ECLI:NL:RBZWB:2025:8920

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
25/567 t/m 25/569
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Geheimhoudingsbeslissing
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing geheimhouding inzake belastingzaken met betrekking tot belanghebbende uit België

Op 15 december 2025 heeft de enkelvoudige geheimhoudingskamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant een beslissing genomen over een verzoek om geheimhouding van de inspecteur van de Belastingdienst. Dit verzoek was ingediend op 27 oktober 2025 en betrof verschillende documenten die de inspecteur geheim wilde houden op basis van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De belanghebbende, een Belgische partij, heeft bezwaar gemaakt tegen de geheimhouding, stellende dat dit zijn recht op een eerlijk proces en controle op de rechtmatigheid van de belastingaanslagen zou schaden. De rechtbank heeft besloten geen zitting te houden, omdat de aard van de procedure dit niet vereiste. De geheimhoudingskamer heeft de stukken beoordeeld en geconcludeerd dat in sommige gevallen de geheimhouding gerechtvaardigd is, vooral ter bescherming van persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen. Echter, het verzoek om geheimhouding voor het document getiteld “Verloop controle [bedrijf] / [onderzoeksnaam]” is afgewezen, omdat de inspecteur niet voldoende heeft gemotiveerd waarom dit document geheim zou moeten blijven. De inspecteur is verzocht om binnen vier weken te rapporteren over de gevolgen van deze beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht
Zaaknummers: BRE 25/567 tot en met 25/569
beslissing van de enkelvoudige geheimhoudingskamer van 15 december 2025 in de zaken tussen
[belanghebbende], uit [plaats] (België), belanghebbende
(gemachtigde: mr. M. Hendriks),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1.Het verzoek

1.1.
De inspecteur heeft, bij brief met dagtekening 27 oktober 2025 (de brief van 27 oktober 2025), een verzoek om geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaan. De inspecteur heeft daarbij een gesloten enveloppe overgelegd met stukken die hij (deels) geheim wil houden. In de enveloppe is kortgezegd aanwezig:
een nadere toelichting op het verzoek om geheimhouding;
een vijftal e-mailberichten (in een geschoonde en ongeschoonde versie);
een intern memo (in een geschoonde en ongeschoonde versie);
een aantal klikbrieven en correspondentie met en over klikkers (telkens alleen in een ongeschoonde versie);
een document getiteld “ Verloop controle [bedrijf] / [onderzoeksnaam] ” (alleen in een ongeschoonde versie);
een Signaaldocument RIEC van de Politie Peelland (in een geschoonde en ongeschoonde versie);
een preweeg document met [onderzoeksnaam] (in een geschoonde en ongeschoonde versie).
Bij de brief van 27 oktober 2025 is een geschoonde versie gevoegd van het hiervoor genoemde preweeg document.
1.2.
De geschoonde stukken als bedoeld in 1.1, genummerd 2, 3 en 6, zijn als bijlagen bij het verweerschrift in de hoofdzaken gevoegd. Van dat verweerschrift en die bijlagen heeft de gemachtigde van de rechtbank een afschrift ontvangen. De rechtbank heeft tevens een afschrift van de brief van 27 oktober 2025, met bijlage, aan de gemachtigde verstrekt.
1.3.
De gemachtigde heeft, bij brief van 13 november 2025, gereageerd op het verzoek van de inspecteur. Daarbij heeft hij aangegeven dat belanghebbende niet akkoord gaat met geheimhouding. Belanghebbende voert aan dat de inspecteur zijn verzoek om geheimhouding summier heeft gemotiveerd en dat reeds daarom geen sprake is van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb. Zonder volledige inzage van de geheimgehouden stukken zou belanghebbende niet kunnen controleren of het onderzoek rechtmatig is verlopen en of de aanslagen en boeten correct zijn opgelegd, waarbij wordt verwezen naar artikel 17 van de Grondwet.
1.4.
