ECLI:NL:RBZWB:2025:8818

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 oktober 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
C/02/435261 FA RK 25-2414
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Sumner
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253t BWArt. 1:20 lid 2 sub a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing gezamenlijk gezag en wijziging geslachtsnaam minderjarige

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 30 oktober 2025 het verzoek van de vader en stiefmoeder van een minderjarige om gezamenlijk gezag te verkrijgen en de geslachtsnaam van het kind te wijzigen in die van de vader.

De vader is sinds 2019 alleen met het gezag belast, nadat het gezag van de moeder in 2022 is beëindigd. De stiefmoeder zorgt samen met de vader sinds 2019 voor het kind. De rechtbank stelt vast dat aan de wettelijke voorwaarden van artikel 1:253t BW is voldaan, waaronder de gezamenlijke zorg gedurende minimaal een jaar en het alleen gezag van de vader gedurende drie jaar.

De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde positief en benadrukte de nauwe persoonlijke betrekking van de stiefmoeder tot het kind. De rechtbank oordeelt dat geen gegronde vrees bestaat dat de belangen van het kind worden verwaarloosd bij toewijzing.

De geslachtsnaamwijziging wordt eveneens toegewezen, mede omdat het belang van het kind zich hier niet tegen verzet en het de eenheid binnen het gezin bevordert. De ambtenaar van de burgerlijke stand wordt gelast de wijziging in de geboorteakte aan te brengen.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten door hoger beroep.

Uitkomst: Gezag wordt gezamenlijk toegekend aan vader en stiefmoeder en de geslachtsnaam van de minderjarige wordt gewijzigd in die van de vader.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/435261 / FA RK 25-2414
datum uitspraak: 30 oktober 2025
beschikking betreffende gezag en geslachtsnaamwijziging
in de zaak van
[de vader],
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. B.P.J. van Riel,
en
[de stiefmoeder],
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de stiefmoeder,
advocaat mr. B.P.J. van Riel.
betreffende de minderjarige
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2017, hierna te noemen: [minderjarige] .
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 13 mei 2025 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen;
- het op 1 oktober 2025 ontvangen aanvullend verzoek.
1.2. De zaak is behandeld op de zitting van 1 oktober 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen vader en stiefmoeder, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad.
1.3. Ook is [de moeder] van [minderjarige] , hierna te noemen: de moeder, als informant, opgeroepen voor de zitting. Zij is echter niet verschenen.
1.4. [minderjarige] is gelet op haar leeftijd in staat gesteld haar mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek
.Zij heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

2.De feiten

2.1.
Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat het volgende vast:
- uit een relatie van de moeder is [minderjarige] geboren. De biologische vader van [minderjarige] is bij de moeder bekend, maar nooit in beeld geweest;
- de vader heeft [minderjarige] erkend en is in 2019 belast met het gezag over [minderjarige] , toen nog samen met de moeder;
- bij beschikking van deze rechtbank van 22 maart 2022 is het gezag van de moeder over [minderjarige] beëindigd.

3.Het verzoek

3.1.
De vader en de stiefmoeder verzoeken, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- te bepalen dat het gezag over [minderjarige] voortaan aan hen gezamenlijk toekomt;
- de geslachtsnaam van [minderjarige] te wijzigen in: ‘ [geslachtsnaam van de vader] ’.

