ECLI:NL:RBZWB:2025:8916

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
02-316656-24
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Strafzaak tegen verdachte wegens voorbereidingshandelingen voor cocaïne-invoer, witwassen en hennephandel

Op 15 december 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die betrokken was bij voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne in Nederland, het witwassen van geld, en de handel in hennep. De verdachte, geboren in Polen en gedetineerd in een penitentiaire inrichting, werd bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.J.J. van Rijsbergen. Tijdens de zitting op 1 december 2025 hebben de officier van justitie, mr. H.G. Klootwijk, en de verdediging hun standpunten gepresenteerd. De tenlastelegging omvatte onder andere het opzettelijk binnenbrengen van cocaïne, het witwassen van crimineel vermogen, en het verhandelen van hennep. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte vrijwillig heeft ingestemd met procesafspraken die zijn gemaakt tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging, wat leidde tot een efficiëntere rechtspleging. De rechtbank oordeelde dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan de tenlastegelegde feiten en legde een gevangenisstraf van 40 maanden op, met aftrek van voorarrest, en een geldboete van € 20.000. De rechtbank benadrukte dat de zware straffen voor dergelijke feiten gerechtvaardigd zijn, gezien de ernstige gevolgen van de handel in harddrugs en het witwassen van geld. De uitspraak is gedaan op basis van de artikelen van het Wetboek van Strafrecht en de Opiumwet.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-316656-24
vonnis van de meervoudige kamer van 15 december 2025
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats] (Polen)
wonende te [woonplaats] , [woonadres]
gedetineerd in de P.I. te [locatie]
raadsman mr. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 1 december 2025, waarbij de officier van justitie, mr. H.G. Klootwijk, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering en is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met anderen
1. en 2. voorbereidingshandelingen heeft gepleegd voor de invoer in Nederland van cocaïne;
3. geld, een auto en een woning heeft witgewassen;
4. 30 gram hennep heeft verhandeld, althans voorhanden heeft gehad.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De procesafspraken

Deze strafzaak kenmerkt zich doordat het Openbaar Ministerie en de verdediging procesafspraken hebben gemaakt over wat volgens hen een passende uitkomst van de strafzaak zou zijn. Deze procesafspraken zijn opgenomen in een overeenkomst die is op 28 oktober 2025 is ondertekend door de officier van justitie en door verdachte en zijn raadsman. Voorafgaand aan de inhoudelijke zitting hebben zij deze overeenkomst overgelegd aan de rechtbank. Het Openbaar Ministerie en de verdediging hebben de rechtbank daarmee een gezamenlijk voorstel gedaan over de wijze van afdoening van de zaak.
Het afdoeningsvoorstel houdt, in de kern, het volgende in:
  • het Openbaar Ministerie zal requireren tot een bewezenverklaring en kwalificatie van de feiten zoals in bijlage A weergegeven;
  • het Openbaar Ministerie zal requireren tot een strafoplegging van 40 maanden gevangenisstraf onvoorwaardelijk met aftrek van voorarrest en een geldboete van € 20.000,- ;
  • het Openbaar Ministerie zal geen ontnemingsvordering indienen;
  • verdachte ziet af van het indienen van onderzoekswensen;
  • door de verdediging worden geen bewijsverweren gevoerd;
  • door de verdediging en het Openbaar Ministerie wordt geen hoger beroep ingesteld indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de tussen de verdachte/verdediging en het Openbaar Ministerie gemaakte afspraken;
  • verdachte doet afstand van alle onder hem in beslag genomen goederen die nog niet zijn teruggegeven aan verdachte;
  • verdachte zal tijdens de inhoudelijke zitting aanwezig zijn, zodat hij kan worden gehoord over de procesafspraken;
  • verdachte zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf onttrekken.
De gehele overeenkomst is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
Beoordeling van de procesafspraken door de rechtbank
De rechtbank heeft zich gebogen over de vraag of het mogelijk is de zaak conform de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken af te doen. Bij de beoordeling zijn voor de rechtbank leidend geweest de uitgangspunten zoals verwoord door de Hoge Raad in het arrest van 27 september 2022 (vgl. ECLI:NL:HR:2022:1252).
De rechtbank stelt vast dat verdachte bij de totstandkoming van de procesafspraken is bijgestaan door zijn raadsman. Verdachte is ook samen met zijn raadsman aanwezig geweest op de openbare terechtzitting van 1 december 2025, alwaar de inhoud van het afdoeningsvoorstel is besproken.
De rechtbank heeft ter zitting benadrukt dat de rechtbank geen partij is bij de (totstandkoming van de) procesafspraken en dat de rechtbank daaraan niet gebonden is. De rechtbank houdt immers een eigen verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak plaatsvinden overeenkomstig de geldende wettelijke bepalingen. Hierbij staat met name de beantwoording van de vragen conform artikel 348 en artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering centraal.
De officier van justitie, de raadsman en verdachte hebben ter zitting bevestigd achter het voorstel te staan. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij het voorstel met zijn raadsman heeft besproken en dat de inhoud van die afspraken duidelijk voor hem is. De reden voor hem om procesafspraken te maken is dat hij door het maken van procesafspraken eerder duidelijkheid krijgt over de afloop van de procedure. Verdachte begrijpt wat de consequenties zijn als de rechtbank het voorstel volgt – in het bijzonder met betrekking tot zijn verdedigingsrechten – en hij accepteert de op te leggen straf zoals deze is voorgesteld.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. De wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen doet geen afbreuk aan het aan verdachte op grond van artikel 6 EVRM toekomende recht op een eerlijk proces. De rechtbank ziet dan ook geen reden om de inhoud van de procesafspraken niet bij haar oordeel te betrekken.

