ECLI:NL:RBZWB:2025:8879

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
25/1621
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak in handhavingszaak over meerdere hoofdkampeermiddelen op een camping

In deze tussenuitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, gedateerd 12 december 2025, wordt een handhavingsverzoek behandeld dat door eisers is ingediend tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere. Het verzoek betreft de vermeende overtreding van het bestemmingsplan op een kleinschalig kampeerterrein, waar volgens eisers meerdere hoofdkampeermiddelen per standplaats zijn geplaatst, wat in strijd is met artikel 21.2.4 van het bestemmingsplan Buitengebied. Het college had eerder besloten om niet handhavend op te treden, maar de rechtbank oordeelt dat dit besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. De rechtbank stelt vast dat het college niet voldoende heeft gemotiveerd waarom er geen overtreding zou zijn en dat de feitelijke controle niet gedetailleerd genoeg was. De rechtbank maakt gebruik van de bestuurlijke lus, wat inhoudt dat het college de gelegenheid krijgt om het gebrek in het besluit te herstellen. De rechtbank geeft het college acht weken de tijd om een nieuwe controle uit te voeren en de motivering aan te passen. De eisers hebben het beroep gegrond verklaard, wat betekent dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt. De rechtbank houdt verdere beslissingen aan tot de einduitspraak, waarbij ook de proceskosten en het griffierecht nog niet zijn behandeld.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/1621
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2025 in de zaak tussen

1.[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: [ gemachtigde eisers] ),

2.[eiser] C.V., uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: [ gemachtigde eisers] ),
tezamen aangeduid als eisers
en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere
(gemachtigden: [gemachtigde Gemeente Veere] en [gemachtigde gemeente Veere] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om handhaving vanwege het plaatsen van meerdere hoofdkampeermiddelen per standplaats op het kleinschalig kampeerterrein aan [adres] , in strijd met het geldende bestemmingsplan. Het college heeft op 6 mei 2025 besloten af te zien van handhavend optreden. Eisers zijn het niet eens met dit besluit. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de toewijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat er sprake is van een onzorgvuldige motivering van het bestreden besluit. Het college heeft onvoldoende gemotiveerd op grond waarvan het heeft vastgesteld dat er geen sprake is van een overtreding
.Eisers krijgen dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eisers hebben op 8 april 2024 een verzoek om handhaving ingediend tegen vermeende overtredingen op het kleinschalig kampeerterrein aan [adres] . Het college heeft dit verzoek bij primair besluit van 14 augustus 2024 afgewezen.
2.1.
Tegen dit besluit hebben eisers bezwaar gemaakt. Tijdens de bezwaarprocedure heeft een hoorzitting plaatsgevonden. De commissie bezwaarschriften heeft geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren en handhavend op te treden, mits het college bevestigt dat sprake is van een overtreding op basis van de dronebeelden. Het college heeft bij beslissing op bezwaar van 21 februari 2025 het bezwaar gegrond verklaard, vastgesteld dat sprake is van een overtreding en het handhavingsverzoek alsnog toegewezen.
2.2.
Omdat in deze beslissing op bezwaar een verkeerd besluit op het verzoek om proceskostenvergoeding was genomen, heeft het college op 11 maart 2025 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Daarbij is de eerdere beslissing op bezwaar van 21 februari 2025 ingetrokken, vervangen door een inhoudelijk gelijkluidend besluit met uitzondering van een hogere proceskostenvergoeding.
2.3.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
Tijdens de beroepsprocedure heeft het college vervolgens op 6 mei 2025 een nieuw besluit genomen, waarbij het handhavingsverzoek opnieuw is afgewezen. De afwijzing van het handhavingsverzoek berust op het controlerapport van 24 april 2025, opgesteld naar aanleiding van de controle op 22 april 2025, waarin door het college geen overtreding van de norm “maximaal één hoofdkampeermiddel per standplaats” is vastgesteld. Met dit besluit heeft het college zowel de beslissing op bezwaar van 11 maart 2025 als de (eerder reeds ingetrokken) beslissing op bezwaar van 21 februari 2025 ingetrokken. Nu dit besluit is genomen, terwijl het beroep reeds aanhangig was en hierbij het bestreden besluit is ingetrokken en vervangen, wordt het besluit van 6 mei 2025 op grond van artikel 6:19 Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege in de beroepsprocedure betrokken.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 31 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigden van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Heeft het college zorgvuldig onderzocht of op het kampeerterrein aan [adres] een overtreding wordt begaan?
