ECLI:NL:RBZWB:2025:8915

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
02-113385-24
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis inzake voorbereidingshandelingen voor cocaïne-invoer en diefstal bij Mediamarkt

Op 15 december 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant een vonnis uitgesproken in een strafzaak tegen een verdachte die betrokken was bij voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne in Nederland, het verhandelen van cocaïne, en diefstal van goederen bij de Mediamarkt. De verdachte, geboren in 1979 en gedetineerd in een penitentiaire inrichting, werd bijgestaan door zijn raadsman, mr. H.M. Dunsbergen. Tijdens de zitting op 1 december 2025 werden de standpunten van de officier van justitie, mr. H.G. Klootwijk, en de waarnemend raadsvrouw, mr. S. van Minderhout, gepresenteerd. De tenlastelegging omvatte onder andere het plegen van voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne, het verhandelen van cocaïne, en het stelen van een ringdeurbel en tablets. De rechtbank oordeelde dat de verdachte vrijwillig had ingestemd met procesafspraken die waren gemaakt tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging, en dat deze afspraken de rechtspleging efficiënter maakten. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 40 maanden op, met aftrek van voorarrest, en oordeelde dat de verdachte strafbaar was voor de bewezen feiten. De beslissing is gebaseerd op verschillende artikelen van het Wetboek van Strafrecht en de Opiumwet.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-113385-24
vonnis van de meervoudige kamer van 15 december 2025
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1979 te [geboorteplaats]
wonende te [woonadres]
gedetineerd in de P.I. te [locatie]
raadsman mr. H.M. Dunsbergen, advocaat te Breda

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 1 december 2025, waarbij de officier van justitie, mr. H.G. Klootwijk, en waarnemend raadsvrouw mr. S. van Minderhout hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering en is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met anderen
1. voorbereidingshandelingen heeft gepleegd voor de invoer van cocaïne in Nederland;
2. cocaïne heeft verhandeld, uitgevoerd of aanwezig heeft gehad;
3. een ringdeurbel en tablets heeft weggenomen bij de Mediamarkt;
4. een kogelgeweer, een gaspistool en een pistool en conversiekit voorhanden heeft gehad;
5. een nepvuurwapen (aanvalsgeweer) voorhanden heeft gehad.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De procesafspraken

Deze strafzaak kenmerkt zich doordat het Openbaar Ministerie en de verdediging procesafspraken hebben gemaakt over wat volgens hen een passende uitkomst van de strafzaak zou zijn. Deze procesafspraken zijn opgenomen in een overeenkomst die op 13 oktober 2025 is gesloten en is ondertekend door de officier van justitie en door verdachte en zijn raadsman. Voorafgaand aan de inhoudelijke zitting hebben zij deze overeenkomst overgelegd aan de rechtbank. Het Openbaar Ministerie en de verdediging hebben de rechtbank daarmee een gezamenlijk voorstel gedaan over de wijze van afdoening van de zaak.
Het afdoeningsvoorstel houdt, in de kern, het volgende in:
  • het Openbaar Ministerie zal requireren tot een bewezenverklaring en kwalificatie van de feiten zoals in bijlage A weergegeven;
  • het Openbaar Ministerie zal requireren tot een strafoplegging van 40 maanden gevangenisstraf onvoorwaardelijk met aftrek van voorarrest;
  • het Openbaar Ministerie zal instemmen met een tijdelijke schorsing van de voorlopige hechtenis tot uiterlijk 24 november 2025;
  • het Openbaar Ministerie zal geen ontnemingsvordering indienen;
  • verdachte ziet af van het indienen van onderzoekswensen;
  • door de verdediging worden geen bewijsverweren gevoerd;
  • verdachte zal geen nadere verzoeken doen ten aanzien van de voorlopige hechtenis;
  • verdachte doet afstand van alle onder hem in beslag genomen goederen die nog niet zijn teruggegeven aan verdachte;
  • door de verdediging en het Openbaar Ministerie wordt geen hoger beroep ingesteld indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de tussen de verdachte/verdediging en het Openbaar Ministerie gemaakte afspraken;
  • verdachte zal tijdens de inhoudelijke zitting aanwezig zijn, zodat hij kan worden gehoord over de procesafspraken;
  • verdachte zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf onttrekken.
De gehele overeenkomst is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
Beoordeling van de procesafspraken door de rechtbank
De rechtbank heeft zich gebogen over de vraag of het mogelijk is de zaak conform de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken af te doen. Bij de beoordeling zijn voor de rechtbank leidend geweest de uitgangspunten zoals verwoord door de Hoge Raad in het arrest van 27 september 2022 (vgl. ECLI:NL:HR:2022:1252).
De rechtbank stelt vast dat verdachte bij de totstandkoming van de procesafspraken is bijgestaan door zijn raadsman. Verdachte is ook samen met zijn (waarnemend) raadsvrouw aanwezig geweest op de openbare terechtzitting van 1 december 2025, alwaar de inhoud van het afdoeningsvoorstel is besproken.
De rechtbank heeft ter zitting benadrukt dat de rechtbank geen partij is bij de (totstandkoming van de) procesafspraken en dat de rechtbank daaraan niet gebonden is. De rechtbank houdt immers een eigen verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak plaatsvinden overeenkomstig de geldende wettelijke bepalingen. Hierbij staat met name de beantwoording van de vragen conform artikel 348 en artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering centraal.
De officier van justitie, de raadsvrouw en verdachte hebben ter zitting bevestigd achter het voorstel te staan. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij het voorstel met zijn raadsman heeft besproken en dat de inhoud van die afspraken duidelijk voor hem is. De reden voor hem om procesafspraken te maken is dat hij door het maken van procesafspraken eerder duidelijkheid krijgt over de afloop van de procedure. Verdachte begrijpt wat de consequenties zijn als de rechtbank het voorstel volgt – in het bijzonder met betrekking tot zijn verdedigingsrechten – en hij accepteert de op te leggen straf zoals deze is voorgesteld.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. De wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen doet geen afbreuk aan het aan verdachte op grond van artikel 6 EVRM toekomende recht op een eerlijk proces. De rechtbank ziet dan ook geen reden om de inhoud van de procesafspraken niet bij haar oordeel te betrekken.