5.De beoordeling van het bewijs

5.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, zoals neergelegd in de procesafspraken.
5.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om de procesafspraken te volgen en heeft, conform de procesafspraken, geen bewijsverweren gevoerd.
5.3
Het oordeel van de rechtbank
5.4
De bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.
5.5
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
in de periode van 18 maart 2024 tot en met 12 maart 2025 in Nederland, en/of België en/of Aruba en/of Colombia en/of Peru, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,
te weten
- het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en zijn mededaders, wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
door:
- het voorhanden hebben van (crypto) telefoons, en
- het installeren van verschillende berichtendiensten en aanmaken van groepen binnen die diensten en
- het voorhanden hebben van cryptovaluta en
- het doen van aanbetalingen en betalingen en stellen van borg en
- het leggen en onderhouden van contacten met tussenpersonen en leveranciers, en
- het organiseren van ontmoetingen/vergaderingen in Vlissingen en Rotterdam en Amsterdam en Schiedam en St. Willebrord en
- het kopen van vliegtickets naar Aruba en Colombia en
- het afreizen naar en ontmoeten van tussenpersonen en leveranciers in Aruba en Colombia en
- het verkennen/bezoeken van de havens in Vlissingen en Antwerpen en
- het regelen en aansturen van uithalers en
- het verkrijgen van bills of lading en
- het bespreken van verschillende methodes van invoer;
2
in de periode van 5 juni 2020 tot en met 9 maart 2021 in Nederland, en België en Spanje
tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen,
te weten
- het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen,
- het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren, en
- het opzettelijk vervaardigen,
van cocaïne en/of synthetische drugs, middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en zijn mededaders, wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
door:
-het aanschaffen van een SKY-ECC account en ID en
- het lid worden van en communiceren in SKY-ECC groepen en
- het benaderen van leveranciers en
- het bespreken van invoermethodes en
- het vragen naar monsters en
- het doorgeven van adressen waar goederen kunnen worden opgehaald en/of afgeleverd, en
- informeren naar prijzen en
- het uitwisselen van foto’s van blokken cocaïne waarop de stempels te zien zijn en
- het vragen naar A-olie en/of MDMA en
- het bespreken welke en hoeveel materialen aangeschaft moeten worden en
- het sturen van foto’s van ketels;
3
in de periode van 5 juni 2020 tot en met 12 maart 2025, in Nederland, (van) een hoeveelheid geld en een auto (merk Audi E-Tron, [kenteken] ) en een woning aan de [woonadres] ,
Sub a
- heeft verhuld wie de rechthebbende op die voorwerpen was/waren en/of
- heeft verhuld wie die voorwerpen voorhanden had
Sub b
- voorhanden heeft gehad en
- gebruik heeft gemaakt terwijl hij, verdachte, wist dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;
4
in de periode van 26 juni 2020 tot en met 26 februari 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