3. Eisers hebben bij het college een handhavingsverzoek ingediend naar aanleiding van vermeende overtredingen op het kleinschalig kampeerterrein aan [adres] . Volgens eisers bevinden zich op een aanzienlijk deel van de 25 standplaatsen meerdere hoofdkampeermiddelen, die elk groter zijn dan 10 m2. Daarmee zou worden gehandeld in strijd met artikel 21.2.4, onderdeel c, van het bestemmingsplan Buitengebied [plaats] (deel uitmakend van het tijdelijke deel van het omgevingsplan), waarin is bepaald dat per standplaats maximaal één hoofdkampeermiddel is toegestaan. Eisers voeren aan dat op diverse standplaatsen, zoals deze feitelijk op de camping zijn ingedeeld, meer dan één hoofdkampeermiddel staat en dat het college de foto’s uit het controlerapport onjuist heeft geïnterpreteerd door niet per feitelijke standplaats, maar slechts globaal over het terrein te tellen. Volgens eisers volgt uit de inrichting van het terrein en de kampeervakken juist dat meerdere hoofdkampeermiddelen één standplaats delen.
3.1.
In het tijdelijke deel van het omgevingsplan, dat bestaat uit het bestemmingsplan ‘Buitengebied [plaats] , staat in artikel 21.2.4 onder c. dat per standplaats maximaal één hoofdkampeermiddel mag worden geplaatst. In artikel 1.106 van het omgevingsplan is “standplaats” gedefinieerd als het gedeelte van een kampeerterrein aangewezen voor recreatief verblijf in een kampeermiddel, te onderscheiden in een permanente en een niet-permanente standplaats. Uit het controlerapport van 24 april 2025, gebaseerd op een controle op 22 april 2025, blijkt dat bij de controle foto’s zijn gemaakt waarop de standplaatsen als afzonderlijk ingerichte plaatsen op het terrein zijn te herkennen. Het college heeft zich bij de beoordeling van het handhavingsverzoek op het standpunt gesteld dat geen overtreding is geconstateerd, omdat op basis van een telling van de aanwezige hoofdkampeermiddelen is geconcludeerd dat het totaal aantal hoofdkampeermiddelen niet hoger is dan het aantal standplaatsen.
3.2.
De rechtbank stelt vast dat het besluit daarmee berust op een beperkte feitelijke analyse: het college heeft wel geteld hoeveel hoofdkampeermiddelen er in totaal op het terrein aanwezig waren, maar niet inzichtelijk gemaakt hoe deze zich precies verhouden tot de in het omgevingsplan gedefinieerde standplaatsen. De rechtbank stelt vast dat het college in het bestreden besluit daarmee onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt en heeft gemotiveerd hoe het is gekomen tot de conclusie dat op het kampeerterrein aan [adres] geen sprake is van een overtreding van artikel 21.2.4, onder c, waarin is bepaald dat per standplaats maximaal één hoofdkampeermiddel is toegestaan.
3.3.
Het is in beginsel aan het college zelf om te bepalen hoe vaak en wanneer er controles plaatsvinden. Daarbij is van belang dat het aantal controles representatief is en de wijze van toezichthouden deugdelijk is. [1] In de beroepsprocedure heeft het college naar voren gebracht dat tijdens de controle van 22 april 2025 foto’s zijn gemaakt van het terrein en dat het totaal aantal aanwezige hoofdkampeermiddelen is geteld. Op basis van deze telling is geconcludeerd dat het totaal aantal hoofdkampeermiddelen niet groter was dan het aantal standplaatsen. De rechtbank stelt vast dat deze werkwijze niet inzichtelijk maakt of er op de afzonderlijke standplaatsen telkens meer dan één hoofdkampeermiddel aanwezig was. Ook is niet gebleken dat het college aanvullende informatie heeft opgevraagd bij de exploitant of andere beschikbare gegevens heeft betrokken, terwijl dit op grond van de artikelen 5:16 en 5:17 Awb wel mogelijk was. Met name de combinatie van de gemotiveerde betwisting door eisers en de beschikbare foto’s had aanleiding moeten zijn voor het college om nader onderzoek te verrichten naar de verdeling van de hoofdkampeermiddelen over de individuele standplaatsen.
3.4.
De rechtbank overweegt dat het college door het niet uitvoeren van een voldoende gedetailleerde controle of concreet onderzoek daarnaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat er geen sprake was van een overtreding van artikel 21.2.4, onder c. Daarmee heeft het college het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid. Het betoog van eisers slaagt.
