ECLI:NL:RBZWB:2025:8919

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
02-100431-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Strafzaak tegen verdachte wegens cocaïnehandel en diefstal bij Mediamarkt

Op 15 december 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van het verhandelen en aanwezig hebben van cocaïne, evenals diefstal in vereniging van een ringdeurbel en tablets bij de Mediamarkt. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte, samen met anderen, cocaïne heeft verhandeld en 33,44 gram cocaïne aanwezig heeft gehad. Daarnaast heeft de verdachte samen met anderen een ringdeurbel en tablets weggenomen bij de Mediamarkt. De zaak is inhoudelijk behandeld op 1 december 2025, waarbij de officier van justitie, mr. H.G. Klootwijk, en de verdediging hun standpunten hebben gepresenteerd. De rechtbank heeft procesafspraken goedgekeurd die zijn gemaakt tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging, wat leidde tot een voorstel voor strafoplegging. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verdachte vrijwillig heeft ingestemd met deze afspraken en dat er geen belemmeringen waren voor een eerlijke rechtsgang. Uiteindelijk is de verdachte veroordeeld tot een onvoorwaardelijke werkstraf van 160 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één jaar met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank heeft rekening gehouden met de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de gemaakte procesafspraken, die hebben bijgedragen aan een efficiënte rechtspleging.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-100431-25
vonnis van de meervoudige kamer van 15 december 2025
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1993 te [geboorteplaats]
wonende te [woonadres]
raadsvrouw mr. S. van Minderhout, advocaat te Breda

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 1 december 2025, waarbij de officier van justitie, mr. H.G. Klootwijk, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
1. samen met anderen cocaïne aanwezig heeft gehad, heeft ingevoerd of heeft verhandeld;
2. samen met anderen 33,44 gram cocaïne voorhanden heeft gehad;
3. samen met anderen een ringdeurbel en 1 of meer tablets heeft weggenomen bij de Mediamarkt. Subsidiair is dit tenlastegelegd als de heling van die ringdeurbel en tablets.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De procesafspraken

Deze strafzaak kenmerkt zich doordat het Openbaar Ministerie en de verdediging procesafspraken hebben gemaakt over wat volgens hen een passende uitkomst van de strafzaak zou zijn. Deze procesafspraken zijn opgenomen in een overeenkomst die is op 13 oktober 2025 is gesloten en is ondertekend door de officier van justitie en door verdachte en haar raadsvrouw. Voorafgaand aan de inhoudelijke zitting hebben zij deze overeenkomst overgelegd aan de rechtbank. Het Openbaar Ministerie en de verdediging hebben de rechtbank daarmee een gezamenlijk voorstel gedaan over de wijze van afdoening van de zaak.
Het afdoeningsvoorstel houdt, in de kern, het volgende in:
  • het Openbaar Ministerie zal requireren tot een bewezenverklaring en kwalificatie van de feiten zoals in bijlage A weergegeven;
  • het Openbaar Ministerie zal requireren tot een strafoplegging van een werkstraf van 160 uur en een gevangenisstraf van één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
  • het Openbaar Ministerie zal geen ontnemingsvordering indienen;
  • verdachte ziet af van het indienen van onderzoekswensen;
  • door de verdediging worden geen bewijsverweren gevoerd;
  • door de verdediging en het Openbaar Ministerie wordt geen hoger beroep ingesteld indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de tussen de verdachte/verdediging en het Openbaar Ministerie gemaakte afspraken;
  • verdachte zal tijdens de inhoudelijke zitting aanwezig zijn, zodat zij kan worden gehoord over de procesafspraken;
  • verdachte zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf onttrekken.
De gehele overeenkomst is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
Beoordeling van de procesafspraken door de rechtbank
De rechtbank heeft zich gebogen over de vraag of het mogelijk is de zaak conform de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken af te doen. Bij de beoordeling zijn voor de rechtbank leidend geweest de uitgangspunten zoals verwoord door de Hoge Raad in het arrest van 27 september 2022 (vgl. ECLI:NL:HR:2022:1252).
De rechtbank stelt vast dat verdachte bij de totstandkoming van de procesafspraken is bijgestaan door haar raadsvrouw. Verdachte is ook samen met haar raadsvrouw aanwezig geweest op de openbare terechtzitting van 1 december 2025, alwaar de inhoud van het afdoeningsvoorstel is besproken.
De rechtbank heeft ter zitting benadrukt dat de rechtbank geen partij is bij de (totstandkoming van de) procesafspraken en dat de rechtbank daaraan niet gebonden is. De rechtbank houdt immers een eigen verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak plaatsvinden overeenkomstig de geldende wettelijke bepalingen. Hierbij staat met name de beantwoording van de vragen conform artikel 348 en artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering centraal.
De officier van justitie, de raadsvrouw en verdachte hebben ter zitting bevestigd achter het voorstel te staan. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij het voorstel met haar raadsvrouw heeft besproken en dat de inhoud van die afspraken duidelijk voor haar is. Verdachte begrijpt wat de consequenties zijn als de rechtbank het voorstel volgt – in het bijzonder met betrekking tot haar verdedigingsrechten – en zij accepteert de op te leggen straf zoals deze is voorgesteld.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl zij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. De wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen doet geen afbreuk aan het aan verdachte op grond van artikel 6 EVRM toekomende recht op een eerlijk proces. De rechtbank ziet dan ook geen reden om de inhoud van de procesafspraken niet bij haar oordeel te betrekken.

