ECLI:NL:RBZWB:2025:8943

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
02-166223-24
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Straatroof door minderjarige met geweld en bedreiging, met overschrijding van redelijke termijn

Op 16 december 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een minderjarige verdachte, die samen met anderen schuldig is bevonden aan straatroof. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte, in de nacht van 3 op 4 november 2023, samen met medeverdachten een willekeurige voorbijganger, aangeduid als [aangever], heeft bedreigd en gedwongen tot de afgifte van zijn persoonlijke bezittingen, waaronder AirPods, kleding en een identiteitskaart. De rechtbank heeft ook geconstateerd dat er sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn van negen maanden in deze jeugdstrafzaak. De verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren, waarbij de rechtbank rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de ernst van het gepleegde feit. De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij, [aangever], tot schadevergoeding toegewezen tot een totaalbedrag van € 3.851,55, bestaande uit materiële en immateriële schade. De rechtbank heeft de verdachte hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de schade, samen met zijn mededaders. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van kinderrechters, en de zaak is behandeld met gesloten deuren.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-166223-24
vonnis van de meervoudige kamer van 16 december 2025
in de strafzaak tegen de minderjarige
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 2007 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
raadsman mr. B. Çiçek, advocaat te Breda

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 2 december 2025, waarbij de officier van justitie, mr. H.E. de Haze, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met anderen [aangever] door geweld of bedreiging met geweld heeft gedwongen tot de afgifte van zijn AirPods, jas, trui, pinpas en identiteitskaart;