6.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

7.De strafoplegging

7.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert – conform het afdoeningsvoorstel – aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ingestemd met de door de officier van justitie gevorderde straf.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de invoer in Nederland van cocaïne en synthetische drugs. Daarnaast heeft verdachte crimineel vermogen witgewassen en hield hij zich bezig met de hennephandel. Aan met name de voorbereidingshandelingen die zien op de internationale handel in harddrugs tilt de rechtbank bijzonder zwaar. Het is immers algemeen bekend dat dergelijke harddrugs middelen zijn die voor gebruikers sterk verslavend zijn en ernstige schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers. De grootschalige handel in en consumptie van harddrugs veroorzaakt veel overlast of genereert andere vormen van criminaliteit. Met de gepleegde voorbereidingshandelingen lijkt het erop dat verdachte bij de invoer van partijen harddrugs in Nederland een essentiële schakel is geweest en heeft hij aan die invoer ook een wezenlijke bijdrage geleverd. Dat het criminele handelen van verdachte voor hem ook lucratief is geweest, blijkt wel uit de door verdachte gepleegde witwasactiviteiten. Van het witwassen is bekend dat dit doorgaans resulteert in een ernstige aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer. Om al deze gevolgen heeft hij zich niet bekommerd en kennelijk slechts gehandeld uit winstbejag. Dit alles is de reden dat op dergelijke feiten zware straffen zijn gesteld.
Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden heeft de rechtbank rekening gehouden met het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Voorts heeft de rechtbank gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Gelet op de aard en ernst van deze feiten kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur, waarbij het opleggen van een geldboete ook aangewezen is. Bij de bepaling van de duur en de hoogte heeft de rechtbank acht geslagen op straffen en geldboetes die plegen te worden opgelegd in soortgelijke zaken en is ook rekening gehouden met de rechterlijke oriëntatiepunten voor straftoemeting.
De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de procesafspraken in deze zaak. Die leiden tot een andere afweging die resulteert in een lagere straf. De rechtbank acht in dit geval een matiging van de straf gerechtvaardigd, omdat verdachte heeft meegewerkt aan een procedure die uiteindelijk tot efficiëntere rechtspleging heeft geleid. Er zijn allereerst geen onderzoekswensen ingediend. De behandeling van de strafzaak tijdens het onderzoek ter zitting is verder voortvarend verlopen, nu als gevolg van de procesafspraken geen inhoudelijke verweren zijn gevoerd. Bovendien wordt door naleving van de overeenkomst een hoger beroep voorkomen. Dit levert tijdswinst op en bespaart kostbare zittingscapaciteit. Naast deze proceseconomische belangen zorgt deze procedure er ook voor dat zaken eerder onherroepelijk zijn en opgelegde straffen sneller kunnen worden geëxecuteerd. De procesafspraken doen daarmee ook recht aan de belangen van de maatschappij.
De rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat de vrijheidsstraf en de geldboete die in de procesafspraken zijn overeengekomen onder de gegeven omstandigheden in redelijke verhouding staan tot de ernst en omvang van de feiten, alsook de rol die verdachte daarin heeft vertolkt. De rechtbank legt dan ook aan verdachte op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, met aftrek van de tijd die reeds in voorarrest is doorgebracht en daarnaast een geldboete ter hoogte van € 20.000,-.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 23, 24c, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3, 10a en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.5 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1 en 2 telkens:Medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, door zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en door voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
feit 3:Witwassen, meermalen gepleegd;
feit 4:Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 40 maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- veroordeelt verdachte tot
betaling van een geldboete van € 20.000,=;
- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete,
vervangende hechteniszal worden toegepast van
135 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.J. Kok, voorzitter, mr. L.W. Louwerse en mr. M.H.M. Collombon, rechters, in tegenwoordigheid van F.J.M. Nouws, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 15 december 2025.
Mr. L.W. Louwerse en mr. M.H.M. Collombon zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
De tenlastelegging
1
hij in of omstreeks de periode van 18 maart 2024 tot en met 12 maart
2025 te Vlissingen , in elk geval Nederland, en/of België en/of Aruba
en/of Colombia en/of Peru,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de
