ECLI:NL:RBZWB:2025:8839
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond: naheffingsaanslag accijns terecht, verbruiksbelasting onterecht
Belanghebbende B.V. voerde twee transporten uit van accijns- en verbruiksbelastinggoederen vanuit Duitsland naar Nederland in opdracht van een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde onderneming. De inspecteur legde naheffingsaanslagen accijns en verbruiksbelasting, belastingrente en een verzuimboete op. Belanghebbende betwistte de aanslagen en stelde onder meer dat zij de goederen niet feitelijk voorhanden had gehad en dat de accijnzen in Duitsland waren voldaan.
De rechtbank oordeelde dat de naheffingsaanslag accijns terecht was opgelegd omdat belanghebbende betrokken was bij een onregelmatigheid tijdens de overbrenging van de goederen en de accijns daarom terecht bij haar kon worden nageheven. De naheffingsaanslag verbruiksbelasting werd echter onterecht opgelegd omdat belanghebbende niet zelf de goederen feitelijk voorhanden had gehad. De verzuimboete werd als terecht beoordeeld maar werd verminderd met 15% vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
Verder kende de rechtbank een immateriële schadevergoeding toe van € 1.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarvan € 1.178,57 voor rekening van de inspecteur en € 321,43 voor rekening van de Staat. Ook werd een proceskostenvergoeding van € 3.165,12 en vergoeding van het griffierecht toegekend. De uitspraak werd gedaan door rechter J.A. den Braber-Riemens op 10 december 2025.
Uitkomst: Naheffingsaanslag accijns gehandhaafd, naheffingsaanslag verbruiksbelasting vernietigd, verzuimboete verminderd en immateriële schadevergoeding toegekend.