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het feit wettig en overtuigend bewezen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich voor wat betreft de bewezenverklaring aan het oordeel van de rechtbank en verzoekt verdachte partieel vrij te spreken, voor het trappen tegen het slachtoffer.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Ten aanzien van het tenlastegelegde feit heeft verdachte een bekennende verklaring afgelegd en ter zake daarvan is geen vrijspraak bepleit. Daarom zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 2 december 2025;
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever] d.d. 4 november 2023, pagina 14-16 van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2023298806;
- het proces-verbaal van verhoor van [aangever] d.d. 4 november 2023, pagina 28-31 van het eindproces-verbaal met dossiernummer PL2000-2023298806;
De raadsman heeft partiële vrijspraak bepleit voor het trappen/schoppen van [aangever] . [aangever] heeft verklaard dat hij zowel is geslagen als geschopt door de verdachten tegen zijn hoofd en bovenlichaam. Die verklaring vindt steun in de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , die aangeven dat onder meer verdachte degene is geweest die [aangever] heeft geschopt. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van die lezing. De rechtbank acht, nu sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking, alle ten laste gelegde geweldshandelingen wettig en overtuigend bewezen.
4.4
De bewezenverklaring
in de periode van 3 november 2023 tot en met 4 november 2023 te Tilburg
tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld
[aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van airpods en jas en trui en
pinpas en identiteitskaart, die aan die [aangever] toebehoorden door
- op hem af te fietsen en daarbij toe te voegen 'nu ben jij de sjaak' of 'hij is de lul' en
- voornoemde [aangever] klem te rijden en van de fiets af te duwen waardoor die [aangever] ten val kwam en
-
hemtoe te voegen 'wij willen geld en 'wij willen barkies' en 'jij weet niet wie ik ben' en 'geef je patta's' en
- hem meermaals
tegenhet hoofd en/of het lichaam te slaan en te stompen en
tetrappen en/of te schoppen en
- voornoemde [aangever] aan te geven dat hij aan de jas van
een van deverdachte
nmoest voelen
waar een hard voorwerp in zat en daarbij toe te voegen 'je weet wat we hebben, als je maar een woord zegt dan gebruiken we het’;
De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten verbeterd Naar het oordeel van de rechtbank is de verdachte door deze taalkundige verbetering van de tenlastelegging niet geschaad in de verdediging.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een werkstraf van 100 uur.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank bij het opleggen van de straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Hij heeft zijn leven gebeterd, hetgeen ook wordt onderkent door de Raad. Verder dient de rechtbank rekening te houden met de forse overschrijding van de redelijke termijn in jeugdstrafzaken. De verdediging verzoekt verdachte een geheel voorwaardelijke werkstraf op te leggen.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de bepaling van de op te leggen straf rekening met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en met de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank houdt verder rekening met de persoon en met de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich in de nacht van 3 op 4 november 2023 samen met anderen schuldig gemaakt aan een straatroof. [aangever] , een willekeurige voorbijganger, is door de verdachten te grazen genomen nadat hij van zijn werk kwam. Met de woorden: “en nu ben jij de sjaak” leek zijn lot bezegeld en heeft hij het flink moeten ontgelden. Hij is klemgereden, geslagen en geschopt door de verdachten met de bedoeling hem zijn persoonlijke spullen af te laten geven, waaronder een deel van zijn kleding in de koude novembernacht. Kennelijk was dat nog niet voldoende, want er werd ook geld geëist. Toen bleek dat [aangever] geen geld bij zich had, is een vriend van [aangever] gebeld met het verzoek om geld naar zijn rekening over te maken, ook toen is [aangever] weer geslagen. [aangever] is vervolgens ook nog met de dood bedreigd, waarbij hem het idee is gegeven dat een van de verdachten een vuurwapen bij zich droeg. Tussentijds werden de verdachten gestoord door mensen die langs liepen, die dachten dat er iets anders aan de hand was en hun hulp aanboden. Maar die mensen werden door de verdachten brutaal en berekenend met een smoes afgewimpeld. Het is onbegrijpelijk dat de verdachten ook daarna gewoon zijn doorgegaan met hun gewelddadige actie.
Dit alles is, zoals ook blijkt uit de aangifte en ter zitting voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring, enorm heftig geweest voor [aangever] . Hij heeft flink fysiek letsel opgelopen, waarvan hij de weken na het voorval last heeft gehad. Ook heeft hij van de straatroof tot op de dag van vandaag in mentale zin nog veel last. Bovendien ervaart de samenleving dit soort misdrijven met willekeurig gekozen slachtoffers als schokkend en draagt het bij aan gevoelens van onrust en onveiligheid.
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij niet eerder in aanraking is gekomen met politie en justitie voor soortgelijke feiten.
De rechtbank heeft ook gekeken naar het advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en de toelichting hierop ter zitting. Er zijn geen zorgen over verdachte op de verschillende leefgebieden en het recidiverisico wordt geschat op “heel laag”. Er zijn ook geen aanwijzingen dat toezicht van de jeugdreclassering momenteel een passende interventie is. De Raad adviseert verdachte een deels voorwaardelijke werkstraf, dan wel een onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen.
De rechtbank slaat bij het bepalen van de strafmaat verder acht op de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS voor minderjarigen. Hierin staat vermeld dat het uitgangspunt voor een diefstal met geweld 60 uur werkstraf (dan wel dienovereenkomstige jeugddetentie) betreft waarbij iedere strafverzwarende omstandigheid de strafmaat in beginsel voor 60 uur werkstraf verhoogt. De bedreiging met een wapen, het georganiseerd karakter van de groepen de aard en ernst van het geweld gelden hierbij als strafverzwarende omstandigheden.
De rechtbank zal bij het opleggen van de straf echter ook rekening houden met de forse overschrijding van de redelijke termijn in jeugdstrafzaken met 9 maanden. De rechtbank zal deze overschrijding in strafmatigende zin meewegen met de uiteindelijk op te leggen straf. Gelet hierop en het forse tijdsverloop zal de rechtbank geen (voorwaardelijke) vrijheidsbenemende straf meer zal opleggen en ook geen voorwaardelijk strafdeel, nu het pedagogisch effect daarvan, door het tijdsverloop en de positieve ontwikkelingen in het leven van verdachte, nihil wordt geacht. De rechtbank is van oordeel dat de eis van de officier van justitie voldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Zij zal verdachte een werkstraf opleggen van 100 uren. Zij ziet gelet op de ernst van het feit en de gevolgen daarvan geen aanleiding om over te gaan tot het opleggen van een geheel voorwaardelijke werkstraf, zoals door de raadsman bepleit.