Opiumwet,
voor te bereiden en/of te bevorderen,
te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland
brengen,
van cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet
behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van
de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen
plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te
zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te
verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het
plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere
betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of
zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden
dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
door:
- het aanschaffen en/of voorhanden hebben van (crypto) telefoons, en/of
- het installeren van verschillende berichtendiensten en/of aanmaken
van groepen binnen die diensten, en/of
- het voorhanden hebben van cryptovaluta, en/of
- het doen van aanbetalingen en/of betalingen en/of stellen van borg,
en/of
- het leggen en/of onderhouden van contacten met tussenpersonen
en/of leveranciers, en/of
- het organiseren van ontmoetingen/vergaderingen in Vlissingen en/of
Goes en/of Rotterdam en/of Amsterdam en/of Schiedam en/of St.
Willebrord en/of
- het kopen van vliegtickets naar Aruba en/of Colombia, en/of
- het afreizen naar en/of ontmoeten van tussenpersonen en/of
leveranciers, in ieder geval contactpersonen, in Aruba en/of Colombia
en/of Peru, en/of
- het verkennen/bezoeken van de havens in Vlissingen en/of Antwerpen,
en/of
- het regelen en/of aansturen van uithalers, en/of
- het verkrijgen van bills of lading, en/of
- het bespreken van verschillende methodes van invoer;
( art 10a lid 1 ahf/sub 1 Opiumwet, art 10a lid 1 ahf/sub 2 Opiumwet, art
10a lid 1 ahf/sub 3 Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van
Strafrecht)
2
hij in of omstreeks de periode van 5 juni 2020 tot en met 9 maart 2021 te
Vlissingen en/of Goes en/of Eindhoven, in elk geval Nederland, en/of
België en/of Spanje
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de
Opiumwet,
voor te bereiden en/of te bevorderen,
te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland
brengen,
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,
afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen,
van cocaïne en/of synthetische drugs, in elk geval een middel als
bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen
krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen
plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te
zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te
verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het
plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere
betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of
zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden
dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
door:
-het aanschaffen en/of aanmaken van een SKY-ECC account en/of ID,
en/of
- het lid worden van en/of communiceren in SKY-ECC groepen, en/of
- het benaderen van leveranciers, en/of
- het bespreken van invoermethodes, en/of
- het vragen naar monsters, en/of
- het voorstellen van een ontmoeting met iemand uit Colombia, en/of
- het doorgeven van adressen waar goederen kunnen worden opgehaald
en/of afgeleverd, en/of
- informeren naar prijzen, en/of
- het uitwisselen van foto’s van blokken cocaïne waarop de stempels te
zien zijn, en/of
- het vragen naar A-olie en/of MDMA, en/of
- het bespreken welke en hoeveel materialen aangeschaft moeten
worden, en/of
- het sturen van foto’s en/of aanschaffen van ketels;
( art 10 lid 4 Opiumwet, art 10 lid 5 Opiumwet, art 10a lid 1 ahf/sub 3
alinea Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
3
hij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 5 juni
2020 tot en met 12 maart 2025, te Vlissingen en/of Eindhoven, in elk
geval Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen
(van) een hoeveelheid geld en/of een auto (merk Audi E-Tron, [kenteken]
[kenteken] ) en/of een woning aan de [woonadres] , althans een
of meer voorwerpen,
Sub a
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of
de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende (n) op dat
/die voorwerp(en) was/waren, en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en)
voorhanden had(den)
Sub b
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft
omgezet, en/of
- gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte, wist dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of
middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
( art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 420bis lid 1
ahf/ond b Wetboek van Strafrecht )
4
hij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 26 juni
2020 tot en met 26 februari 2021 te Vlissingen en/of Eindhoven, in elk
geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, in elk geval
opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid hennep, in elk geval
een hoeveelheid van
meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;