ECLI:NL:RBZWB:2025:8817

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
11666355 CV EXPL 25-1954 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Ebben
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWRichtlijn 93/13 EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering huurachterstand met afwijzing incassokosten wegens oneerlijk beding

Leystromen vordert betaling van een huurachterstand van €417,03 van huurder, die deze achterstand erkent. De huurovereenkomst betreft een woning met een maandelijkse huurprijs van €475,52, vooruitbetaald per eerste van de maand.

De procedure kende een tussenvonnis en een mondelinge behandeling, waarbij huurder niet is verschenen ondanks behoorlijke oproeping. Hierdoor kon huurder haar stellingen niet nader toelichten. Tijdens de zitting overlegt Leystromen een akte met de actuele huurachterstand van €417,02.

De kantonrechter wijst de betaling van de huurachterstand en de wettelijke rente toe. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten van €81,97 worden afgewezen omdat artikel 14 van Pro de algemene huurvoorwaarden oneerlijk is jegens de consument, in strijd met artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten. Huurder wordt veroordeeld in de proceskosten van €906,45. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De vordering tot betaling van de huurachterstand wordt toegewezen, incassokosten worden afgewezen wegens oneerlijk beding.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11666355 \ CV EXPL 25-1954
Vonnis van 10 december 2025
in de zaak van
STICHTING LEYSTROMEN,
te Tilburg,
eisende partij,
hierna te noemen: Leystromen,
gemachtigde: AGIN Timmermans Gerechtsdeurwaarders Juristen Incassospecialisten,
tegen
[huurder],
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [huurder],
procederend in persoon.
De zaak in het kort
Leystromen vordert betaling van de huurachterstand. [huurder] erkent dat zij een huurachterstand heeft laten ontstaan. De vordering tot betaling hiervan wordt toegewezen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 14 mei 2025 met de daarin genoemde stukken,
  • de tijdens de mondelinge behandeling overgelegde akte van Leystromen,
  • de mondelinge behandeling van 11 november 2025 waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Tussen partijen bestaat een huurovereenkomst voor de woning aan het [adres]. Op de huurovereenkomst zijn de algemene huurvoorwaarden van toepassing.
2.2.
De huurprijs bedraagt momenteel € 475,52 per maand en is per vooruitbetaling verschuldigd voor de eerste dag van elke maand.

3.Het geschil

3.1.
Leystromen vordert - samengevat en na vermindering van eis – betaling van € 417,03 aan huurachterstand, vermeerderd met rente en kosten en met veroordeling van [huurder] in de proceskosten.
3.2.
[huurder] erkent de huurachterstand en wil graag over een betalingsregeling praten.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

[huurder] is niet verschenen op zitting
4.1.
In het tussenvonnis van 14 mei 2025 is mede op verzoek van [huurder] een mondelinge behandeling bepaald op 5 augustus 2025. Deze mondelinge behandeling is vervolgens verplaatst naar 11 november 2025. Aan de kant van [huurder] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niemand verschenen op 11 november 2025. Er is ook geen brief ontvangen waarin is verzocht om uitstel of waarin een reden voor verhindering is vermeld. Daardoor heeft [huurder] zichzelf de mogelijkheid ontnomen om haar stellingen nader toe te lichten, om op de stellingen en producties van Leystromen in te gaan en om vragen van de kantonrechter te beantwoorden. Dit terwijl er in het tussenvonnis van 14 mei 2025 uitdrukkelijk op is gewezen dat aan een eventuele niet-verschijning de gevolgen kunnen worden verbonden die de kantonrechter passend acht.
Huurachterstand
4.2.
Tijdens de zitting heeft Leystromen een akte overgelegd met de actuele huurachterstand. Hieruit volgt dat de huurachterstand momenteel € 417,02 bedraagt. Gelet op de erkenning van de huurachterstand door [huurder], zal betaling hiervan worden toegewezen. Aangezien [huurder] te laat is met het betalen van deze huur, kan de gevorderde wettelijke rente hierover – tot en met 8 april 2025 berekend op € 27,12 – ook worden toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.3.
Leystromen heeft ook een bedrag van € 81,97 gevorderd aan buitengerechtelijke incassokosten. De huurovereenkomst die in deze procedure centraal staat is gesloten met een consument. De kantonrechter moet in dat geval ambtshalve (uit zichzelf, ook als de andere partij daar niet om vraagt) beoordelen of een beding in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden oneerlijk is tegenover een consument. [1] De kantonrechter is van oordeel dat artikel 14 van Pro de algemene huurvoorwaarden oneerlijk is, omdat het ten nadele van de consument afwijkt van het bepaalde in artikel 6:96 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten. Met inachtneming hiervan vernietigt de kantonrechter artikel 14 van Pro de huurovereenkomst voor zover dit betrekking heeft op buitengerechtelijke incassokosten vanwege het oneerlijke karakter. Als gevolg daarvan worden de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.
Proceskosten
4.4.
[huurder] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Leystromen worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
340,00
- salaris gemachtigde
286,00
(1 punt × € 204,00 en
1 punt x € 82,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
906,45

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [huurder] om aan Leystromen te betalen een bedrag van € 444,14, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over 417,02, met ingang van 9 april 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 906,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Ebben en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.

Voetnoten

1.Richtlijn 93/13 EG (Richtlijn oneerlijke bedingen).