ECLI:NL:RBZWB:2025:8941

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
02-166219-24; 02-230376-24
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Strafzaak tegen minderjarige verdachte wegens straatroof en vernieling met recidive

In deze strafzaak is de minderjarige verdachte beschuldigd van het medeplegen van een straatroof en het opzettelijk beschadigen en vernielen van andermans eigendommen. De feiten vonden plaats op 3 november 2023 in Tilburg, waar de verdachte samen met anderen een voorbijganger, aangeduid als [aangever 1], met geweld en bedreiging heeft gedwongen tot de afgifte van zijn persoonlijke bezittingen, waaronder airpods, kleding en een pinpas. Daarnaast heeft de verdachte ook schade toegebracht aan de eigendommen van anderen, waaronder een fiets en een brommer. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte recidive vertoont, wat normaal gesproken zou leiden tot een onvoorwaardelijke jeugddetentie. Echter, de rechtbank heeft ook rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn van negen maanden in deze zaak en de positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte in de afgelopen twee jaar. Uiteindelijk heeft de rechtbank besloten om de verdachte een werkstraf van 130 uren op te leggen in plaats van jeugddetentie. De benadeelde partij [aangever 1] heeft een schadevergoeding van € 9.437,44 gevorderd, waarvan de rechtbank € 3.851,55 heeft toegewezen. De benadeelde partij [aangever 3] heeft een schadevergoeding van € 100,- gevorderd, welke ook is toegewezen. De rechtbank heeft de verdachte hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de schade.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummers: 02-166219-24; 02-230376-24 (ter zitting gevoegd)
Vonnis (vul parketnummer in)van de meervoudige kamer van 16 december 2025
in de strafzaak tegen de minderjarige
[verdachte]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2008
wonende te [woonplaats]
raadsvrouw mr. S. van Minderhout, advocaat te Breda

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 2 december 2025, waarbij de officier van justitie mr. H.E. de Haze en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
Parketnummer 02-166219-24
feit 1:
samen met anderen [aangever 1] met geweld en bedreiging met geweld heeft gedwongen tot de afgifte van zijn airpods, jas, trui, pinpas en identiteitskaart;
feit 2:
een Pringles apparaat, kaarsenhouder, fiets en brommer van [bedrijf] , [aangever 2] en/of [aangever 3] heeft vernield of beschadigd;
Parketnummer 02-230376-24
samen met anderen een GoPro Hero 10 van [aangever 4] heeft gestolen.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
Parketnummer 02-166219-24
feit 1:
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de afpersing met geweld en bedreiging met geweld.
feit 2:
Tevens kunnen volgens de officier van justitie de ten laste gelegde vernielingen wettig en overtuigend worden bewezen.
Parketnummer 02-230376-24
Voor de diefstal van de camera wordt vrijspraak gevraagd.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
Parketnummer 02-166219-24
feit 1:
De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van de afpersing. Zij verzoekt evenwel in de tenlastelegging weg te strepen dat [aangever 1] aan de jas
van verdachtemoest voelen, nu dit de jas van een medeverdachte zou betreffen.
feit 2:
De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de vernielingen.
Parketnummer 02-230376-24
Ten aanzien van diefstal is aangevoerd dat zowel verdachte als de medeverdachten hebben verklaard dat het de bedoeling is geweest om voor de grap een filmpje te maken met de camera en dat die daarna zou worden terug gehangen. Om die reden ontbreekt het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening van de camera en dient verdachte te worden vrijgesproken van dit feit.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Parketnummer 02-166219-24
feit 1:
Op grond van de opgenomen bewijsmiddelen acht de rechtbank de afpersing met geweld en bedreiging met geweld van [aangever 1] wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging verbeterd moet worden gelezen, in die zin dat [aangever 1] bij ‘een van de verdachten’ aan zijn jas moest voelen (aan een hard voorwerp, dat leek op een vuurwapen). Dit leidt niet tot een partiële vrijspraak, zoals de verdediging meent.
feit 2:
Gelet op de bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank eveneens wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte een kaarsenhouder heeft vernield en een Pringles apparaat, een fiets en een brommer heeft beschadigd.
