ECLI:NL:RBZWB:2025:8953

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
23/10779
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van een naheffingsaanslag Bpm en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 16 december 2025, wordt het beroep van belanghebbende, een B.V., tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de belastingdienst beoordeeld. De inspecteur had een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 7.251, welke door belanghebbende werd betwist. De rechtbank heeft op 4 november 2025 de zaak behandeld, waarbij belanghebbende werd vertegenwoordigd door mr. M.U. Sahin en de inspecteur door twee inspecteurs. De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag onterecht was en vermindert deze tot € 5.349. Tevens wordt een immateriële schadevergoeding van € 1.500 toegekend aan belanghebbende wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure. De rechtbank concludeert dat de inspecteur het griffierecht moet vergoeden en dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van haar proceskosten, die in totaal € 3.108 bedraagt. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn op de hoogte gesteld van de beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/10779

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd in [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, Bothof Services B.V.),
en

de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 18 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 7.251.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V. en namens de inspecteur [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond moeten worden verklaard en dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende heeft op 8 mei 2022 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Mercedes Benz AMG GLE 53 4Matic+ met [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 22.614.
3.1.
Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd van ASG Expertise van 5 mei 2022. Daarin is een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat opgenomen van € 101.359, gebaseerd op een koerslijst van Xray. De taxateur heeft een schadebedrag van € 12.601 geconstateerd en volledig in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde. De taxateur heeft de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat vastgesteld op € 88.758.
3.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). De bevindingen zijn opgenomen in een rapport van 13 mei 2022. De hertaxateur heeft de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat vastgesteld op € 100.223 aan de hand van een koerslijst van Xray. De hertaxateur heeft geen aanleiding gezien om een waardevermindering wegens schade in aanmerking te nemen.
3.3.
De inspecteur heeft op basis van de hem ter beschikking staande gegevens het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm moet worden vastgesteld op € 29.865. Met dagtekening 23 september 2022 is aan belanghebbende een naheffingsaanslag opgelegd van € 7.251 aan verschuldigde Bpm.