Bij brief van 9 december 2025 heeft de inspecteur een aanvulling gedaan op het geheimhoudingsverzoek. Daarbij is een exemplaar van het Signaaldocument RIEC van de Politie Peelland overgelegd, waarin minder is geschoond dan in de versie als bedoeld in 1.2. De rechtbank heeft de brief van 9 december 2025, met bijlage, aan de gemachtigde overgelegd. Hieronder zal de geheimhoudingskamer de minder geschoonde versie van het Signaaldocument RIEC van de Politie Peelland beoordelen.

2.Overwegingen

Geen zitting
2.1.
De geheimhoudingskamer heeft besloten een mondelinge behandeling ter zitting achterwege te laten. Reden daarvoor is dat de aard van de geheimhoudingsprocedure meebrengt dat een behandeling ter zitting in dit geval naar het oordeel van de geheimhoudingskamer niet geschikt is om het verzoek om geheimhouding van de inspecteur te behandelen. [1] In wat belanghebbende heeft aangevoerd heeft de geheimhoudingskamer geen aanleiding gezien om wel een zitting te houden.
Vooraf
2.2.
De geheimhoudingskamer begrijpt dat de inspecteur zich ten aanzien van de in 1.1, genummerd 1, bedoelde nadere toelichting beroept op geheimhouding, gelet op de gedetailleerde gegevens die in die toelichting worden genoemd. De geheimhoudingskamer heeft die nadere toelichting niet doorgezonden naar belanghebbende. Dat heeft tot gevolg dat belanghebbende daarvan geen kennis heeft kunnen nemen en daar dus ook niet op heeft kunnen reageren. Om die reden zal de geheimhoudingskamer die nadere toelichting in haar beoordeling geheel buiten beschouwing laten en het verzoek om geheimhouding uitsluitend beoordelen op basis van de motivering van de inspecteur die belanghebbende heeft bereikt (de brief van 27 oktober 2025). De geheimhoudingskamer merkt hier nog het volgende bij op. De inspecteur heeft ervoor gekozen om de nadere toelichting vorm te geven als een verzoek om geheimhouding, net als de brief van 27 oktober 2025. Deze nadere toelichting is gelijktijdig met de brief van 27 oktober 2025 aan de rechtbank verzonden en ook heeft de inspecteur een instructie toegevoegd welk stuk aan belanghebbende kon worden verzonden. De geheimhoudingskamer beschikt nu dus over twee verschillende versies van het verzoek. De geheimhoudingskamer vindt deze handelwijze uiterst ongelukkig en verzoekt de inspecteur voortaan in het verzoek de toelichting op te nemen zoals ook bekend kan worden gemaakt aan belanghebbende.
2.2.1.
Ten aanzien van het in 1.1, genummerd 3, bedoelde intern memo verzoekt de inspecteur onder meer een passage geheim te houden waarin hij de situatie van mevrouw [naam] bespreekt. In de in 1.3 bedoelde brief staat dat belanghebbende zich niet verzet tegen geheimhouding van deze passage. De geheimhoudingskamer zal deze passage dan ook niet in haar beoordeling betrekken.
De op de zaak betrekking hebbende stukken
2.3.
Belanghebbende stelt dat er helderheid moet komen over de omvang van de op de zaak betrekking hebbende stukken alvorens de geheimhoudingskamer het verzoek om geheimhouding in behandeling kan nemen. Belanghebbende stelt daarbij dat de inspecteur diverse op de zaak betrekking hebbende stukken niet heeft ingebracht.
2.3.1.
De geheimhoudingskamer overweegt dat de beoordeling of de op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van de Awb zijn overgelegd toekomt aan de hoofdkamer. Dat betekent dat de geheimhoudingskamer hierna alleen toetst of (gedeeltelijke) geheimhouding van de in 1.1 bedoelde stukken gerechtvaardigd is.
Kader voor beoordeling artikel 8:29 van de Awb
2.4.
De omstandigheid dat stukken behoren tot op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van de Awb brengt niet automatisch mee dat die stukken (volledig) aan de andere partij ter kennis moeten worden gebracht. Het bepaalde in artikel 8:29 van de Awb biedt aan partijen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid het overleggen van stukken te weigeren (geheimhouding) of de rechtbank mede te delen dat uitsluitend de rechtbank kennis zal mogen nemen van deze stukken (beperkte kennisneming).
2.4.1.
Het verschil tussen het honoreren van een verzoek om geheimhouding en het honoreren van een verzoek om beperking van kennisneming is als volgt:
a. geheimhouding: (delen van de) stukken mogen door een partij worden onthouden aan de rechter die de hoofdzaak beslist en aan de wederpartij; zowel de rechter die de hoofdzaak beslist als de wederpartij nemen geen kennis van deze (delen van) stukken en deze blijven bij de beslissing van de hoofdzaak geheel buiten beschouwing (geheimhouding).
b. beperking kennisneming: de (delen van de) stukken komen wel ter beschikking van de rechter die de hoofdzaak beslist, maar de wederpartij kan geen kennis nemen van deze (delen van) stukken: de kennisneming is beperkt tot de rechter die de hoofdzaak beslist (beperkte kennisneming).
2.4.2.
De geheimhoudingskamer begrijpt dat de inspecteur zich beroept op geheimhouding (variant a.). De geheimhoudingskamer zal daarom uitsluitend beoordelen of geheimhouding gerechtvaardigd is.
2.4.3.
Bij het geheimhouden van (delen van) op de zaak betrekking hebbende stukken moet de grootst mogelijke terughoudendheid wordt betracht. Slechts indien de door de inspecteur voor geheimhouding aangevoerde redenen zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van (delen van) de op de zaak betrekking hebbende stukken, is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen.
Beoordeling van het verzoek
2.5.
De geheimhoudingskamer heeft, met toepassing van artikel 8:29 van de Awb, kennisgenomen van de geheimgehouden stukken (veronderstellend dat deze stukken op de zaak betrekking hebben in de zin van artikel 8:42 van de Awb) en van de stukken van de hoofdzaken. Deze stukken zijn vervolgens onderworpen aan een afweging van het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming tegenover de redenen van de inspecteur om die stukken geheim te houden.
2) De vijf e-mailberichten
2.5.1.
Ten aanzien van vijf e-mailberichten heeft de inspecteur verzocht om een aantal passages uit die e-mailberichten geheim te houden. Meer specifiek betreft dat de volgende geheim te houden delen van stukken:
een intern e-mailbericht van 23 juni 2020 waarin de inspecteur verwijzingen naar een klikker en een klikbrief als bijlage geheim heeft gehouden omdat ernstige vrees bestaat voor de veiligheid van de klikker als zijn/haar naam bekend wordt;
een intern e-mailbericht van 20 maart 2019 waarin de inspecteur een aantal passages geheim heeft gehouden die volgens hem vallen onder de vrijheid en vertrouwelijkheid van juridisch intern beraad van de Belastingdienst;
een intern e-mailbericht van 17 september 2019 waarin de inspecteur een aantal passages geheim heeft gehouden die volgens hem vallen onder de vrijheid en vertrouwelijkheid van juridisch intern beraad van de Belastingdienst;
een intern e-mailbericht van 7 juni 2023 waarin de inspecteur één passage geheim heeft gehouden die volgens hem valt onder de vrijheid en vertrouwelijkheid van juridisch intern beraad van de Belastingdienst;
een intern e-mailbericht van 3 september 2020 waarin de inspecteur één passage geheim heeft gehouden waarin persoonlijke omstandigheden van een medewerker van de Belastingdienst zijn beschreven.
Geheimgehouden delen van e-mailbericht 1
2.5.2.
Ten aanzien van de delen in het e-mailbericht onder 1 die zien op verwijzingen naar een klikker en een klikbrief is de geheimhoudingskamer van oordeel dat geheimhouding gerechtvaardigd is. Uit de titel van de klikbrief en de verwijzingen naar de klikker in dat e-mailbericht zou belanghebbende kunnen opmaken door wie die brief is geschreven. Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer weegt het belang bij bescherming van persoonsgegevens en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de klikker zwaarder dan het belang dat belanghebbende heeft bij kennisneming van de geheimgehouden stukken. De inspecteur mag die betreffende delen van het e-mailbericht en de titel van de klikbrief dus geheimhouden.
Geheimgehouden delen van e-mailberichten 2, 3 en 4
2.5.3.
Ten aanzien van de geheimgehouden delen van de e-mailberichten waarvan de inspecteur stelt dat sprake is van juridisch intern beraad (e-mailberichten 2, 3 en 4), overweegt de geheimhoudingskamer dat de vrijheid en vertrouwelijkheid van juridisch intern beraad van de Belastingdienst een belang kan zijn dat geheimhouding van stukken op grond van artikel 8:29 van de Awb kan rechtvaardigen. [2] Dat kan anders zijn indien de inhoud van die stukken ook bijvoorbeeld niet aan belanghebbende bekende feitelijke informatie bevat, waardoor het verdedigingsbelang van belanghebbende in het gedrang zou kunnen komen.
2.5.4.
De geheimgehouden delen in de e-mailberichten 2, 3 en 4 zijn naar het oordeel van de geheimhoudingskamer aan te merken als juridisch intern beraad van de Belastingdienst en bevatten geen voor belanghebbende onbekende feitelijke informatie. Gelet op de aard en inhoud van die passages, is de geheimhoudingskamer van oordeel dat het belang van de inspecteur bij geheimhouding zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming. Er is daarom sprake van gewichtige redenen die geheimhouding op grond van artikel 8:29 van de Awb rechtvaardigen.
Geheimgehouden delen van e-mailbericht 5
2.5.5.
Tot slot is de geheimhoudingskamer van oordeel dat ten aanzien van de passage in het e-mailbericht genoemd onder 5, waarvan de inspecteur zich beroept op de persoonlijke levenssfeer van een medewerker van de Belastingdienst, geheimhouding van ook die passage gerechtvaardigd is. De betreffende passage heeft geen relevantie voor de beslechting van de hoofdzaken en ziet uitsluitend op persoonlijke omstandigheden van een medewerker van de Belastingdienst. Het belang van de inspecteur bij geheimhouding van die passage in verband met bescherming van persoonsgegevens en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de medewerker weegt daarom zwaarder dan het belang dat belanghebbende heeft bij kennisneming van het geheimgehouden stuk.
3) Intern memo van de inspecteur
2.5.6.
Ten aanzien van een door de inspecteur intern opgesteld memo heeft de inspecteur verzocht om een aantal delen van dat memo geheim te houden. Meer specifiek betreft dat (anders dan bedoeld in 2.2.1) het volgende:
een passage opgenomen in het interne memo onder ‘bijkomende onderwerpen’ welke informatie volgens de inspecteur ziet op een onderwerp dat niet in geschil is, en waarvan de geheimgehouden passage ziet op niet in de procedure betrokken personen;
een passage opgenomen in het interne memo onder ‘bijkomende onderwerpen’ welke informatie volgens de inspecteur eveneens ziet op een onderwerp dat niet in geschil is.
2.5.7.
De geheimhoudingskamer constateert ten aanzien van de eerstgenoemde passage dat daarin uitsluitend informatie met betrekking tot derden is opgenomen. De in die passage opgenomen informatie kan geen nader licht op de zaken van belanghebbende in deze procedure werpen. Geheimhouding van die passage is naar het oordeel van de geheimhoudingskamer om die reden gerechtvaardigd.
2.5.8.