Parketnummer 02-230376-24
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de diefstal van de camera, de GoPro Hero 10, niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, nu verdachte heeft verklaard dat hij deze camera weliswaar had gepakt, maar enkel met de intentie om hiermee voor de grap een filmpje te maken en de camera daarna weer terug te hangen. Voordat verdachte de kans had om het geintje uit te halen, werden hij en de medeverdachten door de aangever en omstanders al tegen gehouden. Los van de vraag of dit handelen als “grappig” moet worden beschouwd én verdachte met zijn handen van andermans spullen af moet blijven, is naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan dat verdachte en zijn mededaders hebben gehandeld met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening van de camera. Zij zal verdachte van dit feit vrijspreken.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
Parketnummer 02-166219-24
feit 1:in de periode van 3 november 2023 tot en met 4 november 2023 te Tilburg
tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld
[aangever 1] heeft gedwongen tot de afgifte van airpods en jas en trui en
pinpas en identiteitskaart, die aan die [aangever 1] toebehoorden door
- op hem af te fietsen en daarbij toe te voegen 'nu ben jij de sjaak' of 'hij is de lul' en
- voornoemde [aangever 1] klem te rijden en van de fiets af te duwen waardoor die [aangever 1] ten val kwam en
-
hemtoe te voegen 'wij willen geld en 'wij willen barkies' en 'jij weet niet wie ik ben' en 'geef je patta's' en
- hem meermaals
tegenhet hoofd en/of het lichaam te slaan en te stompen en
tetrappen en/of te schoppen en
- voornoemde [aangever 1] aan te geven dat hij aan de jas van
een van deverdachte
nmoest voelen
waar een hard voorwerp in zat en daarbij toe te voegen 'je weet wat we hebben, als je maar een woord zegt dan gebruiken we het’;
feit 2:op 3 november 2023 te Tilburg opzettelijk en wederrechtelijk een
Pringles apparaat en een kaarsenhouder en een fiets en een brommer
(Tomos Quatro [kenteken] ) die aan [bedrijf] of [aangever 2] of [aangever 3] toebehoorden heeft vernield
en/ofbeschadigd.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte voor de feiten onder parketnummer 02-166219-24 op te leggen een werkstraf van 130 uur waarvan 40 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt aan te sluiten bij het advies van de Raad voor de Kinderbescherming en een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen. Zij vraagt mee te wegen dat verdachte de verantwoording neemt voor zijn gedrag, intussen vrijwillig aan de slag is gegaan met begeleiding en ondersteuning en een positieve en structurele dag- en vrijetijdsbesteding heeft. Ook verzoekt zij de overschrijding van de redelijke termijn te verdisconteren in de strafmaat en voorbij te gaan aan het taakstrafverbod.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de bepaling van de op te leggen straf rekening met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en met de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank houdt verder rekening met de persoon en met de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft op 3 november 2023 tijdens en na een avondje bowlen met vrienden een chips-apparaat, een fiets en brommer beschadigd en een kaarsenhouder vernield. Verdachte heeft daarmee geen respect getoond voor de eigendommen van de slachtoffers, die door zijn onbezonnen handelen (financiële) schade hebben geleden en hinder of ongemak hebben ondervonden.