Bestuurlijke lus
4. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit een gebrek kent. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen, de zogeheten ‘bestuurlijke lus’. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om van deze mogelijkheid gebruik te maken en zal het college in de gelegenheid stellen om een aanvullende dan wel gewijzigde motivering te geven. Om duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of per standplaats meer dan één hoofdkampeermiddel is geplaatst, zal het college een nieuwe, concreet op de specifieke standplaatsen gerichte controle moeten uitvoeren. Daarbij ligt het, gelet op het feit dat er thans geen hoofdkampeermiddelen op de standplaatsen staan, in de rede dat het college niet een fysieke controle verricht, maar de door de exploitant bijgehouden nachtregistratie, waarin per standplaats is vermeld welke kampeermiddelen daar gedurende het seizoen worden geplaatst, opvraagt en betrekt bij zijn beoordeling. Het college dient vervolgens inzichtelijk te maken hoe de feitelijke indeling van het terrein (de “kampeervakken”) zich verhouden tot de standplaatsen in de zin van het omgevingsplan en of, gelet op die standplaatsen, daadwerkelijk wordt voldaan aan de norm “maximaal één hoofdkampeermiddel per standplaats”. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.
4.1.
Indien uit de nieuwe administratieve controle blijkt dat op één of meer standplaatsen meer dan één hoofdkampeermiddel is geplaatst, staat daarmee in beginsel een overtreding van het omgevingsplan vast en ligt handhavend optreden in de rede. In dat stadium is het vervolgens aan eisers om, indien zij menen dat het gebruik wordt beschermd door overgangsrecht, dit beroep op overgangsrecht concreet te onderbouwen aan de hand van stukken en feitelijke gegevens.
4.2.
De rechtbank zal daarna beoordelen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen blijven. Dit kan de rechtbank pas beoordelen nadat het geconstateerde gebrek is gerepareerd.
4.3.
De rechtbank zal de termijn waarbinnen het college de gebreken kan laten herstellen bepalen op acht weken, na de dag van verzending van deze uitspraak. Als het college hiervan geen gebruik wil maken, dan dient het college dit binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen. Als het college wel gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eisers in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op die herstelpoging van het college. Daarna zal de rechtbank in beginsel zonder nadere zitting einduitspraak doen.
4.4.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak. Dat betekent ook dat zij over de vergoeding van het griffierecht en de proceskosten nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
  • stelt het college in de gelegenheid om binnen acht weken na de dag van verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
  • draagt het college op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;
  • stelt eisers in de gelegenheid om binnen vier weken te reageren op die herstelpoging van het college, in het geval dat het college hier gebruik van maakt;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. B.A.M. van Hoof, griffier en openbaar gemaakt op 12 december 2025 door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
rechter
De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak mede te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Dat kan worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de einduitspraak in deze zaak.
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Artikel 5:16
Een toezichthouder is bevoegd inlichtingen te vorderen.
Artikel 5:17
Een toezichthouder is bevoegd inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden.
Hij is bevoegd van de gegevens en bescheiden kopieën te maken.
Indien het maken van kopieën niet ter plaatse kan geschieden, is hij bevoegd de gegevens en bescheiden voor dat doel voor korte tijd mee te nemen tegen een door hem af te geven schriftelijk bewijs.
Artikel 6:22
Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.
Artikel 8:51a
1. De bestuursrechter kan het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De vorige volzin vindt geen toepassing, indien belanghebbenden die niet als partij aan het geding deelnemen daardoor onevenredig kunnen worden benadeeld.
2. De bestuursrechter bepaalt de termijn waarbinnen het bestuursorgaan het gebrek kan herstellen. Hij kan deze termijn verlengen.
