is dat de verklaring van het slachtoffer op bepaalde punten bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, afkomstig van een andere bron dan het slachtoffer. Daar staat tegenover dat tussen de verklaring van de aangever en dat overige bewijsmateriaal een niet te ver verwijderd verband mag bestaan.
Voorgaande betekent dat enerzijds het oordeel dat de verklaring van het veronderstelde slachtoffer betrouwbaar is en anderzijds het oordeel dat die verklaring in ander bewijsmateriaal voldoende steun vindt, twee afzonderlijke beslissingen zijn. Het feit dat de verklaring van het veronderstelde slachtoffer betrouwbaar wordt geacht, kan niet op zichzelf als voldoende steunbewijs dienen.
Betrouwbaarheid verklaring [slachtoffer]
De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is, of de verklaring van [slachtoffer] geloofwaardig en betrouwbaar is. [slachtoffer] heeft eind 2022 uit zichzelf op verschillende momenten aan zijn vriendin en aan zijn zus verteld over het seksueel misbruik. Daarna heeft hij het ook aan zijn ouders verteld. Op 7 juni 2024 heeft [slachtoffer] in een zogenaamd informatief gesprek, waarbij ook zijn moeder aanwezig was, met de politie gesproken over het seksueel misbruik. Op 18 juni 2024 is hij daarover door de politie officieel verhoord. De politie heeft daarna zijn vriendin en zijn zus ook verhoord. De rechtbank is van oordeel dat [slachtoffer] in zijn verklaringen aan de politie en aan anderen consistent en gedetailleerd heeft verklaard over de seksuele handelingen en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden. Het noemen van specifieke momenten en plaatsen, zoals op het strand en in het hotel tijdens een vakantie op Sardinië of in een reuzenrad in Aken, en de precieze beschrijving over hoe de seksuele handelingen zich voltrokken, dragen bij aan de geloofwaardigheid van zijn verklaring. De verklaring van [slachtoffer] komt op de rechtbank ook authentiek over. Zo laat hij door hem zelf verrichte handelingen niet onvermeld en verklaart hij genuanceerd over het optreden van verdachte. Een voorbeeld van dat laatste geeft de volgende passage uit het verhoor van [slachtoffer] :
“Uiteindelijk heeft hij[verdachte]
het[misbruik]
zelf gestopt door te zeggen “laten we dit echt niet meer doen”. Ik zei, “dat is goed”. Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van [slachtoffer] dan ook geloofwaardig en betrouwbaar. Het feit dat er veel tijd is verstreken tussen het seksueel misbruik en het doen van aangifte, maakt het voorstelbaar dat niet alle details meer zijn terug te halen, maar tast naar het oordeel van de rechtbank de geloofwaardigheid van de herinnering aan de indringende gebeurtenissen niet aan. Het is overigens algemeen bekend dat het onderkennen en verwerken van seksueel misbruik vaak langere tijd vergt en dat het daarmee naar buiten treden, bijvoorbeeld door het doen van aangifte, nog meer moeite kost. Er is mede om die reden geen verjaringstermijn voor verkrachting en evenmin voor aanranding van een kind.
De stelling van de verdediging dat de persoonlijke problematiek of het medicatiegebruik van [slachtoffer] zijn betrouwbaarheid aantast, wordt door de rechtbank als niet onderbouwd verworpen.
Steunbewijs
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of de verklaring van [slachtoffer] in voldoende mate wordt ondersteund door een of meer andere zelfstandige bewijsmiddelen. De rechtbank vindt dit steunbewijs in de eerste plaats in de verklaring van verdachte zelf. Verdachte heeft verklaard dat hij met zijn “geslachtsdeel in de kont” van [slachtoffer] is geweest en dat dit twee keer gebeurd zou zijn. De eerste keer bij verdachte thuis in [geboorteplaats] toen hij 11 of 12 jaar oud was en de tweede keer tijdens vakantie op Sardinië toen hij 13 jaar oud was. Deze verklaring strookt met de verklaring van [slachtoffer] , die ook aangeeft dat de eerste keer bij verdachte thuis was en dat het misbruik ook heeft plaatsgevonden tijdens een vakantie op Sardinië in 2019.