5.De beoordeling van het bewijs

5.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, zoals neergelegd in de procesafspraken.
5.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om de procesafspraken te volgen en heeft, conform de procesafspraken, geen bewijsverweren gevoerd.
5.3
Het oordeel van de rechtbank
5.4
De bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht
5.5
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
in de periode van 18 maart 2024 tot en met 12 maart 2025 in Nederland, en/of België en/of Aruba en/of Colombia en/of Peru, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,
te weten
- het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en zijn mededaders, wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
door:
- het voorhanden hebben van (crypto) telefoons, en
- het installeren van verschillende berichtendiensten en aanmaken van groepen binnen die diensten en
- het voorhanden hebben van cryptovaluta en
- het doen van aanbetalingen en betalingen en stellen van borg en
- het leggen en onderhouden van contacten met tussenpersonen en leveranciers, en
- het organiseren van ontmoetingen/vergaderingen in Vlissingen en Rotterdam en Amsterdam en Schiedam en St. Willebrord en
- het kopen van vliegtickets naar Aruba en Colombia en
- het afreizen naar en ontmoeten van tussenpersonen en leveranciers in Aruba en Colombia en
- het verkennen/bezoeken van de havens in Vlissingen en Antwerpen en
- het regelen en aansturen van uithalers en
- het verkrijgen van bills of lading en
- het bespreken van verschillende methodes van invoer;
2
in de periode van 1 maart 2024 tot en met 12 maart 2025 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
3
in de periode van 22 november 2024 tot en met 1 december 2024 te Middelburg, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening een ringdeurbel en tablets heeft weggenomen, welke goederen aan een ander dan verdachte en zijn mededader toebehoorden, te weten het winkelbedrijf Mediamarkt;
4
in de periode van 19 november 2024 tot en met 25 november 2024 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, een wapen van categorie II of III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten
- een kogelgeweer, van het merk AERO Precision Industries,
en
wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten
- een gaspistool, van het merk Blow, type TR92K, en
- een pistool en conversiekit/converter (Roni Carabine Conversion), van het merk Heckler&Koch, type USP
zijnde vuurwapens in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;
5
in de periode van 19 november 2024 tot en met 25 november 2024 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een gelijkenis van een aanvalsgeweer van het merk Heckler&Koch, type 416D voorhanden heeft gehad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