Ook ten aanzien van de tweede hiervoor genoemde passage is de geheimhoudingskamer van oordeel dat geheimhouding gerechtvaardigd is. Die passage ziet op informatie die geen direct verband houdt met de zaken van belanghebbende en ook geen relevantie heeft voor het geschil dat partijen in deze procedure verdeeld houdt. De inspecteur mag deze passage daarom ook geheimhouden.
4) Klikbrieven en correspondentie met en over klikkers
2.5.9.
Verder doet de inspecteur een verzoek om geheimhouding ten aanzien van een aantal door hem aan de geheimhoudingskamer overgelegde bijlagen die hij in de brief van 27 oktober 2025 benoemt als klikbrieven. De geheimhoudingskamer constateert dat die stukken bestaan uit enerzijds klikbrieven en verklaringen van klikkers, met daarbij soms ook bijlagen, en anderzijds uit interne meldingen en interne e-mailcorrespondentie van de inspecteur over de klikbrieven en (afgelegde verklaringen door) klikkers.
2.5.10.
De geheimhoudingskamer overweegt dat belanghebbende uit al de hiervoor bedoelde stukken zou kunnen opmaken wie de klikbrieven heeft geschreven dan wel verklaringen heeft afgelegd. Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer weegt het belang bij bescherming van persoonsgegevens en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de klikkers zwaarder dan het belang dat belanghebbende heeft bij kennisneming van de geheimgehouden stukken. De geheimhoudingskamer is daarom van oordeel dat sprake is van gewichtige redenen die geheimhouding op grond van artikel 8:29 van de Awb rechtvaardigen. Dat betekent dat de inspecteur stukken die hij aan de geheimhoudingskamer heeft overgelegd onder de noemer ‘klikbrieven’ geheim mag houden.
5) Het document “ Verloop controle [bedrijf] / [onderzoeksnaam]
2.5.11.
In de brief van 27 oktober 2025 geeft de inspecteur niet aan waarom het document “ Verloop controle [bedrijf] / [onderzoeksnaam] ” geheim moet blijven. Hierdoor kan de geheimhoudingskamer niet beoordelen of het verzoek om geheimhouding van dit document gerechtvaardigd is. De rechtbank zal het verzoek voor wat betreft dit stuk dan ook afwijzen. De geheimhoudingskamer merkt daarbij nog op dat het zeer wel mogelijk is dat het betreffende document in de hoofdzaken reeds aan belanghebbende is verstrekt, maar dat de inspecteur in de hoofdzaken dusdanig veel documenten heeft ingebracht, dat de geheimhoudingskamer dit niet heeft gecontroleerd.
6) Het Signaaldocument RIEC ( het signaaldocument )
2.5.12.
De ongeschoonde versie van het signaaldocument bevat geel gearceerde delen waarbij in de kantlijn nummer 1, 2 of 3 is vermeld.
2.5.13.
De geheimhoudingskamer overweegt met betrekking tot de geel gearceerde passages die zijn voorzien van nummer 1 dat in deze passages sprake is van informatie over derden en er geen relevantie is voor de beslechting van de hoofdzaken. De geheimhoudingskamer is daarom van oordeel dat de geel gearceerde passages met nummer 1 wegens privacyoverwegingen geheimgehouden mogen worden. De bescherming van informatie over derden weegt naar het oordeel van de geheimhoudingskamer zwaarder dan het belang dat belanghebbende heeft bij kennisneming van deze passages.
2.5.14.
Met betrekking tot de geel gearceerde passages die zijn voorzien van nummer 2 overweegt de geheimhoudingskamer dat deze informatie verwijst naar personen die bij de politie meldingen of aangiften hebben gedaan met betrekking tot belanghebbende. Om te voorkomen dat uit deze passages zou kunnen worden opgemaakt wie de meldingen of aangiften heeft gedaan is de geheimhoudingskamer van oordeel dat ook deze passages geheimgehouden mogen worden. Het belang bij bescherming van persoonsgegevens en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de melders weegt zwaarder dan het belang dat belanghebbende heeft bij kennisneming van deze passages.