4.De beoordeling

Ouderlijk Gezag
4.1.
De vader en de stiefmoeder leggen het volgende aan hun verzoek ten grondslag. Aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 1:253t van het Burgerlijk Wetboek (BW) is voldaan. Partijen zijn sinds 13 maart 2013 met elkaar gehuwd en zorgen vanaf 2019 in gezinsverband voor [minderjarige] . Op dat moment werd het voor de moeder teveel en kreeg [minderjarige] haar hoofdverblijf bij de vader. De vader en de stiefouder hebben aldus gedurende ten minste een aaneengesloten periode van een jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek de zorg voor [minderjarige] gehad. Verder oefent de man sinds de beschikking van 22 maart 2022 alleen het gezag uit over [minderjarige] , zodat hij ook ten minste een aaneengesloten periode van drie jaren alleen met het gezag belast is geweest. Daarbij heeft te gelden dat bij inwilliging van het verzoek geen gegronde vreest bestaat dat de belangen van [minderjarige] worden verwaarloosd. De man heeft de afgelopen jaren beslissingen over [minderjarige] in gezamenlijk overleg genomen met de stiefmoeder, zodat daarmee de situatie in juridisch opzicht in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie. Uit onderzoek is gebleken dat [minderjarige] op een laag verstandelijk niveau functioneert en vanuit school wordt bezien wat nodig is aan begeleiding en ondersteuning. Bij dit proces vindt nauw overleg plaats tussen de school de vader en de stiefmoeder. Sinds het gezag van de moeder is beëindigd is moeder tevens nagenoeg (volledig) uit beeld verdwenen. Er zijn geen omgangsmomenten meer geweest met [minderjarige] . Er is enkel nog sporadisch contact tussen de moeder en stiefmoeder. Mocht uw rechtbank van oordeel zijn dat een onderzoek door de Raad nodig is, dan zullen de vader en stiefmoeder hier hun volledige medewerking aan verlenen.
4.2.
De Raad heeft op de zitting geadviseerd het verzoek van de vader en de stiefmoeder toe te wijzen. Er is sprake van twee niet-biologische ouders die wel ouders zijn van [minderjarige] . Het is een complex gezin, maar ook een hartverwarmend gezin en de Raad gunt het [minderjarige] , de vader en stiefmoeder dat stiefmoeder ook met het gezag over [minderjarige] wordt belast.
4.3.
Op grond van artikel 1:253t BW kan de rechtbank, indien het gezag bij één ouder berust, op gezamenlijk verzoek van de met het gezag belaste ouder en een ander dan de ouder die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, hen gezamenlijk met het gezag over het kind belasten.
Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat wanneer het kind tevens in familierechtelijke
betrekking staat tot een andere ouder, het verzoek slechts wordt toegewezen, indien:
de ouder en de ander op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van een jaar onmiddellijk voorafgaande aan dit verzoek gezamenlijk de zorg voor het kind hebben gehad; en
de ouder die het verzoek doet op de dag van het verzoek gedurende ten minste een
aaneengesloten periode van drie jaren alleen met het gezag belast is geweest.
Het derde lid van dit artikel bepaalt dat het verzoek wordt afgewezen indien, mede in
het licht van de belangen van een andere ouder, gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de
belangen van het kind worden verwaarloosd.
4.4.
De rechtbank overweegt dat sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 1:253t lid 1 BW. De stiefmoeder zorgt immers inmiddels sinds 2019, samen met vader, voor [minderjarige] in gezinsverband. Zij staat daardoor naar het oordeel van de rechtbank in een nauwe persoonlijke betrekking tot [minderjarige] . Uit het voorgaande volgt ook dat is voldaan aan de voorwaarde zoals volgt uit lid 2 sub a van artikel 1:253t BW, namelijk dat de vader en de stiefmoeder gedurende een aaneengesloten periode van een jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek gezamenlijk de zorg voor [minderjarige] hebben gehad. Verder is het gezag van de moeder op 22 maart 2022 beëindigd en is de vader dus meer dan drie jaren alleen met het gezag belast geweest, zodat ook aan de voorwaarde uit lid 2 sub b van voornoemd artikel is voldaan. De rechtbank is verder van oordeel dat er geen gegronde vrees bestaat dat bij toewijzing van het verzoek de belangen van [minderjarige] worden verwaarloosd. Uit de stukken en het verhandelde op de zitting blijkt namelijk dat vader en stiefmoeder al jaren voor [minderjarige] zorgen in gezinsverband en stiefmoeder is ook betrokken bij alle (belangrijke) beslissingen over [minderjarige] . Toewijzing van het verzoek zou dus enkel het juridische in overeenstemming brengen met de feitelijke situatie. Tevens zorgt toewijzing van dit verzoek voor rust voor zowel vader en stiefmoeder als [minderjarige] , gelet op de begeleiding en zorg die voor [minderjarige] (nog) moet worden ingezet en de rol die stiefmoeder speelt in het overleg hierover. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vader en stiefmoeder toewijzen en hen gezamenlijk belasten met het gezag over [minderjarige] .