6.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

7.De strafoplegging

7.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert – conform het afdoeningsvoorstel – aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen inhoudelijk strafmaatverweer gevoerd en heeft verzocht aan te sluiten bij het afdoeningsvoorstel.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de invoer in Nederland van cocaïne. Daarnaast heeft verdachte samen met zijn partner gehandeld in cocaïne. Ook heeft verdachte samen met zijn partner diefstallen gepleegd bij de Mediamarkt en heeft hij met anderen meerdere vuurwapens voorhanden gehad. Aan met name de voorbereidingshandelingen die zien op de invoer van cocaïne in Nederland en de daarnaast door verdachte onder andere met zijn partner gepleegde handel in cocaïne tilt de rechtbank bijzonder zwaar. Het is immers algemeen bekend dat cocaïne een harddrug is die voor gebruikers sterk verslavend is en ernstige schade toe kan brengen aan de gezondheid van de gebruikers. De grootschalige handel in en consumptie van harddrugs veroorzaakt daarnaast veel overlast of genereert andere vormen van criminaliteit, waarbij ook het gebruik van geweld niet wordt geschuwd. Het voorhanden hebben van vuurwapens past binnen dit beeld. Met de gepleegde voorbereidingshandelingen lijkt het erop dat verdachte bij de invoer van partijen harddrugs in Nederland een belangrijke schakel is geweest en heeft hij aan die invoer ook een wezenlijke bijdrage geleverd. Om al deze gevolgen heeft hij zich niet bekommerd en kennelijk slechts gehandeld uit winstbejag. Dit alles is de reden dat op dergelijke feiten zware straffen zijn gesteld.
Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden heeft de rechtbank rekening gehouden met het strafblad van verdachte en gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Gelet op de aard en ernst van deze feiten kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij de bepaling van de duur van die gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die plegen te worden opgelegd in soortgelijke zaken en is ook rekening gehouden met de rechterlijke oriëntatiepunten voor straftoemeting.
De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de procesafspraken in deze zaak. Die leiden tot een andere afweging die resulteert in een lagere straf. De rechtbank acht in dit geval een matiging van de straf gerechtvaardigd, omdat verdachte heeft meegewerkt aan een procedure die uiteindelijk tot een efficiëntere rechtspleging heeft geleid. Er zijn allereerst geen onderzoekswensen ingediend. De behandeling van de strafzaak tijdens het onderzoek ter zitting is verder voortvarend verlopen, nu als gevolg van de procesafspraken geen inhoudelijke verweren zijn gevoerd. Bovendien wordt door naleving van de overeenkomst een hoger beroep voorkomen. Dit levert tijdswinst op en bespaart kostbare zittingscapaciteit. Naast deze proceseconomische belangen zorgt deze procedure er ook voor dat zaken eerder onherroepelijk zijn en opgelegde straffen sneller kunnen worden geëxecuteerd. De procesafspraken doen daarmee ook recht aan de belangen van de maatschappij.
De rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat de vrijheidsstraf die in de procesafspraken is overeengekomen onder de gegeven omstandigheden in redelijke verhouding staat tot de ernst en omvang van de feiten, alsook de rol die verdachte daarin heeft vertolkt. De rechtbank legt dan ook aan verdachte op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, met aftrek van de tijd die reeds in voorarrest is doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet en de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.5 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1:Medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, door zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en door voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
feit 2:Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 3:Diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;
feit 4:Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd;
feit 5:Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 40 maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.J. Kok, voorzitter, mr. L.W. Louwerse en mr. M.H.M. Collombon, rechters, in tegenwoordigheid van F.J.M. Nouws, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 15 december 2025.
Mr. L.W. Louwerse en mr. M.H.M. Collombon zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
De tenlastelegging
1
hij in of omstreeks de periode van 18 maart 2024 tot en met 12 maart 2025 te Vlissingen , in elk geval Nederland, en/of België en/of Aruba en/of Colombia en/of Peru,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,
voor te bereiden en/of te bevorderen,
te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen, van cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
door:
- het aanschaffen en/of voorhanden hebben van (crypto)telefoons, en/of
- het installeren van verschillende berichtendiensten en/of aanmaken van groepen binnen die
diensten, en/of
- het voorhanden hebben van cryptovaluta, en/of
- een onbekend gebleven persoon te vragen hem, verdachte, geld te lenen, en/of
- het doen van aanbetalingen en/of betalingen en/of stellen van borg, en/of
- het leggen en/of onderhouden van contacten met tussenpersonen en/of leveranciers, en/of
- het organiseren van ontmoetingen/vergaderingen in Vlissingen en/of Goes en/of Rotterdam
en/of Amsterdam en/of Schiedam en/of St. Willebrord en/of
- het kopen van vliegtickets naar Aruba en/of Colombia, en/of
- het afreizen naar en/of ontmoeten van tussenpersonen en/of leveranciers, in ieder geval
contactpersonen, in Aruba en/of Colombia en/of Peru, en/of
- het verkennen/bezoeken van de havens in Vlissingen en/of Antwerpen, en/of
- het regelen en/of aansturen van uithalers, en/of
- het verkrijgen van bills of lading, en/of
- het bespreken van verschillende methodes van invoer;
(Artikel art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 10a lid 1 ahf/sub 3 Opiumwet, art 10a lid 1 ahf/sub 1 Opiumwet, art 10a lid 1 ahf/sub 2 Opiumwet)
2
hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2024 tot en met 12 maart 2025 te Vlissingen , in elk geval in Nederland, en in België, en op Aruba
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,
(telkens)
opzettelijk
heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht,
in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad,
een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens)
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
(Artikel art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 10 lid 4 Opiumwet, art 2 ahf/ond B Opiumwet)
3
hij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 22 november 2024 tot en met 1 december 2024 te Middelburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening een ringdeurbel en/of 1 of meer tablets heeft weggenomen, welke goederen aan een ander dan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten het winkelbedrijf Mediamarkt;
(Artikel art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht)
4
hij in of omstreeks de periode van 19 november 2024 tot en met 25 november 2024 te Vlissingen , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
een wapen van categorie II en/of III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten
- een kogelgeweer, van het merk AERO Precision Industries,
en/of
wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten
- een gaspistool, van het merk Blow, type TR92K, en/of
- een pistool en conversiekit/converter (Roni Carabine Conversion), van het merk Heckler&Koch, type USP
zijnde vuurwapens in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen;
(Artikel art 26 lid 1 Wet wapens en munitie)
5
hij in of omstreeks de periode van 19 november 2024 tot en met 25 november 2024 te Vlissingen , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten
een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was,
namelijk een gelijkenis van een aanvalsgeweer van het merk Heckler&Koch, type 416D
voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen;
(Artikel art 13 lid 1 Wet wapens en munitie)