5.De beoordeling van het bewijs

5.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, zoals neergelegd in de procesafspraken.
5.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om de procesafspraken te volgen en heeft, conform de procesafspraken, geen bewijsverweren gevoerd.
5.3
Het oordeel van de rechtbank
5.4
De bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht
5.5
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
in de periode van 1 maart 2024 tot en met 12 maart 2025 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander, meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2
op 12 maart 2025 te Vlissingen tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad 33,44 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
3
primair
in de periode van 22 november 2024 tot en met 1 december 2024 te Middelburg, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening een ringdeurbel en 1 of meer tablets heeft weggenomen, welke goederen aan een ander dan verdachte en haar mededader toebehoorden, te weten het winkelbedrijf Mediamarkt.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

6.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

7.De strafoplegging

7.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert – conform het afdoeningsvoorstel – aan verdachte op te leggen een werkstraf van 160 uur en een gevangenisstraf van één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ingestemd met de door de officier van justitie gevorderde straf.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich samen met haar partner bezig gehouden met de handel in cocaïne. Voor die handel had zij ook 33,44 gram cocaïne in haar woning aanwezig. Ook heeft verdachte samen met haar partner diefstallen gepleegd bij de Mediamarkt.
Het is algemeen bekend dat cocaïne een harddrug is die voor gebruikers sterk verslavend is en ernstige schade toe kan brengen aan de gezondheid van de gebruikers. De handel in en consumptie van harddrugs veroorzaakt daarnaast veel overlast of genereert andere vormen van criminaliteit, waarbij ook het gebruik van geweld niet wordt geschuwd. Om deze gevolgen heeft zij zich niet bekommerd en kennelijk slechts gehandeld uit winstbejag.
Gelet op de aard en ernst van deze feiten kan naar het oordeel van de rechtbank in beginsel niet anders worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Hierbij heeft de rechtbank acht geslagen op de rechterlijke oriëntatiepunten voor straftoemeting.
Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden heeft de rechtbank rekening gehouden met het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de procesafspraken in deze zaak. Die leiden tot een andere afweging die resulteert in een lagere straf. De rechtbank acht in dit geval een matiging van de straf gerechtvaardigd, omdat verdachte heeft meegewerkt aan een procedure die uiteindelijk tot efficiëntere rechtspleging heeft geleid. Er zijn allereerst geen onderzoekswensen ingediend. De behandeling van de strafzaak tijdens het onderzoek ter zitting is verder voortvarend verlopen, nu als gevolg van de procesafspraken geen inhoudelijke verweren zijn gevoerd. Bovendien wordt door naleving van de overeenkomst een hoger beroep voorkomen. Dit levert tijdswinst op en bespaart kostbare zittingscapaciteit. Naast deze proceseconomische belangen zorgt deze procedure er ook voor dat zaken eerder onherroepelijk zijn en opgelegde straffen sneller kunnen worden geëxecuteerd. De procesafspraken doen daarmee ook recht aan de belangen van de maatschappij.
De rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat de straf die in de procesafspraken is overeengekomen, onder de gegeven omstandigheden in redelijke verhouding staat tot de ernst en omvang van de feiten, alsook de rol die verdachte daarin heeft vertolkt. De rechtbank legt dan ook aan verdachte op een onvoorwaardelijke werkstraf van 160 uur, met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht, en daarnaast een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar met een proeftijd van twee jaar.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 47, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.5 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1:Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 2:Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 3 primair:Diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt verdachte tot
een taakstraf van 160 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht,
vervangende hechteniszal worden toegepast van
80 dagen;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf naar rato van 2 uur per dag.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.J. Kok, voorzitter, mr. L.W. Louwerse en mr. M.H.M. Collombon, rechters, in tegenwoordigheid van F.J.M. Nouws, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 15 december 2025.
Mr. L.W. Louwerse en mr. M.H.M. Collombon zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
De tenlastelegging
1
zij in of omstreeks de periode van 1 maart 2024 tot en met 12 maart 2025 te
Vlissingen , in elk geval in Nederland, en in België,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
meermalen, althans eenmaal,
(telkens) opzettelijk
heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of
verstrekt en/of vervoerd en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft
gebracht,
in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad,
een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens)
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
( art 10 lid 4 Opiumwet, art 2 ahf/ond B Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek
van Strafrecht )
2
zij op of omstreeks 12 maart 2025 te Vlissingen
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
aanwezig heeft gehad
ongeveer 33,44 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal
bevattende cocaïne, zijnde cocaïne
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
( art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek
van Strafrecht )
3
zij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 22 november 2024
tot en met 1 december 2024 te Middelburg, tezamen en in vereniging met een ander
of anderen, althans alleen,
met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening een ringdeurbel en/of 1 of meer
tablets heeft weggenomen, welke goederen aan een ander dan verdachte en/of haar
mededader(s) toebehoorden, te weten het winkelbedrijf Mediamarkt;
( art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht )
Subsidiair:
zij in of omstreeks de periode van 22 november 2024 tot en met 1 december 2024 te
Vlissingen , in elk geval in Nederland,
een ringdeurbel en/of 1 of meer tablets, althans goederen heeft verworven,
voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen,
terwijl zij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van die goederen
wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
( art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht )