4.4.De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak. Dat betekent ook dat zij over de vergoeding van het griffierecht en de proceskosten nu nog geen beslissing neemt.
- stelt het college in de gelegenheid om binnen acht weken na de dag van verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- draagt het college op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;
- stelt eisers in de gelegenheid om binnen vier weken te reageren op die herstelpoging van het college, in het geval dat het college hier gebruik van maakt;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. B.A.M. van Hoof, griffier en openbaar gemaakt op 12 december 2025 door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
rechter
De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak mede te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Dat kan worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de einduitspraak in deze zaak.
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Artikel 5:16
Een toezichthouder is bevoegd inlichtingen te vorderen.
Een toezichthouder is bevoegd inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden.
Hij is bevoegd van de gegevens en bescheiden kopieën te maken.
Indien het maken van kopieën niet ter plaatse kan geschieden, is hij bevoegd de gegevens en bescheiden voor dat doel voor korte tijd mee te nemen tegen een door hem af te geven schriftelijk bewijs.
Artikel 6:22
Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.
1. De bestuursrechter kan het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De vorige volzin vindt geen toepassing, indien belanghebbenden die niet als partij aan het geding deelnemen daardoor onevenredig kunnen worden benadeeld.
2. De bestuursrechter bepaalt de termijn waarbinnen het bestuursorgaan het gebrek kan herstellen. Hij kan deze termijn verlengen.
Invoeringswet Omgevingswet
Artikel 4.22
Deze paragraaf is van toepassing op de handhaving van:
het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,
het bepaalde bij of krachtens de
1°.Waterwet
2°.Kernenergiewet,
3°.Monumentenwet 1988, voor zover van kracht overeenkomstig artikel 9.1 van de Erfgoedwet,
4°.Ontgrondingenwet,
5°.Wet bescherming Antarctica,
6°.Wet bodembescherming,
7°.Wet geluidhinder,
8°.Wet inzake de luchtverontreiniging,
9°.Wet milieubeheer,
10°.Wet natuurbescherming,
11°.Wet ruimtelijke ordening,
12°.Woningwet,
voor zover bij of krachtens die wetten is bepaald dat hoofdstuk 5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is,
de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden,
artikel 92a en artikel 120 van de Woningwet, voor zover dit laatstgenoemde artikel gaat om regels die voortvloeien uit Externe link:richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen van de Woningwet,
het bepaalde bij of krachtens de als gevolg van deze wet vervallen gedeelten van:
1°.de Wet beheer rijkswaterstaatswerken,
2°.de Spoorwegwet,
3°.de Wet lokaal spoor,
4°.de Wet luchtvaart,
5°.de Mijnbouwwet,
een gedoogplicht bij of krachtens:
1°.de artikelen 9 en 10 van de Waterstaatswet 1900,
2°.artikel 7, eerste lid, onder b, van de Drinkwaterwet,
3°.artikel 20, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998,
4°.artikel 39a van de Gaswet,
5°.artikel 38 van de Warmtewet,
6°.artikel 23, eerste lid, van de Uitvoeringswet Nederlands-Duits Grensverdrag.
1. Als voor de inwerkingtreding van afdeling 18.1 van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, een overtreding is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en voor de inwerkingtreding van die afdeling een bestuurlijke sanctie is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft het oude recht op die bestuurlijke sanctie van toepassing tot het tijdstip waarop:
de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd,
de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen, of
als de beschikking gaat om de oplegging van een last onder dwangsom:
1°. de last volledig is uitgevoerd,
2°. de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of
3°. de last is opgeheven.
2. Afdeling 4.1 is in die gevallen niet van toepassing.
Tijdelijk deel omgevingsplan bestaande uit Bestemmingsplan Buitengebied gemeente Veere
Artikel 1.106
Standplaats: het gedeelte van een kampeerterrein aangewezen voor recreatief verblijf in een kampeermiddel, te onderscheiden in een permanente en een niet-permanente standplaats;
Artikel 21.2.4
Overige bepalingen bij een kleinschalig kampeerterrein
Op een kleinschalig kampeerterrein ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie kleinschalig kamperen' en de aangrenzende gronden waar een bestaand kleinschalig kampeerterrein aanwezig is, gelden in afwijking van het bepaalde onder 21.2.2 onder a de volgende regels:
a. het aantal standplaatsen op een kleinschalig kampeerterrein bedraagt ten hoogste het aantal als aangegeven ter
plaatse van de aanduiding 'maximum aantal standplaatsen';
b. het aantal permanente standplaatsen op een kleinschalig kampeerterrein bedraagt 0 tenzij op de verbeelding de aanduiding 'maximaal aantal permanente plaatsen' is opgenomen; in die gevallen bedraagt het maximaal aantal permanente standplaatsen op een kleinschalig kampeerterrein ten hoogste het aantal als aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal permanente standplaatsen';
c. per standplaats mag maximaal 1 hoofdkampeermiddel worden geplaatst;
d. op een standplaats mogen naast het hoofdkampeermiddel als bedoeld onder c maximaal twee bijbehorende onderkomens worden geplaatst met een maximale oppervlakte van ieder 10 m²;
e. de onderlinge afstand van hoofdkampeermiddelen tot elkaar bedraagt ten minste 5 meter;
f. de oppervlakte van een plaatsgebonden kampeermiddel bedraagt maximaal 55 m²;
g. de (bouw)hoogte van een plaatsgebonden kampeermiddel bedraagt ten hoogste 5 meter;
h. de bouwhoogte van aansluitpalen voor elektra en/of water bedraagt, in afwijking van het bepaalde in 21.2.3, ten hoogste 1,5 meter;
i. de bouwhoogte van sport/speeltoestellen bedraagt ten hoogste 3,5 meter, in afwijking van het bepaalde in 21.2.3;
j. per kleinschalig kampeerterrein dient voorzien te worden in voldoende parkeerruimte ten behoeve van het parkeren of stallen van motorvoertuigen, waarbij een parkeernorm van 1,1 parkeerplaats per standplaats wordt gehanteerd;
k. de afstand van een kleinschalig kampeerterrein tot gronden van derden met de bestemming 'Wonen' bedraagt minimaal 50 meter;
l. het is verboden om kleinschalige kampeerterreinen met elkaar te verbinden, zodanig dat hierdoor grotere kampeerterreinen ontstaan.