Verder steunbewijs is te vinden in de verklaring van [getuige 1] , de stiefmoeder van verdachte. Zij geeft aan, dat verdachte aan haar heeft toegegeven dat hij regelmatig de piemel in de kont deed van [slachtoffer] . Tenslotte ziet de rechtbank ook de verklaring van [getuige 2] de moeder van [slachtoffer] , als steunbewijs. Zij geeft aan dat er bij [slachtoffer] rond zijn achtste jaar, toen het seksueel misbruik begon, sprake was van een gedragsverandering, zich uitend in depressieve en suïcidale gevoelens.
Sociaal-ethische norm
De verdediging stelt dat bij de tenlastegelegde handelingen geen sprake zou zijn van handelingen strijdig met de sociaal-ethische norm, maar van een seksueel ontdekken passend bij de ontwikkelingsfase. De rechtbank komt tot een ander oordeel op basis van de verklaring van [slachtoffer] . [slachtoffer] verklaart dat over een periode van drie jaar, ongeveer van zijn achtste tot elfde jaar, het seksueel misbruik structureel, eigenlijk altijd als ze elkaar zagen, plaatsvond op allerlei plaatsen. Het seksueel misbruik bestond daarbij uit het moeten ondergaan van anale penetratie door verdachte met zijn geslachtsdeel en het moeten aftrekken van verdachte. Verdachte bekeek daarbij porno op zijn telefoon. Tegen [slachtoffer] gaf hij aan dat het iets tussen hen was en dat [slachtoffer] het geheim moest houden. Verdachte was drie jaar ouder en [slachtoffer] , zo geeft hij aan, keek erg tegen hem op. Verdachte bevestigt in zijn verklaring dat [slachtoffer] hem in alles nadeed. Op basis van de vergaande aard van de seksuele handelingen, het verschil in leeftijd en (daarmee) ontwikkeling tussen de jongens en de regelmaat waarmee en de duur van de periode waarin de handelingen plaatsvonden, komt de rechtbank tot het oordeel dat sprake is van handelen in strijd met de sociaal-ethische norm en niet van experimenteergedrag passend bij de ontwikkelingsfase noch van [slachtoffer] , noch van verdachte.
Periode
De rechtbank zal de periode van de bewezenverklaring beperken van [geboortedag 1] 2018 tot en met [datum] 2021, de dag voordat [slachtoffer] de leeftijd van 12 jaar bereikte.
Conclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich gedurende bijna drie jaar schuldig heeft gemaakt aan het meermalen seksueel binnendringen van [slachtoffer] die toen jonger was dan 12 jaar.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
in de periode van [geboortedag 1] 2018 tot en met [datum] 2021 te [geboorteplaats] , en Duitsland en Italië, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2009, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het meermalen, met zijn penis penetreren van de anus van die [slachtoffer]
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf in de zin van een werkstraf voor de duur van 140 uur, een taakstraf in de zin van een leerstraf (Tools 4 U Verlengd Plus seksueel grensoverschrijdend gedrag) voor de duur van 35 uur en een geheel voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van twee jaar en als bijzondere voorwaarde een contactverbod met [slachtoffer] , door de politie te handhaven.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft, indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring, verzocht om bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met het tijdsverloop en de (psychische) impact die de strafzaak al met zich heeft meegebracht en nog zal brengen. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat volstaan kan worden met het opleggen van de door de Raad geadviseerde leerstraf. Er is al een stevig signaal aan verdachte afgegeven, reden waarom het opleggen van een voorwaardelijke jeugddetentie niet passend en geboden is.