Het zwaartepunt in deze zaak ligt bij de straatroof die verdachte samen met zijn vrienden, medeverdachten, na de voornoemde beschadigingen en vernieling in de nacht van 3 op 4 november 2023 heeft gepleegd. [aangever 1] , een willekeurige voorbijganger, is door de verdachten te grazen genomen nadat hij van zijn werk kwam. Met de woorden: “en nu ben jij de sjaak” leek zijn lot bezegeld en heeft hij het flink moeten ontgelden. Hij is klemgereden, geslagen en geschopt door de verdachten met de bedoeling hem zijn persoonlijke spullen af te laten geven, waaronder een deel van zijn kleding in de koude novembernacht. Kennelijk was dat nog niet voldoende, want er werd ook geld geëist. Toen bleek dat [aangever 1] geen geld bij zich had, is een vriend van [aangever 1] gebeld met het verzoek om geld naar zijn rekening over te maken, ook toen is [aangever 1] weer geslagen. [aangever 1] is vervolgens ook nog met de dood bedreigd, waarbij hem het idee is gegeven dat een van de verdachten een vuurwapen bij zich droeg. Tussentijds werden de verdachten gestoord door mensen die langs liepen, die dachten dat er iets anders aan de hand was en hun hulp aanboden. Maar die mensen werden door de verdachten brutaal en berekenend met een smoes afgewimpeld. Het is onbegrijpelijk dat de verdachten ook daarna gewoon zijn doorgegaan met hun gewelddadige actie.
Dit alles is, zoals ook blijkt uit de aangifte en ter zitting voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring, enorm heftig geweest voor [aangever 1] . Hij heeft flink fysiek letsel opgelopen, waarvan hij de weken na het voorval last heeft gehad. Ook heeft hij van de straatroof tot op de dag van vandaag in mentale zin nog veel last. Bovendien ervaart de samenleving dit soort misdrijven met willekeurig gekozen slachtoffers als schokkend en draagt het bij aan gevoelens van onrust en onveiligheid.
De rechtbank weegt mee dat verdachte de initiator van de straatroof is geweest en bij de uitvoering daarvan ook de leidende rol heeft gehad.
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij eerder, in 2023, is veroordeeld voor vernieling en een poging tot zware mishandeling.
De rechtbank heeft ook gekeken naar het advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en de toelichting hierop ter zitting. Verdachte heeft na het plegen van de delicten op vrijwillige basis veel aan zichzelf gewerkt. Met het onderzoek door Mentaal Beter is duidelijkheid gekomen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van verdachte. De risico’s op diverse leefgebieden zijn aangepakt met hulp van Self Doen Wat Werkt en een persoonlijke coach. Verdachte is inmiddels rustiger geworden, kan beter met zijn gevoelens en agressie omgaan en is minder impulsief. Zijn gedrag op school en thuis wordt nu positief genoemd en zijn sociaal netwerk is verbeterd. Alleen het middelengebruik van verdachte is een aandachtspunt, maar hij beseft dat hij daar voorzichtig mee om moet gaan. Verdachte is de afgelopen twee jaar niet meer negatief in beeld geweest bij de reclassering. Het recidiverisico wordt door de Raad laag ingeschat. De Raad adviseert verdachte een (deels) voorwaardelijke taakstraf op te leggen, in de vorm van een werkstraf.
De rechtbank slaat bij het bepalen van de strafmaat verder acht op de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS voor minderjarigen. Hierin staat vermeld dat het uitgangspunt voor een diefstal met geweld 60 uur werkstraf (dan wel dienovereenkomstige jeugddetentie) betreft waarbij iedere strafverzwarende omstandigheid de strafmaat in beginsel voor 60 uur werkstraf verhoogt. De bedreiging met een wapen, de prominente rol van verdachte en het georganiseerde karakter van de groep gelden hierbij naar het oordeel van de rechtbank als strafverzwarende omstandigheden. Daarnaast laten de oriëntatiepunten een taakstraf van 20 uur zien voor één beschadiging/vernieling. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de beschadigingen en vernieling direct na elkaar zijn gepleegd.