Wijziging van de geslachtsnaam
4.5.
Op de zitting heeft de advocaat van de vader en stiefmoeder een verzoek gedaan om op grond van artikel 1:253t lid 5 BW de geslachtsnaam van [minderjarige] te wijzigen in de geslachtsnaam van de vader: ‘ [geslachtsnaam van de vader] ’. Na de zitting is dit verzoek schriftelijk aan de rechtbank bevestigd. Namens de vader en stiefmoeder is op de zitting toegelicht dat het belang van het kind zich niet verzet tegen deze geslachtsnaamwijziging. Het zal juist eenheid bieden binnen het gezin. [minderjarige] is niet meer bezig met haar moeder en vraagt zich al langer af waarom zij de enige is die niet dezelfde achternaam heeft als de andere gezinsleden.
4.6.
De Raad heeft op de zitting geadviseerd dit verzoek toe te wijzen. [minderjarige] heeft de wens uitgesproken om dezelfde achternaam te hebben als de andere gezinsleden en deze geslachtsnaamwijziging doet recht aan de huidige situatie.
4.7.
Ingevolge artikel 1:253t lid 5 BW kan het verzoek tot gezamenlijk gezag vergezeld gaan van een verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van het kind in de geslachtsnaam van de met het gezag belaste ouder of de ander. Een zodanig verzoek wordt afgewezen indien:
het kind van twaalf jaar of ouder ter gelegenheid van zijn verhoor niet heeft ingestemd met het verzoek;
het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt afgewezen; of
het belang van het kind zich tegen toewijzing verzet.
4.8.
De rechtbank zal het verzoek van de vader en stiefmoeder toewijzen en overweegt daartoe als volgt. Artikel 1:253t lid 5 sub a en sub b BW zijn niet van toepassing en niet is gebleken dat het belang van [minderjarige] zich tegen toewijzing van het verzoek verzet (sub c). [minderjarige] heeft immers de wens uitgesproken om de geslachtsnaam te krijgen van de rest van het gezin, namelijk ‘ [geslachtsnaam van de vader] ’. Ook zal wijziging van de geslachtsnaam van [minderjarige] in de geslachtsnaam van vader zorgen voor rust en de erkenning van de plek van [minderjarige] binnen het gezin van vader en stiefmoeder. Tot slot zorgt het voor meer eenheid binnen het gezin.
4.9.
Voor een geslachtsnaamwijziging is tevens nodig dat de ambtenaar van de burgerlijke stand een latere vermelding toevoegt aan de geboorteakte van [minderjarige] als bedoeld in artikel 1:20 lid 2 sub a BW Pro. Hoewel dit niet specifiek is verzocht, begrijpt de rechtbank dat het verzoek van de vader en stiefmoeder zo moet begrepen dat het ook het gelasten hiervan omvat. Gelet daarop zal de rechtbank de ambtenaar van de burgerlijke stand gelasten een latere vermelding van de gewijzigde geslachtsnaam aan de geboorteakte toe te voegen.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de vader en stiefmoeder voortaan gezamenlijk het gezag uitoefenen over de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2017;
5.2.
wijzigt de geslachtsnaam van genoemde minderjarige in: ‘ [geslachtsnaam van de vader] ’;
5.3.
gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Breda van deze beschikking een latere vermelding toe te voegen aan de akte van geboorte, voorkomende in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Breda, in die zin dat de geslachtsnaam van de minderjarige wordt gewijzigd in ‘ [geslachtsnaam van de vader] ’;
5.4.
draagt de griffier op niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking – indien daartegen geen hoger beroep is ingesteld – een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Breda, om de hiervoor vermelde latere vermelding toe te voegen.
Deze beschikking is gegeven door mr. Sumner, rechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Reijerse, griffier, in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2025.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op:

Voetnoten

1.In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.