6.3
Het standpunt van de Raad
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft in het rapport van
21 november 2025 geadviseerd om een gedragsinterventie op te leggen in de vorm van de leerstraf Tools4U Verlengd Plus seksueel grensoverschrijdend gedrag van 35 uur, eventueel aangevuld met een onvoorwaardelijke werkstraf. En daarnaast om aan verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie met een proeftijd op te leggen, onder de algemene voorwaarde dat verdachte geen strafbare feiten pleegt binnen de proeftijd. Het recidiverisico wordt ingeschat op laag. Er zijn al veel positieve stappen gezet: er is hulpverlening gezocht en verdachte had hier ook baat bij. Verdachte volgt een opleiding die hij fijn en leuk vindt en ook zijn sociale contacten, vrijetijdsbesteding en zijn werk zijn positieve factoren. De Raad ziet geen meerwaarde in (jeugd)reclasseringstoezicht vanwege het lage recidiverisico. De Raad adviseert om het contactverbod via de politie te laten lopen omdat de eventuele doelen kunnen worden ondervangen in de leerstraf. De Raad vertrouwt erop dat er hulp wordt gezocht als de zorgen omtrent de geestelijke gezondheid van verdachte toenemen nu dit ook eerder is gedaan. Ter terechtzitting heeft de Raad dit standpunt gehandhaafd.
6.4
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het meermalen anaal penetreren van zijn drie jaar jongere stiefneef [slachtoffer] gedurende drie jaar. [slachtoffer] was toen tussen de 9 en 12 jaar oud. Juist op de plaatsen waar iemand zich bij uitstek vrij en veilig zou moeten voelen, thuis, bij familie en op vakantie, werd [slachtoffer] seksueel misbruikt door de jongen waar hij erg tegenop keek. Verdachte heeft door zo te handelen dat vertrouwen van [slachtoffer] in hem had geschaad en op ingrijpende wijze inbreuk gemaakt op diens lichamelijke en geestelijke integriteit. Hij heeft zijn eigen seksuele behoeften willen bevredigen en daarbij geen oog gehad voor de kwetsbaarheid van [slachtoffer] . Tot op de dag van vandaag worstelt [slachtoffer] met de gevolgen van het misbruik. Uit de aangifte en de verklaring die namens de moeder van [slachtoffer] ter zitting is voorgelezen, komt dit helder naar voren. Ook blijkt hoe zeer het misbruik heeft ingegrepen in het gezin van [slachtoffer] . De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan. Aan de andere kant onderkent de rechtbank dat verdachte ten tijde van het misbruik zelf ook jong was en de vergaande gevolgen van zijn handelen niet goed kon overzien. Tot die gevolgen behoren ook de reacties op zijn gedrag en de verstoorde relatie tussen de beide families nadat het misbruik aan het licht kwam.
Zo blijkt uit het dossier dat de ouders van zowel [slachtoffer] als van verdachte aanvankelijk hebben geprobeerd om de situatie binnen de familie te houden. Verdachte moest een behandeling ondergaan om aangifte te voorkomen. Toen er naar de mening van de ouders van [slachtoffer] geen of niet genoeg actie werd ondernomen op dit vlak, is er alsnog aangifte gedaan.
In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat hij spijt heeft betuigd op de zitting en dat hij een (nagenoeg) blanco strafblad heeft. Voorts weegt de rechtbank mee dat uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming is gebleken dat de kans op herhaling door de Raad als laag wordt ingeschat. Ook weegt in het voordeel van verdachte mee dat er positieve beschermingsfactoren in het leven van verdachte zijn.
Bij de strafoplegging neemt de rechtbank het hiervoor genoemde rapport van de Raad voor de Kinderbescherming en de genoemde omstandigheden in aanmerking, alsook de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS voor minderjarigen. Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de context van het familieverband waarin de feiten zijn gepleegd, is de rechtbank van oordeel dat hier de strafmodaliteiten zoals geëist door de officier van justitie (zowel een leerstraf als een taakstraf en een voorwaardelijke jeugddetentie) passend zijn. Nu de rechtbank de bewezenverklaarde periode inkort tot [datum] 2021, ziet zij hierin aanleiding om de voorwaardelijke jeugddetentie te matigen van zes maanden naar drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
De rechtbank zal voorts een leerstraf en een taakstraf opleggen voor de duur zoals geëist is door de officier van justitie.