Invoeringswet Omgevingswet
Artikel 4.22
Deze paragraaf is van toepassing op de handhaving van:
het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,
het bepaalde bij of krachtens de
1°.Waterwet
2°.Kernenergiewet,
3°.Monumentenwet 1988, voor zover van kracht overeenkomstig artikel 9.1 van de Erfgoedwet,
4°.Ontgrondingenwet,
5°.Wet bescherming Antarctica,
6°.Wet bodembescherming,
7°.Wet geluidhinder,
8°.Wet inzake de luchtverontreiniging,
9°.Wet milieubeheer,
10°.Wet natuurbescherming,
11°.Wet ruimtelijke ordening,
12°.Woningwet,
voor zover bij of krachtens die wetten is bepaald dat hoofdstuk 5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is,
de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden,
artikel 92a en artikel 120 van de Woningwet, voor zover dit laatstgenoemde artikel gaat om regels die voortvloeien uit Externe link:richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen van de Woningwet,
het bepaalde bij of krachtens de als gevolg van deze wet vervallen gedeelten van:
1°.de Wet beheer rijkswaterstaatswerken,
2°.de Spoorwegwet,
3°.de Wet lokaal spoor,
4°.de Wet luchtvaart,
5°.de Mijnbouwwet,
een gedoogplicht bij of krachtens:
1°.de artikelen 9 en 10 van de Waterstaatswet 1900,
2°.artikel 7, eerste lid, onder b, van de Drinkwaterwet,
3°.artikel 20, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998,
4°.artikel 39a van de Gaswet,
5°.artikel 38 van de Warmtewet,
6°.artikel 23, eerste lid, van de Uitvoeringswet Nederlands-Duits Grensverdrag.
Artikel 4.23
1. Als voor de inwerkingtreding van afdeling 18.1 van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, een overtreding is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en voor de inwerkingtreding van die afdeling een bestuurlijke sanctie is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft het oude recht op die bestuurlijke sanctie van toepassing tot het tijdstip waarop:
de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd,
de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen, of
als de beschikking gaat om de oplegging van een last onder dwangsom:
1°. de last volledig is uitgevoerd,
2°. de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of
3°. de last is opgeheven.
2. Afdeling 4.1 is in die gevallen niet van toepassing.
Tijdelijk deel omgevingsplan bestaande uit Bestemmingsplan Buitengebied gemeente Veere
Artikel 1.106
Standplaats: het gedeelte van een kampeerterrein aangewezen voor recreatief verblijf in een kampeermiddel, te onderscheiden in een permanente en een niet-permanente standplaats;
Artikel 21.2.4
Overige bepalingen bij een kleinschalig kampeerterrein
Op een kleinschalig kampeerterrein ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie kleinschalig kamperen' en de aangrenzende gronden waar een bestaand kleinschalig kampeerterrein aanwezig is, gelden in afwijking van het bepaalde onder 21.2.2 onder a de volgende regels:
a. het aantal standplaatsen op een kleinschalig kampeerterrein bedraagt ten hoogste het aantal als aangegeven ter
plaatse van de aanduiding 'maximum aantal standplaatsen';
b. het aantal permanente standplaatsen op een kleinschalig kampeerterrein bedraagt 0 tenzij op de verbeelding de aanduiding 'maximaal aantal permanente plaatsen' is opgenomen; in die gevallen bedraagt het maximaal aantal permanente standplaatsen op een kleinschalig kampeerterrein ten hoogste het aantal als aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal permanente standplaatsen';
c. per standplaats mag maximaal 1 hoofdkampeermiddel worden geplaatst;
d. op een standplaats mogen naast het hoofdkampeermiddel als bedoeld onder c maximaal twee bijbehorende onderkomens worden geplaatst met een maximale oppervlakte van ieder 10 m²;
e. de onderlinge afstand van hoofdkampeermiddelen tot elkaar bedraagt ten minste 5 meter;
f. de oppervlakte van een plaatsgebonden kampeermiddel bedraagt maximaal 55 m²;
g. de (bouw)hoogte van een plaatsgebonden kampeermiddel bedraagt ten hoogste 5 meter;
h. de bouwhoogte van aansluitpalen voor elektra en/of water bedraagt, in afwijking van het bepaalde in 21.2.3, ten hoogste 1,5 meter;
i. de bouwhoogte van sport/speeltoestellen bedraagt ten hoogste 3,5 meter, in afwijking van het bepaalde in 21.2.3;
j. per kleinschalig kampeerterrein dient voorzien te worden in voldoende parkeerruimte ten behoeve van het parkeren of stallen van motorvoertuigen, waarbij een parkeernorm van 1,1 parkeerplaats per standplaats wordt gehanteerd;
k. de afstand van een kleinschalig kampeerterrein tot gronden van derden met de bestemming 'Wonen' bedraagt minimaal 50 meter;
l. het is verboden om kleinschalige kampeerterreinen met elkaar te verbinden, zodanig dat hierdoor grotere kampeerterreinen ontstaan.

Voetnoten

1.Vergelijk r.o. 5.3 van de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 27 juli 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:7660.