Het taakstrafverbod is in deze zaak van toepassing vanwege de recidive van verdachte. Dit betekent dat hier een onvoorwaardelijke jeugddetentie zou moeten volgen. De rechtbank dient echter bij het opleggen van de straf – in strafmatigende zin ‒ ook rekening te houden met de omstandigheid dat de redelijke termijn in deze zaak met maar liefst negen maanden is overschreden. Gelet op deze forse overschrijding in combinatie met de positieve ontwikkelingen die verdachte de afgelopen twee jaar heeft doorgemaakt, ziet de rechtbank geen meerwaarde in het alsnog opleggen van een onvoorwaardelijke jeugddetentie. Vanwege de persoonlijke vooruitgang van verdachte en het gegeven dat hij de afgelopen periode geen nieuwe misdrijven heeft gepleegd, ziet de rechtbank evenmin aanleiding om een voorwaardelijke straf op te leggen als een stok achter de deur.
De rechtbank zal verdachte een werkstraf opleggen van 130 uren.

7.De benadeelde partijen

[aangever 1]
De benadeelde partij [aangever 1] vordert een schadevergoeding van € 9.437,44 voor
het ten laste gelegde feit, bestaande uit € 1.937,44 materiële schade en € 7.500,-- immateriële schade. Tevens wordt de wettelijke rente gevorderd en wordt verzocht de schadevergoedingsmaatregel toe te passen.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De rechtbank neemt per opgevoerde schadepost aangaande de materiële schade het navolgende in aanmerking.
- EMDR-therapie € 258,75:
De kosten voor deze therapie zijn met facturen van een psycholoog onderbouwd en worden niet vergoed door de zorgverzekeraar. De rechtbank acht deze kosten daarom toewijsbaar. Deze kosten zijn gemaakt, terwijl er ook (na een aanzienlijke wachttijd) vergoede zorg mogelijk was. Echter, er is voldoende gemotiveerd gesteld dat deze vergoede zorg niet afgewacht kon worden, om de psychische schade te beperken;
- Identiteitskaart € 37,95 en pasfoto voor de identiteitskaart € 10,-:
De benadeelde partij heeft blijkens de bijgesloten kassabonnen van de gemeente en een winkel waar een pasfoto is gemaakt, een nieuwe identiteitskaart moeten aanvragen en betaald, zodat deze posten kunnen worden toegewezen.
- Apple AirPods € 269,--:
De benadeelde partij is gedwongen tot de afgifte van zijn AirPods, die hij nog maar net had gekocht. Hij heeft nieuwe AirPods aangeschaft, waarvan een kassabon is bijgesloten. De schade is daarmee voldoende onderbouwd en deze post toewijsbaar.
- Jas € 100,- en trui € 70,-:
Uit het dossier is gebleken dat de jas en trui door het bewezenverklaarde beschadigd en/of bebloed zijn geraakt, door de verdachten zijn meegenomen en enkele dagen buiten hebben gelegen. De schade is onderbouwd met afbeeldingen en prijzen van soortgelijke kledingstukken. De gevorderde bedragen komen de rechtbank redelijk voor en zal zij toewijzen.
- Fietsreparatie € 90,85:
In het dossier komt naar voren dat tijdens het bewezenverklaarde de fiets van de benadeelde partij is gevallen. Dat de fiets daardoor is beschadigd, is een logisch gevolg van het handelen van verdachten. Deze schade is voldoende onderbouwd met afbeeldingen van een drietal fietsonderdelen die zijn vervangen en de daarbij behorende prijzen. Ook deze schadepost zal worden toegewezen.
- Werkuniform/schort € 15,--:
De benadeelde partij heeft ter zitting toegelicht dat hij het schort na het incident niet meer heeft terug ontvangen en zelf een nieuw schort heeft moeten kopen. Deze schadepost is voldoende onderbouwd en kan worden toegewezen.