7.De benadeelde partij

[aangever]
De benadeelde partij [aangever] vordert een schadevergoeding van € 9.437,44 voor
het ten laste gelegde feit, bestaande uit € 1.937,44 materiële schade en € 7.500,-- immateriële schade. Tevens wordt de wettelijke rente gevorderd en wordt verzocht de schadevergoedingsmaatregel toe te passen.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De rechtbank neemt per opgevoerde schadepost aangaande de materiële schade het navolgende in aanmerking.
- EMDR-therapie € 258,75:
De kosten voor deze therapie zijn met facturen van een psycholoog onderbouwd en worden niet vergoed door de zorgverzekeraar. De rechtbank acht deze kosten daarom toewijsbaar. Deze kosten zijn gemaakt, terwijl er ook (na een aanzienlijke wachttijd) vergoede zorg mogelijk was. Echter, er is voldoende gemotiveerd gesteld dat deze vergoede zorg niet afgewacht kon worden, om de psychische schade te beperken;
- Identiteitskaart € 37,95 en pasfoto voor de identiteitskaart € 10,-:
De benadeelde partij heeft blijkens de bijgesloten kassabonnen van de gemeente en een winkel waar een pasfoto is gemaakt, een nieuwe identiteitskaart moeten aanvragen en betaald, zodat deze posten kunnen worden toegewezen.
- Apple AirPods € 269,--:
De benadeelde partij is gedwongen tot de afgifte van zijn AirPods, die hij nog maar net had gekocht. Hij heeft nieuwe AirPods aangeschaft, waarvan een kassabon is bijgesloten. De schade is daarmee voldoende onderbouwd en deze post toewijsbaar.
- Jas € 100,- en trui € 70,-:
Uit het dossier is gebleken dat de jas en trui door het bewezenverklaarde beschadigd en/of bebloed zijn geraakt, door de verdachten zijn meegenomen en enkele dagen buiten hebben gelegen. De schade is onderbouwd met afbeeldingen en prijzen van soortgelijke kledingstukken. De gevorderde bedragen komen de rechtbank redelijk voor en zal zij toewijzen.
- Fietsreparatie € 90,85:
In het dossier komt naar voren dat tijdens het bewezenverklaarde de fiets van de benadeelde partij is gevallen. Dat de fiets daardoor is beschadigd, is een logisch gevolg van het handelen van verdachten. Deze schade is voldoende onderbouwd met afbeeldingen van een drietal fietsonderdelen die zijn vervangen en de daarbij behorende prijzen. Ook deze schadepost zal worden toegewezen.
- Werkuniform/schort € 15,--:
De benadeelde partij heeft ter zitting toegelicht dat hij het schort na het incident niet meer heeft terug ontvangen en zelf een nieuw schort heeft moeten kopen. Deze schadepost is voldoende onderbouwd en kan worden toegewezen.
- Reiskosten € 502,26 en taxi/Uber-kosten € 583,63:
De benadeelde partij heeft aangegeven dat deze kosten zijn gemaakt omdat hij zich na het bewezenverklaarde niet meer alleen in het donker op straat durfde te begeven en daarom naar/van school, stage, werk en sport moest worden gebracht/opgehaald, wat tot extra benzinekosten en taxikosten heeft geleid. De rechtbank acht voorstelbaar dat dit vervoer voor een bepaalde duur wel noodzakelijk is geweest, maar zij kan op basis van de overgelegde stukken onvoldoende vaststellen voor welke periode en welke vervoersbewegingen- of trajecten die noodzaak heeft bestaan.
Verdere behandeling van dit deel van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk in de vordering zal worden verklaard.
Gelet op het vorenstaande kan de materiële schade worden toegewezen tot een bedrag van
€ 851,55.
Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade van € 7.500,-- overweegt de rechtbank als volgt.
De benadeelde partij heeft door het bewezenverklaarde handelen van de (mede)verdachte(n) onmiskenbaar lichamelijk en geestelijk letsel opgelopen. Dit is onderbouwd met medische stukken van de huisarts en het ziekenhuis. Het fysieke letsel dat is toegebracht is relatief beperkt gebleven. De gebeurtenis heeft vooral veel psychische impact gehad, waarvoor de benadeelde partij ook EMDR-behandelingen heeft moeten ondergaan. Gelet op de aard en ernst van het letsel en de gevolgen hiervan voor zover thans bekend, begroot de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid op € 3.000,-. In zoverre is de gevorderde immateriële schade toewijsbaar. De benadeelde partij zal voor het overige deel van deze schade niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat de beoordeling daarvan nader onderzoek vergt dat een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
De rechtbank wijst aldus schadevergoeding toe tot een totaal bedrag van € 3.851,55. Voor het overige deel van de gevorderde schade is de benadeelde partij niet-ontvankelijk. Dat deel kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Zij ziet in dit verband geen aanleiding om af te wijken van de jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot groepsaansprakelijkheid. Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door één of meer mededaders is betaald, en andersom.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf 3 november 2023.
De rechtbank zal voorts de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen. Gelet op het feit dat verdachte minderjarig was ten tijde van het gepleegde feit zal de duur van de gijzeling op 0 dagen worden vastgesteld.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 47, 77a, 77g, 77m, 77n en 317 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
medeplegen van afpersing;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf in de vorm van
een werkstraf van 100 uren;
- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht,
vervangende jeugddetentiezal worden toegepast van
50 dagen;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij
[aangever]van
€ 3.851,55, waarvan € 851,55 aan materiële schade en € 3.000,-- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 3 november 2023 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[aangever],
€ 3.851,55te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf
3 november 2023 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 0 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Tempel, voorzitter, mr. D.H. Hamburger en mr. V.M. Schotanus, allen kinderrechters, in tegenwoordigheid van R. Rozendaal, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 16 december 2025.