Deze bestuursrechtelijke zaak betreft een last onder bestuursdwang die het college van burgemeester en wethouders van Tilburg aan eiser heeft opgelegd om afval uit zijn woning te verwijderen vanwege een brandgevaarlijke situatie.
Eiser betwistte de last onder bestuursdwang met verschillende beroepsgronden, waaronder het aanvechten van de juiste adressering, bevoegdheid tot ondertekening van besluiten, en de vraag of hem de overtreding kan worden verweten. De rechtbank oordeelde dat het college bevoegd was om handhavend op te treden op grond van de Omgevingswet en het Besluit bouwwerken leefomgeving.
De rechtbank stelde vast dat de overtreding duidelijk betrekking had op de woning van eiser, dat hij de situatie had kunnen oplossen, en dat het college de besluiten en machtigingen rechtsgeldig had genomen. Ook de stelling dat instortingsgevaar door bouwwerkzaamheden uit 1987 de oorzaak was, werd verworpen omdat het gevaar voortkwam uit de brandbare afvalophoping.
Gelet op het algemeen belang van handhaving en het ontbreken van bijzondere omstandigheden om af te zien van handhaving, verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees zij het verzoek tot terugbetaling van griffierecht af.