2.5.15.
Met betrekking tot de geel gearceerde passages die zijn voorzien van nummer 3 is de geheimhoudingskamer eveneens van oordeel dat deze geheimgehouden mogen worden. In deze passages wordt gesproken over mogelijke strafbare feiten, die geen onderdeel vormen van de procedure, waarvoor belanghebbende al dan niet vervolgd zou kunnen worden. Het belang van een effectieve rechtshandhaving en het opsporen en vervolgen van strafbare feiten weegt naar het oordeel van de geheimhoudingskamer zwaarder dan het belang dat belanghebbende heeft bij kennisneming van deze passages.
7) Het preweeg document met zaaksnaam [onderzoeksnaam] (het preweeg document)
2.5.16.
In het preweeg document zijn allereerst passages gelakt, op pagina 1, omdat dit persoonlijke informatie betreft van FIOD-medewerkers. Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer mogen deze passages geheimgehouden worden. Het belang bij bescherming van persoonsgegevens en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de FIOD-medewerkers weegt zwaarder dan het belang dat belanghebbende heeft bij kennisneming van de geheimgehouden passages.
2.5.17.
Voorts is in het preweeg document een passage gelakt, op pagina 4, omdat daarin verwijzingen zijn opgenomen naar een klikker en een medewerker van de [bedrijf] Groep . Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer mag deze passage geheimgehouden worden. Het belang bij bescherming van persoonsgegevens en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de klikker en de medewerker van de [bedrijf] Groep weegt zwaarder dan het belang dat belanghebbende heeft bij kennisneming van de geheimgehouden passage.
2.5.18.
Tot slot is in het preweeg document een passage gelakt, op pagina 11, omdat deze passage informatie bevat over een ander subject. Met betrekking tot deze passage is de geheimhoudingskamer eveneens van oordeel dat deze geheimgehouden mag worden. Het belang van de privacy van het subject en het belang van een effectieve rechtshandhaving en het opsporen en vervolgen van strafbare feiten wegen naar het oordeel van de geheimhoudingskamer zwaarder dan het belang dat belanghebbende heeft bij kennisneming van deze passage.
2.6.
De inspecteur wordt door de geheimhoudingskamer in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na verzending van deze beslissing schriftelijk aan de rechtbank mede te delen welke consequenties hij aan de beslissing van de geheimhoudingskamer verbindt. Dit houdt in dat de inspecteur de keuze moet maken de beslissing van de geheimhoudingskamer (geheel) na te leven of dat niet (geheel) te doen, in welk laatste geval hij de uit toepassing van artikel 8:31 van de Awb mogelijkerwijs voortvloeiende consequenties daarvan zal moeten aanvaarden. [3]

3.Beslissing

De geheimhoudingskamer:
  • wijst het verzoek om geheimhouding af voor zover het betreft het document getiteld “ Verloop controle [bedrijf] / [onderzoeksnaam] ”;
  • wijst het verzoek om geheimhouding voor het overige toe;
  • verzoekt de inspecteur om binnen vier weken na verzending van deze beslissing aan de rechtbank te berichten of hij bereid is het stuk ten aanzien waarvan het verzoek om geheimhouding (gedeeltelijk) is afgewezen in het geding te brengen en zo ja, dit te doen binnen de genoemde termijn van vier weken na verzending van deze beslissing.
Deze beslissing is genomen door mr. drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier, op 15 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Deze beslissing is in Mijn Rechtspraak geplaatst.
Rechtsmiddel
Tegen deze beslissing kan ingevolge artikel 8:104, derde lid, van de Awb slechts tegelijk met het hoger beroep tegen de uitspraak in de hoofdzaak hoger beroep worden ingesteld.

Voetnoten

1.Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 13 april 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1593, r.o. 3.31.
2.Vgl. conclusie A-G Wattel 25 april 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BA3851, punten 4.12, 4.15 en 4.21.
3.Zie Hoge Raad 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:3600.