In het feit dat verdachte na het bekend worden van het misbruik mentale problemen heeft gehad in de vorm van suïcidale gedachten en dat hij pas na aansporing van anderen psychologische hulp is gaan zoeken, ziet de rechtbank aanleiding om bij bijzondere voorwaarde aan verdachte reclasseringstoezicht op te leggen, met daarbij de verplichting om zo nodig mee te werken aan een behandeling. Gelet op de leeftijd en ontwikkeling van verdachte, geeft de rechtbank het toezicht in handen van de volwassen reclassering.
De rechtbank acht ook het door de officier van justitie gevraagde contactverbod op zijn plaats om te borgen dat de huidige situatie waarin slachtoffer en verdachte al jaren geen contact meer met elkaar hebben, wordt gehandhaafd.
Alles afwegende komt de rechtbank op de volgende straf: een werkstraf in de zin van een leerstraf voor de duur van 35 uur bij Tools4U verlengd Plus (seksueel grensoverschrijdend gedrag). Daarnaast een taakstraf voor de duur van 140 uur, te vervangen door 70 dagen jeugddetentie bij het niet vervullen hiervan en een geheel voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van twee jaar met de algemene voorwaarden en als bijzondere voorwaarde een contactverbod en de verplichting om mee te werken aan een behandeling mocht deze voortkomen uit de leerstraf. De rechtbank legt daarom ook reclasseringstoezicht op.

7.De benadeelde partij

Namens de benadeelde partij [slachtoffer] is in totaal € 41.648,67 gevorderd, waarvan
€ 22.648,67 als vergoeding van de materiële schade en € 19.000,- als vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. Ook wordt de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd en vergoeding van proceskosten gevraagd.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd en dat dit betekent dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij in beginsel verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
7.1.
Materiële schade
7.1.1.
Vernielde slaapkamerdeur en beeldscherm
De benadeelde partij heeft een bedrag gevraagd van € 183,00 voor de vernieling van de slaapkamerdeur en een beeldscherm door aangever in een woedeaanval. Nu er echter een causaal verband ontbreekt tussen hetgeen bewezen is verklaard en de gevorderde schade zal de rechtbank deze schadepost afwijzen.
7.1.2.
Telefoonkosten
De benadeelde partij heeft een bedrag gevorderd van € 25,00 voor telefoon- en kopieerkosten. Dit bedrag is op geen enkele wijze onderbouwd door de benadeelde partij en de rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering. De vordering kan voor dit deel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
7.1.3.
Studievertraging
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 21.600,00 gevorderd voor het oplopen van studievertraging. De rechtbank is van oordeel dat dit bedrag weliswaar is onderbouwd, maar dat de rechtbank niet eenvoudig kan vaststellen of deze kosten in direct causaal verband staan met het strafbare feit, en dat een verdere behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De rechtbank zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
7.1.4.
Reis- en parkeerkosten
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 11,76 gevorderd voor reis- en parkeerkosten in verband met bezoek aan de politie en de advocaat.
Gevorderde reiskosten voor het bezoek aan politie, slachtofferhulp en/of advocaat betreffen geen schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit (HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2338). Zij komen in beginsel ook niet in aanmerking als kosten gemaakt ter vaststelling van de aansprakelijkheid op grond van art. 6:96 lid 2 onder b BW (vgl. bijv. HR 10 januari 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF0690, NJ 2003/537, m.nt. W.M. Kleijn (Portielje)). Gelet op het bepaalde in art. 238 Rv komen zij ook niet voor vergoeding in aanmerking als proceskosten. De vordering zal voor dit deel worden afgewezen.