- Reiskosten € 502,26 en taxi/Uber-kosten € 583,63:
De benadeelde partij heeft aangegeven dat deze kosten zijn gemaakt omdat hij zich na het bewezenverklaarde niet meer alleen in het donker op straat durfde te begeven en daarom naar/van school, stage, werk en sport moest worden gebracht/opgehaald, wat tot extra benzinekosten en taxikosten heeft geleid. De rechtbank acht voorstelbaar dat dit vervoer voor een bepaalde duur wel noodzakelijk is geweest, maar zij kan op basis van de overgelegde stukken onvoldoende vaststellen voor welke periode en welke vervoersbewegingen- of trajecten die noodzaak heeft bestaan.
Verdere behandeling van dit deel van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk in de vordering zal worden verklaard.
Gelet op het vorenstaande kan de materiële schade worden toegewezen tot een bedrag van
€ 851,55.
Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade van € 7.500,-- overweegt de rechtbank als volgt.
De benadeelde partij heeft door het bewezenverklaarde handelen van de (mede)verdachte(n) onmiskenbaar lichamelijk en geestelijk letsel opgelopen. Dit is onderbouwd met medische stukken van de huisarts en het ziekenhuis. Het fysieke letsel dat is toegebracht is relatief beperkt gebleven. De gebeurtenis heeft vooral veel psychische impact gehad, waarvoor de benadeelde partij ook EMDR-behandelingen heeft moeten ondergaan. Gelet op de aard en ernst van het letsel en de gevolgen hiervan voor zover thans bekend, begroot de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid op € 3.000,-. In zoverre is de gevorderde immateriële schade toewijsbaar. De benadeelde partij zal voor het overige deel van deze schade niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat de beoordeling daarvan nader onderzoek vergt dat een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
De rechtbank wijst aldus schadevergoeding toe tot een totaal bedrag van € 3.851,55. Voor het overige deel van de gevorderde schade is de benadeelde partij niet-ontvankelijk. Dat deel kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Zij ziet in dit verband geen aanleiding om af te wijken van de jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot groepsaansprakelijkheid. Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door één of meer mededaders is betaald, en andersom.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf 3 november 2023.
De rechtbank zal voorts de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen. Gelet op het feit dat verdachte minderjarig was ten tijde van het gepleegde feit zal de duur van de gijzeling op 0 dagen worden vastgesteld.
[aangever 3]
De benadeelde partij [aangever 3] vordert een schadevergoeding van € 100,- voor feit 2 (
02-166219-24), bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en toepassing van de schademaatregel.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover deze benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
In de aangifte van de benadeelde partij is vermeld dat het achterwiel van de fiets krom stond en dat de standaard daarvan was gesloopt. Hij verzoekt ook specifiek deze schade te vergoeden en heeft een screenshot overgelegd van een bankafschrijving aan een rijwielhandel van € 100,-. De rechtbank acht de schade daarmee voldoende onderbouwd en geheel toewijsbaar.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf 3 november 2023.
De rechtbank zal voorts de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen. Gelet op het feit dat verdachte minderjarig was ten tijde van het gepleegde feit zal de duur van de gijzeling op 0 dagen worden vastgesteld.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 47, 63, 77a, 77g, 77m, 77n, 317 en 350 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.Beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
parketnummer 02-230376-24
-
spreekt verdachte vrijvan het ten laste gelegde feit;
Parketnummer 02-166219-24
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1:medeplegen van afpersing;
feit 2:opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een
ander toebehoort, beschadigen, meermalen gepleegd en
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een
ander toebehoort, vernielen;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf in de vorm van
een werkstraf van 130 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht,
vervangende jeugddetentiezal worden toegepast van
65 dagen;
Benadeelde partijen
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij
[aangever 1]van
€ 3.851,55, waarvan € 851,55 aan materiële schade en € 3.000,-- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 3 november 2023 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[aangever 1],
€ 3.851,55te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf
3 november 2023 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 0 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij
[aangever 3]van
€ 100,--aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 3 november 2023 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[aangever 3],
€ 100,--te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf
3 november 2023 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 0 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.H. Hamburger, voorzitter, en mrs. V.M. Schotanus en
S. Tempel, allen kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. D.A.C.M. Roebroeks, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 16 december 2025.