Overwegingen

4. Tussen partijen is in geschil welke afschrijvingsmethode moet worden toegepast. Verder is in geschil de hoogte van de historische nieuwprijs, de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat en of een waardevermindering wegens schade in aanmerking moet worden genomen.
Afschrijvingsmethode
4.1.
Indien sprake is van een voertuig met meer dan normale gebruiksschade of indien sprake is van een voertuig dat niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst mag de afschrijving worden bepaald aan de hand van een taxatierapport. [1]
Is sprake van meer dan normale gebruiksschade?
4.2.
De taxateur van belanghebbende heeft schade geconstateerd voor een bedrag van € 12.601 en dit bedrag volledig in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde. De bewijslast voor een waardevermindering wegens schade rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft hiervoor verwezen naar haar taxatierapport en de bijbehorende foto’s. De rechtbank constateert dat op sommige foto’s duidelijk krassen en andere beschadigingen zoals een deukje zichtbaar zijn, die niet uitsluitend zijn aan te merken als normale gebruiksschade. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de auto pas acht maanden oud is en nog maar 5.778 kilometer heeft gereden. De schade die op sommige foto’s zichtbaar is past niet bij de leeftijd en kilometerstand van de auto. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat de afschrijving voor de auto in het onderhavige geval kan plaatsvinden aan de hand van de taxatiemethode op de grond dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade.
Handelsinkoopwaarde in beschadigde staat
4.3.
Belanghebbende beroept zich als uitgangspunt voor de handelsinkoopwaarde op de koerslijst van Xray die door de hertaxateur bij het rapport van DRZ is gevoegd. De inspecteur heeft gesteld dat deze koerslijst geen toepassing kan vinden omdat de opties niet goed zijn ingevuld. De rechtbank laat deze stelling buiten beschouwing omdat deze pas ter zitting voor het eerst is ingenomen.
4.4.
Verder volgt de rechtbank de inspecteur niet in zijn stelling dat de koerslijst niet kan worden gebruikt omdat deze waarschijnlijk slechts een schatting/prognose van de handelsinkoopwaarde heeft afgegeven en mogelijk is gebaseerd op één transactie.
Volgens artikel 10, lid 7, van de Wet Bpm wordt voor de afschrijving van de auto gebruik gemaakt van een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland. Aangezien een koerslijst van Xray als zodanig kan worden aangemerkt ziet de rechtbank niet in waarom deze niet zou kunnen worden gebruikt.
4.5.
Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om de koerslijst buiten beschouwing te laten gelet op het verschil in CO2-uitstoot van 8 gr/km tussen de auto en het referentievoertuig, zoals de inspecteur heeft gesteld. Uit interne correspondentie van de Belastingdienst die belanghebbende als nader stuk heeft overgelegd [2] , blijkt immers dat op grond van intern beleid kleinere verschillen in CO2-uitstoot toepassing van de koerslijst niet verhinderen.
4.6.
De rechtbank is daarom van oordeel dat de koerslijst van Xray die bij het rapport van hertaxatie is gevoegd als uitgangspunt kan dienen voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde.
4.7.
Met betrekking tot de hoogte van de waardevermindering wegens schade overweegt de rechtbank als volgt.
4.8.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat het volledige bedrag van de door haar bepleite schade in aanmerking moet worden genomen. De rechtbank neemt de schade aan de velgen en de overige kleine krasjes wel in aanmerking als normale gebruiksschade. Verder is uit de foto’s niet duidelijk af te leiden waar de schade zich bevindt zodat de rechtbank onvoldoende verband kan leggen tussen de foto’s waarop de schade zichtbaar is en de bijbehorende posten uit de schadecalculatie. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat belanghebbende geen inkoopfactuur bij het taxatierapport heeft gevoegd ter onderbouwing van de door haar gestelde waardevermindering. De rechtbank stelt de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat daarom in goede justitie vast op € 96.000.
Historische nieuwprijs
4.9.
Uit de koerslijst van de hertaxateur volgt een netto catalogusprijs van € 89.885. Belanghebbende is in haar beroepschrift ook uitgaan van deze netto catalogusprijs ter onderbouwing van de door haar bepleite historische nieuwprijs. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier niet van uit te gaan. De rechtbank stelt de historische nieuwprijs daarom vast op € 153.462 zoals door belanghebbende in haar beroepschrift bepleit en verwijst hiervoor naar hetgeen de Hoge Raad heeft bepaald in zijn arrest van 22 december 2023. [3]
4.10.
Voor zover de inspecteur zich nader op het standpunt stelt dat als de historische nieuwprijs van de auto hoger is dan die van de referentieauto dit er tevens toe leidt dat de handelsinkoopwaarde van de auto hoger is, volgt de rechtbank deze stelling niet.
De rechtbank vindt voor de stelling dat het afschrijvingspercentage gelijk moet zijn aan die van de referentieauto ook geen aanknopingspunten in het onder 4.9. vermelde arrest van de Hoge Raad, zoals de inspecteur heeft gesteld. De rechtbank leidt uit rechtsoverwegingen 3.2.3 en 3.4. van het arrest van de Hoge Raad juist het tegendeel af, te weten dat het afschrijvingspercentage niet per definitie gelijk blijft. Het uitgangspunt is dat de werkelijke waardedaling voldoende wordt benaderd. De rechtbank ziet daarom in de stelling van de inspecteur geen aanleiding om het hiervoor gegeven oordeel met betrekking tot de handelsinkoopwaarde (in beschadigde staat) te wijzigen (zie 4.3 tot en met 4.8).
Hoogte naheffingsaanslag
4.11.
Uitgaande van een historische nieuwprijs van € 153.462, een handelsinkoopwaarde van € 96.000 en een bruto Bpm van € 44.702 stelt de rechtbank de verschuldigde Bpm vast op € 27.963. Belanghebbende heeft op aangifte reeds een bedrag van € 22.614 voldaan zodat de naheffingsaanslag moet worden verlaagd naar € 5.349.
Immateriële schadevergoeding
4.12.
Belanghebbende heeft op 9 november 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.13.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 5 oktober 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 16 december 2025. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond vijftien maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500.
4.14.
Omdat de bezwaarfase afgerond dertien maanden heeft geduurd en daarmee zeven maanden te lang komt € 700 (7/15e) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 800) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar. Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten.
5.1.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 647. [4] In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.108.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 5.349;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 700;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 800;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.108 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [5]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 10, lid 8, van de Wet Bpm.
2.E-mail van 15 april 2024 met als titel Terugkoppeling platform koerslijsten en beleid m.b.t. toepassen koerslijsten.
5.Artikel 27h, lid 3, en artikel 28, lid 7, van de AWR.