Voorts is een bedrag van € 828,00 gevorderd voor reis- en parkeerkosten medisch. Deze kosten zijn gemaakt door de benadeelde partij na de zogenaamde disclosure. De rechtbank kan echter niet eenvoudig vaststellen of deze kosten in een direct causaal verband staan met het strafbare feit en is van oordeel dat een verdere behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De rechtbank zal de vordering daarom ten aanzien van deze medische reiskosten niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
7.2.
Immateriële schade
Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschending door verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in eer of goede naam. Dit betekent dat de gevorderde immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. Bij de beoordeling van de omvang van die schade houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. De rechtbank acht een bedrag tot € 10.000,- billijk, gelet op de onderbouwing en de hoogte van de schadevergoedingen die in min of meer vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank dit bedrag aan immateriële schade dan ook toewijzen. Het bedrag zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
7.3.
Schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen. Gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte zal geen gijzeling of vervangende jeugddetentie worden toegepast. De rechtbank zal over het toegewezen schadebedrag de wettelijke rente toewijzen, gerekend vanaf 1 september 2019 (het midden van de bewezenverklaarde periode) tot aan de dag der algehele voldoening.
7.4.
Kostenveroordeling
De benadeelde partij heeft tenslotte proceskosten gevorderd voor rechtsbijstand van zijn raadsvrouw. De hoogte van het te vergoeden bedrag wordt gebaseerd op het (totale) bedrag ter zake van materiële en immateriële zaken. Het salaris wordt berekend aan de hand van een puntenstelsel, waarbij voor het opstellen en indienen van het voegingsformulier één punt wordt gehanteerd. Daarnaast wordt één punt gerekend voor het bijwonen van de zitting. Voor bedragen van € 10.000,- tot € 20.000,- wordt per punt een salaris toegekend van € 614,-. De raadsvrouw heeft een vordering ingediend en was bij de zitting aanwezig. De rechtbank zal derhalve 2 punten en daarmee een bedrag van € 1.228,- toekennen ter zake van de proceskosten.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 244 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het
primairtenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
Primair: met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een
leerstraf,te weten
Tools4U Verlengd (seksueel grensoverschrijdend gedrag)
van 35 (vijfendertig) uren
- beveelt dat, indien verdachte de leerstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 17dagen;
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf in de vorm van
een werkstraf van 140 (honderdveertig) uren;
- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht,
vervangende jeugddetentiezal worden toegepast van
70 (zeventig) dagen;
- veroordeelt verdachte tot
een jeugddetentie van 3 (drie) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaren;
- bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
-stelt als
bijzondere voorwaarde
* dat verdachte zich gedurende een door de reclassering te bepalen periode en op door de reclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering tot het einde van de proeftijd;
* zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als dat inhoudt dat verdachte mee moet werken aan een behandeling die na het verrichten van de leerstraf noodzakelijk wordt geacht;
* dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2009, zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht. De reclassering ziet toe op handhaving van dit contactverbod;
- van rechtswege zijn de volgende voorwaarden verbonden aan de hierboven genoemde
bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
* dat verdachte medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, de medewerking van huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- geeft hierbij opdracht aan Reclassering Nederland, locatie Tilburg (Ringbaan West 275, 5037 PD Tilburg / tel. 088-8041505) tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij
[slachtoffer]van
€ 10.000, aan immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 1 september 2019 tot aan de dag der voldoening;
- wijst de vordering voor zover dit betreft de kosten van het vernielen van de deur, het beeldscherm (€ 183,-) en de reiskosten naar advocaat en politie van € 11,76 af;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering voor wat betreft de kosten ter hoogte van € 31.453,- niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op € 1.228,-;
Schadevergoedingsmaatregel
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer]
, € 10.000,-te betalen, aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 september 2019 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling
0 dagen gijzelingkan worden toegepast;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Tempel, voorzitter, tevens kinderrechter,
mr. D.H. Hamburger en mr. L.W. Boogert, rechters, in tegenwoordigheid van
mr. G.P.A.J. Joosen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 11 december 2025.
Mr. Boogert is niet in staat dit vonnis mede te ondertekenen